Theologia Reformata, juni 2004.
Dr. K. van der Zwaag, Afwachten of verwachten? De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief, Uitgeverij Groen Heerenveen 2003, 1098 p.,€ 34,50 (ISBN: 9058293378).
In 1999 schreef K.v.d. Zwaag een dik boek als dissertatie over artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. In de titel plaatste hij twee opvattingen naast elkaar onder de trefwoorden Onverkort of gekortwiekt. Onlangs schreef deze auteur, journalist bij het Reformatorisch Dagblad, een nog dikker boek, waarin hij opnieuw in de titel twee trefwoorden naast elkaar plaatst, namelijk Afwachten of verwachten? In deze nieuwe studie werkt hij deze twee trefwoorden uit met betrekking tot de vraag op welke wijze mensen delen in het heil dat Christus heeft tot stand gebracht. Het gaat dan om de spanning tussen de genade (verkiezing) van God en de menselijke wil (verantwoordelijkheid). Moet men afwachten tot/of men het geloof ontvangt, waardoor men in het heil deelt ? Of mag men het heil van Christus in het vertrouwen op Gods belofte verwachten ? Dit is geen nieuwe thematiek. Reeds vele anderen schreven er over. Toch is het zelden op zo’n uitvoerige en gedetailleerde manier gedaan als in dit boek. Ik spreek daarover dan ook mijn waardering en bewondering uit. Aan alles is te merken dat de auteur een problematiek behandelt, die hem zelf diep raakt. Dat geeft aan het boek een existentieel karakter. Het was dan ook te verwachten dat Van der Zwaag zijn voornemen om in dit boek geen waardeoordeel uit te spreken over de recente kerkgeschiedenis. (21) niet vol kon houden. Hij laat (natuurlijk) wel degelijk blijken waar zijn sympathie ligt.
Het boek bestaat uit een inleiding en 5 delen, waarna een literatuurlijst en een register van namen volgt. In deel I zet de auteur zijn onderzoeksveld uit. De mens die in zonden gevallen is bevindt zich in een situatie van schuldige onmacht en onwil. De mens is vol onrust, op zoek naar God. Hoe zal hij met God in het reine komen? In deel II bespreekt Van der Zwaag maar liefst 24 thema’s die direct of indirect te maken hebben met de thematiek van zijn onderzoek. Het gaat dan om onderwerpen als de bevrijding door het geloof, in - en uitwendige roeping, verbond en verkiezing, wet en evangelie, onmacht en onwil enz. De methode die de auteur bij zijn bespreking gebruikt is alsvolgt. Hij laat telkens toonaangevende en representatieve stemmen uit de Reformatie en de Nadere Reformatie en het Puritanisme aan het woord. Daardoor kristalliseert zich voor hem een hoofdlijn uit, waarin sprake is van een bijbels evenwicht tussen enerzijds Gods genade en verkiezing en anderzijds de verantwoordelijkheid van en het appčl aan de mens. Van der Zwaag wijst ook steeds aan waar van dit evenwicht wordt afgeweken. Met opvattingen over deze thema’s uit secundaire literatuur gaat hij in gesprek. Alles heel zorgvuldig. Dan volgt deel III. Daarin wordt de auteur alsmaar ‘warmer’. Hij komt steeds dichter bij wat hem echt drijft. De auteur beschrijft de ontwikkelingen van de reformatorische kerken na de Afscheiding van 1834, die uitlopen op de hedendaagse posities inzake het thema. Het gaat telkens om vragen als: is er een welmenend aanbod van genade? Zijn Gods beloften voor heel de gemeente bestemd of alleen voor de uitverkorenen? De tegenovergestelde standpunten van Kok en Steenblok worden uitvoerig behandeld. Het wordt duidelijk dat zowel in de Gereformeerde Gemeenten als in de Gereformeerde Gemeenten in Nederland de doorgaande lijn vanuit de Ledeboerianen en Kruisgezinden deze is dat het verbond onder de beheersing van de verkiezing staat. (1931) Dat is de identiteit van deze kerken. In deel IV wordt behandeld: kracht en zwakte van de bevindelijke traditie. Het doet wat vreemd aan dat dan toch eerst weer een theologie-historisch exposé wordt gegeven van het hypercalvinisme in Engeland en elders. Pas daarna komt het tot een beschrijving van de meningen van theologen zoals Brienen, Van Ruler, Miskotte en anderen over de bevindelijke traditie. Ook wordt aandacht besteed aan de beeldvorming in de moderne literatuur en het ontstaan en de betekenis van de refozuil. In deel IV volgt een slotbeschouwing. Daarin wordt een dwarsdoorsnee gegeven van het gehele veld. Het gaat om 17 onderwerpen, die op de lange reis, die Van der Zwaag maakte aan de orde kwamen. Het boek eindigt waar het begon: moet een mens afwachten of mag hij/zij verwachten? Van der Zwaag kiest duidelijk voor het laatste.
Ik heb het boek gelezen als iemand die zich bij de problematiek betrokken weet. Daarom maakt het indruk op me. Zeker heb ik wel enkele kanttekeningen geplaatst tijdens het lezen van het boek. Zo vraag ik me af of de schrijver de lijnen die in Reformatie en de begintijd van de Nadere Reformatie getrokken zijn niet te veel harmoniseert met de lijnen van de latere tijd van de Nadere Reformatie en van de hoofdstroom van de Puriteinen. Zit er toch niet een echt theologisch verschil tussen de theologie van de Heidelbergse Catechismus(1563) en van de Westminster catechismi (1647)? Een heel andere vraag is die naar de betekenis van de term
‘bevindelijk – gereformeerde traditie’. Na lezing van dit boek ontkomt men niet aan de suggestie dat deze bevindelijke stroming vooral gezocht moet worden in de Gereformeerde Gemeenten. Ik heb daar moeite mee. Alsof de term ‘bevindelijk gereformeerd’ niet een veel breder terrein bestrijkt, waarbij het nog maar de vraag is of de versmalling ervan, zoals men die in de hoofdstroom van de Gereformeerde Gemeenten aantreft, niet veel meer als uitwas gezien moet worden. De term ‘bevindelijk gereformeerd’ dient mijns inziens geijkt te worden aan de spiritualiteit van bijvoorbeeld het klassiek gereformeerd avondmaalsformulier.
Van der Zwaag heeft talloze voorbeelden uit geschiedenis van kerk en theologie in het Gereformeerd Protestantisme tot spreken gebracht. Soms ontroerden ze me, bijvoorbeeld wanneer het er om ging dat mensen als bedelaars het nochtans van het geloof bezongen, dwars door alle aanvechting en gebrokenheid heen. Soms riepen de voorbeelden ook weerzin en verontwaardiging bij mij op. Bijvoorbeeld wanneer ik las dat theologen/ predikanten zich in duizend bochten wringen om maar te ontkomen aan de betrouwbaarheid van Gods beloften. Hoe menigmaal is het klassiek gereformeerde doopsformulier niet gevonnist en terechtgesteld. Overigens ben ik niet erg hoopvol gestemd inzake de vraag of alles wat de auteur heeft gedaan resultaat zal hebben en tot een echt, eerlijk gesprek over deze dingen zal leiden. Lezers die zijn mening deelden zullen in hun opvatting bevestigd zijn geworden. Lezers die zijn mening reeds als dwaalleer zagen, zullen ook daarin alleen maar bevestigd zijn geworden.
Van der Zwaag opteert op integere wijze, met kracht van argumentatie en veel historische documentatie voor de lijn die ds. Kok in de vijftiger jaren van de vorige eeuw ten val heeft gebracht. Het zal me niet verwonderen dat deze geschiedenis zich zal herhalen.