Uit: Jaarboek Nederlands Gereformeerde Kerken, 2004
Gereformeerde Gemeenten
Ook in het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten hebben zich belangrijke ontwikkelingen voorgedaan in het voorbije jaar. Naar mijn waarneming krijgen die in onze kerken relatief weinig aandacht; de Gereformeerde Gemeenten bevinden zich aan de rand van onze kerkelijke waarneming; terwijl het hier toch gaat om een kerkverband dat dezelfde belijdenis kent als wij, en daarbij slechts weinig kleiner is dan de GKV, in grootte dus het vijfde in ons land.
Voluit heet dit kerkgenootschap: Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord Amerika. Door die toevoeging onderscheidt dit kerkverband zich van de bijna gelijknamige Gereformeerde Gemeenten in Nederland, ontstaan uit een scheuring in 1953, rond dr C. Steenblok. In beide staat - ik kies nu mijn eigen bewoordingen - de deur van Gods Koninkrijk niet echt wagenwijd open; maar in de laatste groepering, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, is het kiertje wel heel erg klein.
De vraag in geding - kort aangeduid - is deze: mag in de verkondiging de genade en het heil van God worden aangeboden aan ieder die gelooft? Of mag dat alleen aan hen die aan bepaalde kenmerken, al maar nauwkeuriger omschreven, voldoen? Is het evangelie van Christus belofte van God voor ieder die gelooft, of staat de verkondiging zozeer onder de beheersing van de uitverkiezing dat er geen belofte overblijft?
Nu is er in de ‘gewone’ Gereformeerde Gemeenten, op gezag van de officieuze ideologische leidsman ds. A. Moerkerken, al jaren een beweging aan de gang die door sommigen wordt geduid als een opschuiven in de richting van de leer van het kleinere zusje, en daarmee naar een prediking die nauwelijks nog meer kan en mag doen dan beschrijven hoe de Heilige Geest werkt in een mensenleven, zonder daarbij op te roepen tot geloof en bekering. Kerkgangers kunnen slechts afwachten of zij bij zichzelf een kenmerk vinden van hun uitverkiezing; of liever gezegd: een kenmerk van een bepaald stadium in de heel lange weg die wellicht ooit voert tot de zekerheid van het eeuwig heil. Maar in een al meer uitgesponnen systeem wijkt dat begeerde einddoel steeds verder weg.
Een eerste protest tegen deze ontwikkeling kwam van professor J. Blaauwendraad (geen theoloog, maar verbonden aan de Technische Universiteit Delft, en vele jaren diaken in de Ger.Gem.). In een tweetal publicaties probeerde hij aan te tonen dat de klassiek Gereformeerde visie veel ruimer en nodigender was dan heden ten dage geleerd wordt in de Gereformeerde Gemeenten. Blaauwendraad vond geen gehoor, althans niet onder de leidinggevenden in zijn kerken; men kan vermoeden dat vele gewone gelovigen zijn boekjes met veel instemming hebben gelezen. Uiteindelijk zocht hij, na anderhalf jaar van het Avondmaal te zijn afgehouden, in 2001 zijn heil in de Nederlandse Hervormde Kerk (Gereformeerde Bond).
In 2003 werd een nieuwe steen in het nagenoeg stilstaande water van deze vijver geworpen: dr. K. van der Zwaag, journalist bij het RD en lid van de Gereformeerde Gemeenten, schreef Afwachten of verwachten, een in nagenoeg elk opzicht kolossaal boek (1100 bladzijden, en meer dan 6000 noten). Zeer minutieus citeert hij uit de eigen geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten talloos vele getuigenissen, om maar zo duidelijk mogelijk te maken dat het bijbels is om de poorten van Gods Koninkrijk in de prediking veel ruimer open te zetten dan recentelijk in dit kerkverband gebruikelijk.
Wat mij als buitenstaander - want dat voel ik mij, bij deze zo nabije en tegelijk zo ver verwijderde manier van geloven - vooral treft is de wijze waarop in de Gereformeerde Gemeenten de Schrift functioneert; of liever gezegd: waarop de Schrift voor mijn besef nauwelijks functioneert. Het heeft er alle schijn van dat de Bijbel slechts in beeld komt als leverancier van teksten bij het systeem zoals dat er al was, voorafgaande aan het opengaan van de Schriften. Zo wordt het levende Woord van God tot illustratiemateriaal bij een voorgegeven dogma. En waar dat gebeurt, waar de Bijbel - het moge hard klinken, maar het is niet anders - slechts in schijn opengaat; waar het ijzeren patroon van de leer heerst over op de klank af geciteerde Schriftwoorden, daar is alle reden tot deernis met en gebed voor zielen die op deze wijze in angst en onzekerheid worden gehouden. Daar verandering in te brengen is dan ook één van de diepste drijfveren van Van der Zwaag; in zijn eigen woorden: “Voor een ruime evangelieprediking behoeven we ons oor niet te luisteren te leggen bij evangelische stromingen, maar kunnen we volop terecht bij de klassieke gereformeerde traditie” (Afwachten of verwachten, blz 22).
Vooralsnog lijkt het er niet op dat het appel van Van der Zwaag echt iets uit zal richten. Integendeel: naar achteraf bleek is de auteur in zijn eigen gemeente na het verschijnen van dit boek afgehouden van het Avondmaal. Of dat bedoeld was als tuchtmaatregel, dan wel als voorlopige ordemaatregel ‘hangende het onderzoek’, werd nog niet duidelijk. Maar het feit als zodanig ligt er wel, en dat lijkt een teken aan de wand. Te vrezen valt dat Van der Zwaag hetzelfde lot ten deel zal vallen als zijn voorganger professor Blaauwendraad.