Geestelijk leven zonder Christus?

– Een reactie

 mr A.A. Bart, belijdend lid van de Gereformeerde Gemeente te Krabbendijke

Op de website www.refoforum.nl werd onder het onderwerp Vraag: is er een toeleidende weg voor de wedergeboorte? de volgende reactie geplaatst:


Geestelijk leven zonder Christus? – Een reactie

In de op 17-08-06 verschenen Saambinder, het kerkelijk weekblad van de Gereformeerde Gemeenten, gaat hoofdredacteur ds. A. Moerkerken in op een vraag van een lezer of er geestelijk leven mogelijk is, vóór de kennis van Christus. Vanwege het grote (eeuwigheids!!) belang van deze vraag en haar actualiteit, zou ondergetekende graag met enkele opmerkingen willen reageren op het betreffende artikel.

1) Wie het artikel leest, kan onwillekeurig de indruk krijgen dat het hier gaat om een zorgvuldig verwoorde visie van iemand die duidelijk evenwichtig wil spreken. De kern van het betoog is immers dat de schrijver twee uitersten wil vermijden? Wie zal ontkennen dat evenwicht een belangrijke zaak is bij de prediking van Gods Woord en de beschrijving van zaken uit het geestelijk leven? Evenwicht; tussen de bediening van de wet en de nodiging van het Evangelie in de prediking! Evenwicht, tussen aandacht voor de volle verantwoordelijkheid van de mens onder de prediking van het Evangelie en het soevereine, eenzijdige werk van God in het zaligen van zondaren. Evenwicht is belangrijk! En toch, toch is evenwicht, of beter gezegd, een middenpositie, niet altijd de juiste! Wanneer wel en wanneer niet? Wanneer de Schrift van geen middenpositie weten wil en radicaal positie kiest en aanwijst! In een dergelijke situatie is er geen sprake van evenwicht, maar dienen wij gehoorzaam na te spreken wat de Schrift ons voorzegt! Zeker, ook ds. Moerkerken realiseert zich dat. Hij schrijft immers “het komt mij voor dat de waarheid ergens in het midden ligt; niet om altijd maar weer de gulden middenweg te zoeken en beide kanten te vriend te houden”. Echter, dit citaat wordt dan toch gevolgd door: “Maar ik meen dat de Heilige Schrift ons leert dat de waarheid tussen beide standpunten in ligt”. En met deze zin snijdt ds. Moerkerken precies datgene aan, waarom ondergetekende juist moeite met dit artikel heeft. Ik wil daar in mijn hoofdbezwaar op terug komen.

2) Een ander opvallend element in het artikel is het veelvuldig voorkomen van de namen van Comrie en Kersten. Dát zij genoemd worden, mag niet verwonderen. Ds. G.H. Kersten was immers de onbetwiste kerkelijke leider (vergeef me de uitdrukking) van de Gereformeerde Gemeenten tijdens zijn leven en had en heeft als zodanig groot gezag. Dezelfde Kersten verklaarde diepgaand te zijn beïnvloed door Alexander Comrie, theoloog en predikant uit de 18e eeuw en één van de laatste mannen van de Nadere Reformatie. Wanneer hun visie aan de orde komt is dat op zich niet verwonderlijk. Wat wel verwondert, en wat mijn hoofdbezwaar tegen het artikel is, wil ik in het volgende punt aan de orde stellen.

3) Ds. Moerkerken is een leidinggevend predikant binnen de Gereformeerde Gemeenten. Gereformeerd, wat houdt dat in? Het moet worden toegegeven dat er vele kerken zijn die deze naam in ere willen houden, maar die echter toch onderling (sterk) kunnen verschillen in opvatting rondom verbond en geestelijk leven. Toch, met dat alles is er ook een overeenkomst. Deze: wie gereformeerd wil zijn, zal zich in de allereerste plaats willen beroepen op Schrift en belijdenis. Zeker in een zaak als deze, die waarlijk niet tot de ondergeschikte punten van de leer behoort! En juist dat is mijn hoofdbezwaar: want al is het, dat in één artikel uiteraard niet alles aan de orde komen kan, toch is mijn grote bezwaar dat de Heilige Schrift slechts éénmaal wordt aangehaald, terwijl elke verwijzing naar ons gereformeerd belijden ontbreekt!
Wie dat vergelijkt met de hoeveelheid aangehaalde citaten van Comrie en Kersten, zal tot de conclusie komen dat de verhouding hier wel heel erg scheef is. Daarbij ben ik ervan overtuigd dat zowel Comrie als Kersten zelf toch zeker geen bezwaar zouden hebben om – in plaats van naar hun geschriften te verwijzen – een dergelijke bewijsvoering hoofdzakelijk te herleiden tot de Schrift en de belijdenis. Om die reden zou ik zo enkele vragen willen voorleggen aan de schrijver.

a. De Heilige Schrift. Ds. Moerkerken haalt in het artikel de geschiedenis van de blindgeborene aan, zoals de Evangelist Johannes die beschrijft in zijn negende hoofdstuk. Wanneer Jezus deze blindgeborene genezen heeft en hem zijn gezichtsvermogen teruggegeven heeft, raakt hij in een twistgesprek met de Farizeeën over de vraag wie Jezus was. De blindgeborene moet eerlijk zeggen Hem niet te kennen; hij zegt dat ook: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie,” (vs 25). Wanneer Jezus hem later opzoekt en hem vraagt of hij gelooft in de Zoon van God (vs 35) antwoord hij: “Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem moge geloven”. Hierna maakt Jezus Zich bekend en belijdt de blindgeborene dat hij in Hem gelooft (vs 38 ).

Een paar opmerkingen bij deze aanhaling. In de eerste plaats is het opvallend dat ds. Moerkerken een geschiedenis van een genezingswonder van Jezus aanhaalt om te bewijzen dat er geestelijk leven mogelijk is zonder kennis van Christus. Waarom houdt ds. Moerkerken zich niet in de eerste plaats bezig met de zovele duidelijke uitspraken van de Heilige Schrift die de zaligheid altijd verbinden aan het geloof in Christus en wat daarmee altijd enige kennis van Hem veronderstelt? Uit hetzelfde Evangelie van Johannes noem ik het uitdrukkelijke onderwijs van Christus Zelf in (expliciet!) deze zaken zoals te vinden in 3: 18, 3:36, 5:40, 6:40, 6:47, 6:53, etc. Deze verwijzingen zijn met vele te vermeerderen. Ik noem slechts degene die ik terloops bladerende voorafgaande het door ds. Moerkerken aangehaalde negende hoofdstuk tegenkwam. Al deze Schriftplaatsen verbinden de zaligheid aan het geloof in Christus, én maken uitdrukkelijk duidelijk dat het ontbreken van dit geloof betekent: geen zaligheid! En hier kom ik terug op mijn eerste punt. Want het zal stellig waar zijn, dat evenwicht een groot goed is. Maar nadrukkelijk zou ik willen stellen, dat er in deze zaak geen tussenstandpunt mogelijk is! Wanneer Christus Zelf in dit Evangelie (3 :36) het eeuwige leven nadrukkelijk verbindt aan het geloof in de Zoon, stelt Hij Zelf er even nadrukkelijk slechts één andere mogelijkheid tegenover: niet in de Zoon geloven, en daarmee blijven onder Gods toorn! Wanneer ds. Moerkerken in deze kwestie ons leert dat de Schrift hier het door hem bepleite middenstandpunt leert, wil ik met nadruk daar tegenover stellen dat een levensgevaarlijke gedachte te vinden voor mensen die buiten de kennis van Jezus en het geloof in Hem God slechts als een vertoornd Rechter zullen ontmoeten!

En het door ds. Moerkerken aangehaalde Schriftvoorbeeld? Een tegenvraag: waar zegt de Schrift ons dat het genezen van de blindheid van de blindgeborene gelijk te stellen is met het schenken van geestelijk leven? Leert de geschiedenis van de 10 melaatsen (Luk 17) ons niet overduidelijk het tegendeel?
Laten we ons houden aan de duidelijke uitspraken der Schrift! Zeker, geloven in Jezus is onmogelijk indien de Heere niet eerst ons uit God geboren doet worden! (Joh. 1:13). Zeker, dit eenzijdige werk van Gods Geest gaat altijd vooraf aan het geloof in Christus. Maar wanneer de Schrift de zaligheid overduidelijk in de eerste plaats verbindt aan het geloof in Christus, geeft ons dat overduidelijk niet het recht deze geboorte uit God los te maken van het geloof in Christus, en te leren dat het één zonder het ander mogelijk is!

b. De gereformeerde belijdenis. Binnen de gereformeerde gezindte spreken we vaak over onze ‘Dordtse vaderen’ en de toon waarmee we dit doen geeft aan dat we het met een zeker genoegen doen! We zijn immers de verdedigers van de leer der vaderen? Is dat zo? Die vraag mag toch altijd gesteld worden? Gereformeerd zijn betekent toch altijd weer gereformeerd worden? Wat zegt onze belijdenis hier over? Die is overduidelijk. Mag ik – bij wijze van uitzondering – het woord geven aan een collegapredikant van ds. Moerkerken? Hij verwijst ons naar de NGB: “Zo kennen de kinderen Gods hun God en Herder. Ik zeg niet dat de bekering begint met het kennen van Christus. Het begint met de kennis van onze zonde en ellende. Ik zeg ook niet, dat al de schapen van Jezus’ kudde met een even zuivere en sterke geloofskennis van Jezus gezegend zijn. Maar ik zeg wel, dat het onmogelijk is een schaap van Jezus’ kudde te zijn zonder enige kennis van Christus de hemelse Herder te bezitten. Wij mogen er misschien zulke christenen op nahouden, maar de Schrift en de gereformeerde belijdenis kent alleen de zogeheten Christgelovigen. Onze belijdenis zegt van de ware kerk dat zij is: een heilige vergadering der ware Christ-gelovigen, alleen hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus” (C. Harinck, De Heere is mijn Herder, Heerenveen 1998). Het lijkt me dat het geciteerde (op grond van Schrift en belijdenis!) overduidelijk is!

En de andere belijdenisgeschriften? Om kort te zijn, de DL leren (in de strijd tegen de remonstranten!) in de lijn van de Schrift(zie hierboven) uitdrukkelijk dat er om in Christus te kunnen geloven, een eenzijdig werk van God nodig is wat Hij zonder ons, in ons werkt: de wedergeboorte. Maar wie daar de conclusie uit trekt, dat bij de Dordtse vaderen de leer van de wedergeboorte betekent, dat zij geestelijk leven zonder (geloofs)kennis van Christus zouden leren, heeft niet goed gelezen. Immers, hetzelfde artikel waarin de wedergeboorte besproken wordt, eindigt met “alzo dat al diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden en daadwerkelijk geloven. En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar, van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. Waarom ook terecht gezegd wordt dat de mens, door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert” (3/4-12). En onmiddellijk daarop volgend lezen wij:
“De wijze van deze werking kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomenlijk begrijpen; ondertussen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart geloven, en hun Zaligmaker liefhebben.”(3/4-13) Is het mogelijk wedergeboren te zijn en toch niet in Christus te geloven en de Zaligmaker lief te hebben? De vraag stellen is in deze haar beantwoorden!

Als laatste de HC: Drie stukken zijn nodig om in de ene troost te leven en te sterven: ellende, verlossing en dankbaarheid, Zondag 1. Is de kennis der ellende een vrucht van een onbewuste inlijving in Christus, zodat diegene wel deel heeft aan Christus, maar Hem nog niet kent? Slechts één tegenvraag: waarom bespreekt de HC de inlijving in Christus dan pas in Zondag 7 onder het ware geloof, en niet voorafgaande het stuk van de kennis der ellende?

Resumerend: wie gereformeerd wil zijn en de gereformeerde belijdenis vast wil houden, kan niet anders dan stellen dat wedergeboorte en geloof in Christus twee kanten van dezelfde zaak zijn. Zeker, principieel gaat logisch de wedergeboorte vooraf! God begint Zijn werk zonder ons, in ons. Maar wie meent wedergeboren te kunnen zijn, zonder in Christus te geloven, heeft de Heilige Schrift en onze belijdenis overduidelijk tegen. Het allerergste is echter dit: diegene loopt gevaar zijn ziel te bedriegen voor een eeuwigheid!

4) Terugkomend op de oudvaders. Ik doe dat bewust na het beroep op Schrift en belijdenis. En werpt iemand tegen: maar Comrie zegt toch maar..! Mijn eerste vraag is: is dat werkelijk zo? Ds. Moerkerken beroept zich voortdurend op Comrie. Wanneer ds. Moerkerken dan met grote stelligheid zegt, dat er geen toeleidende weg tot de wedergeboorte is, kan dit de indruk wekken, dat dit ook het gedachtegoed van Comrie zou zijn. Toch lees ik in diens verklaring van Zondag 7 HC ook andere dingen. Zeker, Comrie wil niet spreken over voorbereiding, vanwege mogelijk remonstrants misbruik van deze term. Maar wanneer hij verwijst naar de Engelse afgevaardigden op de Dordtse Synode in 1618/1619 (die aan de wedergeboorte voorbereidende overtuigingen van zonde leerden, zie Acta) wijst hij weliswaar hun terminologie af, maar stemt hij zakelijk wel met hen in: “Wij zullen in enige opzichten ons gevoelen in alle vriendelijkheid hierover verklaren. Wij veroordelen deze stelling immers niet in alle opzichten, omdat er niets duidelijker is, dan dat de Geest eerst de Wet gebruikt om de zondaar te doden; door haar eis en vloek in de consciëntie te doen indringen; om de zondaar te benauwen, te verschrikken en te doen wanhopen, om ooit ofte immer door iets in zichzelf tot de genade te komen, voor en aleer Hij het Evangelie gebruikt om hem levend te maken.” (A. Comrie, Het oprecht geloof, Houten 1998, 53). Zegt ds. Moerkerken dit Comrie ook na?

Ds. Moerkerken zegt dat hem bij het lezen van de werken van Van der Groe, Paauwe of sommige Engelse theologen “nooit de ergernis bekruipt die zich soms van hem meester maakt bij het lezen van hetgeen diegenen te berde brengen, die zich op hen beroepen en geen geestelijk leven leren voor de kennis van Christus”. Hoe dat komt weet ds. Moerkerken ook: “Bij genoemde theologen sprak het leven, maar bij sommige hedendaagse schrijvers en predikers is het een drijven geworden, hard en bitter vaak, waar het leven uit verdwenen is”.

Zo’n uitspraak is moeilijk te plaatsen en evenmin te controleren. Wie zal durven ontkennen dat ook dit standpunt wel eens op een ongeestelijke wijze verdedigd is? Maar geldt dat niet evenzeer het standpunt van ds. Moerkerken? Zou het ook niet zo kunnen zijn, dat het ‘drijven’ wat ds. Moerkerken signaleert juist een tegenreactie is, uit bezorgdheid voor het zielenheil van mensen die menen zonder geloofskennis van Christus voor God te kunnen verschijnen? Terzijde moet hier opgemerkt worden dat – in tegenstelling tot de suggestie die gewekt wordt door ds. Moerkerkens stelling dat Comrie “in zijn jeugdjaren door de theologie van de vermaarde Marrowmen gebakerd is” – niet alleen ds. Paauwe, Van der Groe en de Engelse puriteinen, maar ook vrijwel alle Schotse predikers en theologen (inclusief de Marrowmen!) de wedergeboorte verbonden met een onmiddellijk geloof in Christus! Een voorbeeld? Vergelijk eens hoe Thomas Boston in De viervoudige staat de vereniging met Christus laat plaatsvinden na(!) de bekende bijlslagen van de wet! Vergelijk eens wat deze schrijft over deze zaken in zijn werk over het genadeverbond! De soms gehoorde mening dat Comrie – alleen vanwege zijn Schotse afkomst – dezelfde zaken zou leren als de Marrowmen wil ik met kracht verwerpen! Alsof dat een werkelijk argument zou zijn!

5) Het zal inmiddels duidelijk zijn, dat de schrijver van dit artikel zich rekent tot hen die naar het oordeel van ds. Moerkerken “ter rechterzijde in het uiterste vallen door geen geestelijk leven buiten de kennis van Christus te leren”. Dat is inderdaad het geval. Juist daarom wil ik duidelijk maken dat het pertinent onjuist is wanneer ds. Moerkerken deze groep verwijt dat zij “geen oog hebben voor het feit dat er een toeleidende weg is”, waarop ds. Moerkerken vervolgt, door te ontkennen dat er inderdaad geen toeleidende weg is tot de wedergeboorte, maar wel tot Christus: “Die weg vangt met de wedergeboorte aan”. Hoewel ik er bezwaar tegen heb in een ‘groep’ te worden ingedeeld (ik wens alleen te behoren tot de groep van gereformeerde belijders!), is de verwoorde opvatting wel zakelijk de opvatting van ondergetekende. Dat deze opvatting een ontkenning van een toeleidende weg zou betekenen, wordt door geen enkel bewijs vergezeld. Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn dat ook ondergetekende van harte instemt met de leer van onze HC die niet alléén, maar toch óók de kennis der ellende nadrukkelijk rekent tot de waarachtige bekering. Geen enkel bezwaar is er tegen de leer van een toeleidende weg. De Schrift leert overduidelijk dat alleen diegene die iets van zijn zonde en ellende gevoelt, de vrije en onvoorwaardelijke aanbieding van Christus in het Evangelie op prijs zal stellen, Matth. 9:12. Maar (en daar gaat het om!) de vraag is of we deze overtuiging van zonde zonder enige kennis van Christus en het Evangelie mogen benoemen als zaligmakend geestelijk leven! Enige, bewust wordt het zo gesteld. Want van harte wil ik ook instemmen met het eerder geciteerde: “Ik zeg ook niet, dat al de schapen van Jezus’ kudde met een even zuivere en sterke geloofskennis van Jezus gezegend zijn. Er is een zwak, klein en aangevochten geloof; en er is een sterker, helderder en meer verzekerd geloof. Er zijn lammeren en schapen in de kudde van Christus. Laat het helder zijn dat we hier geen misverstand over hebben. Maar, het gezamenlijke kenmerk van zowel de lammeren als de schapen is toch dat zij de stem van de Herder kennen. Hij kent de Zijnen, zeker; maar Hij wordt ook van de Zijnen gekend! (Joh. 10).”

6) Mogelijk zal ds. Moerkerken zich in deze reactie geen recht gedaan voelen. Hij zou kunnen zeggen: Heb je mijn slot niet gelezen? Dit citaat: “Het bezwaar dat wij tegen het tweede standpunt hebben, is daarom dat men soms de indruk wekt dat zalig worden ook wel mogelijk is buiten de kennis van Christus om. ‘De kleintjes komen er ook,’ is een geliefde en veelgehoorde uitdrukking. En dat zal waar zijn. Maar de ware kleinen zullen tot in het diepst van hun ziel beseffen dat zij er nooit zullen komen zonder de toepassing van Christus’ bloed aan hun ziel. Dáárover loopt juist hun voortdurende strijd en bekommering”.

Zonder op dit citaat in te gaan, zou inderdaad geen recht gedaan worden aan de gehele inhoud van het artikel. En toch: juist hier wreekt zich de opvatting van de schrijver dat het middenstandpunt in deze zaak de Schrift zou verwoorden. Ik verwijs naar het door mij gearceerde: En dat zal waar zijn. Zegt ds. Moerkerken dan niet met zoveel woorden dat de zaligheid inderdaad niet afhangt van het geloof in Christus maar van het geestelijk leven wat er volgens hem buiten dat kan zijn? Wat voegt het vervolg dan nog werkelijk toe?

Zeker, wanneer de door ds. Moerkerken genoemde ‘ware kleinen’, dit werkelijk in Schriftuurlijke zin zijn, kleinen die in Hem geloven (Mark 9:42), zullen zij er in het minst bezwaar tegen hebben dat alle zaligheid buiten Christus en het geloof in Hem wordt afgesneden! Ook in een prediking waar dit doorklinkt zullen zij zich geen lammeren voelen die geschopt worden om schaap te worden, zoals de Saambinder zich eerder eens uitliet over een dergelijke prediking in een artikel over de jongerenavonden. Integendeel: ik geloof dat deze ware kleinen hier van harte amen op zeggen. Ook al rekenen ze zichzelf vaker buiten, dan in Christus! Maar hiermee wordt wel duidelijk dat de visie van ds. Moerkerken op het geloof in Christus en de kennis van Hem – zij het dan niet in bevindelijke zin – echter dogmatisch wel degelijk moet leiden tot de opvatting dat dit een soort ‘geestelijke luxe’ (de term komt uit het bewuste artikel) zou zijn. Immers, we belijden toch dat er geen afval der heiligen is? Welnu, wanneer men geestelijk leven ontvangen heeft, kan men dat nooit meer kwijtraken! Op zichzelf een voluit Schriftuurlijke waarheid, zie DL. Maar tevens een levensgevaarlijke leer, wanneer men – in strijd met Schrift en belijdenis! – meent dat dit geestelijke leven er ook zijn kan zonder kennis van Christus.

Is dat een ‘drijven’ van een opvatting? Wie het zo wil noemen mag het zo noemen; ik houd het er vooralsnog op dat dit het drijven van de Schrift is! Een drijven, wat erop gericht is om verloren zondaren naar Christus te leiden. Buiten het geloof in Hem is er (bevindelijk niet, en dogmatisch evenmin!) geen zaligheid! “Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven. Maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op Hem”(Joh. 3:36).

Ten slotte, dit artikel is niet geschreven uit lust om de persoon van ds. Moerkerken of diens kerkverband op enigerlei wijze bewust negatief te willen bejegenen. Laat ik ook met nadruk stellen, dat het wijzen op de noodzaak van een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking, zoals de Gereformeerde Gemeenten die voorstaan, mijn hartelijke instemming heeft. Dat neemt niet weg, dat een reactie niet uit mag blijven wanneer de waarheid van de Schrift in het geding is. Ik zou ds. Moerkerken en allen die deze leer voorstaan, willen oproepen tot een terugkeer naar de radicaliteit van de Schrift in belijdenis en prediking. Zo’n prediking zal de ernst van onze zonde, de vloek van Gods wet en de schuld van ons aller ongeloof in alle eerlijkheid naar voren brengen. Zo’n prediking zal ook Christus verkondingen in het vrije, welmenende en onvoorwaardelijke aanbod van genade en in Zijn gewilligheid om de grootste der zondaren zalig te maken. Zo’n prediking laat horen hoe arme en verloren zondaren, getrokken door de Heilige Geest, hun zonde belijden en in verwondering door het geloof mogen opzien naar een gekruiste Zaligmaker, tot rechtvaardiging, heiliging en een volkomen verlossing. Zo’n prediking eindigt in de lof en aanbidding van de Drie-enige God Die alleen alle eer waard is: “Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen” (Ps 89).

G.K.

 

Déze toeleidende weg tot Christus en de standenleer

Het voorgaande is mij uit het hart gegrepen. Graag zou ik er nog enkele opmerkingen aan toevoegen. Want de hele kwestie heeft alles te maken met de toeleidende weg tot Christus en de standenleer. Over de toeleidende weg tot Christus heeft ds. C. Harinck in 2001 een heel boek geschreven, De toeleidende weg tot Christus (2001). Hij vat daarin die weg, zoals door ds A. Moerkerken in 1979 al weergegeven in zijn boekje Genadeleven en genadeverbond (in 2004 opnieuw uitgegeven), als volgt samen: “Tussen de wedergeboorte en het geloof in Christus ligt een weg, die voor de één wel langer is dan voor de ander. Maar het genadeleven begint niet met de kennis van Christus en het geloven in Hem tot zaligheid. Het begint met de bevindelijke kennis van onze ellende,” p. 13.

Datzelfde leert ds Moerkerken in Bethel en Pniël (1997): na de wedergeboorte is Christus, in de overtuiging van de zonde door de wet Gods, “als Persoon … nog geheel verborgen. Niets en niemand is voor de ontwaakte zondaar zo verborgen als de Persoon van Christus!” a.w. p. 50. De Heilige Schrift laat naar zijn besef “het ogenblik van de wedergeboorte niet … samenvallen met de openbaring van de Middelaar”. De “tiende ure is dat tijdstip in het leven van Gods kinderen, waarin hun voor het eerst in hun leven iets van de Middelaar wordt bekend gemaakt”, a.w. p. 52 (zie ook p. 57, 58 en 60). “Tussen het ogenblik van de wedergeboorte en de ‘tiende ure’ ligt wat wij zouden mogen noemen de toeleidende weg tot de Middelaar,” a.w. p. 57. Ds. Moerkerken omschrijft de wedergeboorte in Genadeleven en genadeverbond als “de levendmaking van een dode zondaar. Wij noemen het wel een staatsverwisseling, omdat de zondaar in dat ogenblik mag overgaan uit de staat des toorns en der verdoemenis in de staat van gemeenschap met God,” a.w. p. 16.

Het merkwaardige en tegelijk ongerijmde in dit alles is niet alleen, dat een zondaar in het uur van de wedergeboorte is “overgegaan uit de staat des toorns en der verdoemenis in de staat van de gemeenschap met God” en er dus geestelijk leven en gemeenschap met God kan zijn zonder de kennis van Christus, maar ook, dat een wedergeboren zondaar met kennis van Christus, vervolgens alsnog moet sterven en verloren gaan onder het goddelijke recht in de zogenaamde rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie. “De weg van de Borg, is de weg van de kerk,” is daarbij een geliefkoosde uitdrukking, schrijft ds. Harinck. Men bedoelt daarmee, dat Christus eerst vernederd moest worden, en daarna verhoogd. “Hij moest op Goede Vrijdag sterven onder het goddelijke recht, voordat Hij met Pasen kon worden vrijgesproken door de Vader. Zo moet ook de zondaar eerst vernederd worden en onder Gods recht sterven, voordat het Pasen in de ziel kan worden. Christus’ weg staat daarin model voor de weg van Gods kinderen,” a.w. p. 18. Ds. Moerkerken schreef daarvan reeds in Genadeleven en genadeverbond: “… met kracht zou ik willen verdedigen, dat de vrucht van de heilsfeiten wordt toegepast in de orde waarin zij hebben plaatsgevonden. De gang van de Borg wordt de gang van de Kerk!” p. 30. En hij vervolgt: “Wanneer wordt het nu … Goede Vrijdag voor de ziel? … Dáár, waar wij met alles wat in ons leven is gebeurd, óók met onze zoete omgang met de Heere Jezus, óók met onze onvergetelijke ‘tiende ure’ gaan verstaan dat Gods gerechtigheid onze dood vordert. … Daar, waar alle hoop ons gaat ontvallen. Daar, waar zalig worden met alles wat er gebeurd is onmogelijk wordt!”, p. 31.

Hoe ds. Harinck hierover oordeelt, valt te lezen in mijn artikel Waar staan de Gereformeerde Gemeenten? Waar het mij thans om gaat, is, dat de opvatting dat geestelijk leven mogelijk is zonder de kennis van Christus, niet is los te denken van deze standenleer. Volgens die leer, moet men met kennis van Christus alsnog verloren gaan onder Gods recht. Hoe men levend in Christus en met kennis van Christus onder het recht van God alsnog onder het oordeel kan vallen? Wel, omdat het onderwijs van Jezus aan Zijn discipelen parallel loopt met het profetisch onderwijs dat al Gods kinderen ontvangen. Zolang de discipelen met Jezus omwandelden, verkeerden zij onder Zijn profetische bediening. Als Priester, Die door Zijn Zelfofferande hun zonden zou verzoenen, kenden zij Hem echter nog niet. Dat kwam pas toen Hij ging spreken over Zijn lijden en sterven en op Goede Vrijdag de dood in ging. Dat betekende voor de discipelen het sterven onder Gods recht. “De ziel wordt dan evenals Christus door de diepte van Gethsémané gebracht naar Golgotha en afgesneden van zijn leven,” aldus ds Harinck, a.w. p. 19. En daarom verwijst ds Moerkerken in het thans besproken artikel ook weer naar de blindheid van de discipelen voor het lijden en sterven van de Zaligmaker.

 Tegen de Schrift …

Vanwege het aangegeven verband zou ik het bewijs uit de Heilige Schrift graag wat breder trekken en aanvoeren tegen heel de standenleer. Want even onmogelijk als het is om van geestelijk leven te spreken zonder de kennis van Christus, is het onmogelijk om verloren te gaan met de kennis van Christus. Wat die eerste opvatting betreft (geestelijk leven zonder de kennis van Christus): men spreekt hier ook wel van zaligmakende ellendekennis. Die verkrijgt men dan uit de wet. Want door de wet is immers de kennis der zonde. Doch het is uitdrukkelijk in strijd met de Heilige Schrift, om van zaligmakende ellendekennis uit de wet te spreken, zonder kennis van Christus. Want de wet eist van iedere zondaar een volkomen gerechtigheid. Zij is niet uit het geloof, maar de mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven, Gal. 3:12. Zij vervloekt een ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen, Gal. 3:10. Zij stelt de gehele wereld verdoemelijk voor God, Rom. 3:19. Door de wet is de kennis der zonde, Rom. 3:20. Zonder de wet is de zonde dood, maar als de Heilige Geest een zondaar gaat overtuigen door de wet, wordt de zonde weer levend. Dan moet de zondaar sterven en wordt de zonde hem de dood, Rom. 7. De Heilige Geest, die de zondaar overtuigt van zonde, wordt genoemd de Geest der dienstbaarheid tot vreze, Rom. 8:15. Het (doel)einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft, Rom. 10:4. In Gal. 3:24 noemt Paulus de wet daarom een tuchtmeester tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. De letter (dat is: de wet) doodt en is een bediening van de dood en de verdoemenis, maar de Geest (door de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus) maakt levend, 2 Kor. 3:6-8 i.v.m. 4:4 en 5. De Schrift laat geen enkele ruimte om te leren, dat er geestelijk leven kan zijn, zolang men uit de wet enkel en alleen nog maar kennis heeft van zonde en ellende.

Nu zal men mij ongetwijfeld tegenwerpen, voluit te erkennen dat er buiten Christus geen leven is en dat men slechts in Christus gemeenschap met God kan hebben. Dat is niet het punt, zo zegt men dan, het gaat erom dat een zondaar in Christus kan zijn, maar nog niets van Christus kent. Of, om het nog iets nauwkeuriger te zeggen: nog niets van Zijn priesterlijke bediening. Is dat mogelijk? Het antwoord op deze vraag brengt ons bij het bewijs uit de Heilige Schrift zoals dat door de schrijver op het internet is aangereikt. Gods Woord kent geen geloof, dat Christus niet kent en aangrijpt. In de herschepping schijnt God in het hart, om te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God in het gelaat van Jezus Christus (in tegenstelling tot het glanzende gelaat van Mozes, de bemiddelaar van de wet, 2 Kor. 4:6. Want de Heilige Geest wederbaart een zondaar door middel van het aanschouwen van de heerlijkheid van God in de persoon van Jezus Christus, 2 Kor. 3:18. Zo kon Paulus aan de Efeziërs schrijven dat zij in Christus ingelijfd waren, nadat zij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie van hun zaligheid, gehoord hadden, Ef. 1:13. En Petrus neemt het beeld van nieuw geboren kinderen, die door het hun verkondigde, eeuwig blijvende Woord van God (en Wie is dat anders dan de Heere Jezus Christus), zijn wedergeboren en de redelijke onvervalste melk hebben gesmaakt, namelijk dat Jezus Christus, tot Wie zij komen, goedertieren is, 1 Petr. 2:2 e.v. Door het geloof in Christus Jezus, wordt men kind van God, Gal. 3:26, of zoals Johannes het zegt: zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven. Dit zijn degenen, die uit God geboren zijn, Joh. 1:12 en 13.

Maar, zo zal men verder tegenwerpen, deze bewijsplaatsen zeggen toch nog niets over de kennis van Christus als Priester? Het is toch onmiskenbaar dat de discipelen aanvankelijk niets begrepen van de weg van lijden en sterven van de Zaligmaker? Jawel, maar betekent dit schriftuurlijk gegeven, dat zij niets van de Messias kenden als het Offerlam voor de zonde? Zou God niet, volgens Zacharias, door de dienst van Johannes de Doper, Zijn volk kennis der zaligheid geven, in vergeving van hun zonden, Lukas 1:77? En vermaande Johannes het volk niet tot bekering van hun zonden onder aanwijzing van het Lam van God, dat de zonde der wereld wegneemt? Om die reden hadden de discipelen de Doper verlaten en waren ze Jezus gevolgd. Er was dus geen sprake van, dat de discipelen aanvankelijk nog niets kenden van het priesterlijke ambt van de Messias. Sterker nog, op dat aspect van Jezus’ werk op aarde, had Johannes de Doper juist alle nadruk gelegd. En daar lag ook alle nadruk op in de oudtestamentische offerdienst. Buiten het werk van de (hoge)priester was er geen geestelijk leven en geen ware dienst aan God mogelijk. Dat werd het volk iedere dag voor ogen gesteld. Dat de discipelen niets begrepen van het feit dat het priesterlijke ambt van Christus tot vervulling moest komen doordat Hij veel moest lijden van de overpriesters en schriftgeleerden en overgeleverd zou worden aan de heidenen om ten slotte op een vervloekt kruis te sterven, betekent nog niet, dat zij Hem niet erkenden en beleden als het Lam van God, dat de zonde der wereld wegneemt.

Het meest merkwaardige en ongerijmde is echter wel, dat men volgens de standenleer in Christus kan zijn en kennis van Christus kan hebben, maar alsnog verloren moet gaan onder Gods recht. En dat is volgens de Heilige Schrift al net zo onmogelijk, als het bezitten van geestelijk leven zonder de kennis van Christus. Want voor degenen die in Christus Jezus zijn, is er geen verdoemenis meer, Rom. 8:1. Ook niet in de vierschaar der consciëntie. Want die in Christus zijn, zijn niet onder de wet, maar onder de genade, Rom. 6:14 en 15. Zij hebben de Geest van het leven in Christus Jezus en wandelen naar de Geest, Rom. 8:2. De Geest van Christus woont in hen, Rom. 8:9 en 11. En zij die door de Geest geleid worden, zijn niet onder de wet, Gal. 5:18. Zij hebben nu juist niet ontvangen de Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze, maar de Geest der aanneming tot kinderen, door Welke zij roepen: Abba, Vader! Rom. 8:15.

 … en tegen de gereformeerde belijdenis

De schrijver op het internet heeft ook al het nodige aangevoerd uit onze belijdenis. Maar er is nog meer aan toe te voegen. Het zijn juist onze Dordtse Leerregels, die zo duidelijk stellen, dat het God belieft Zijn werk der genade door de prediking, het horen, lezen en overleggen van het Evangelie in ons te beginnen, te bewaren, achtervolgen en volbrengen, DL hoofdstuk 5, par. 14. Het werk van de Heilige Geest vereist de prediking van het Evangelie, aangezien door de heilige vermaningen van het Evangelie de genade wordt medegedeeld, DL hoofdstuk 3 en 4, par. 17. Want hetgeen noch het licht der natuur, noch de wet doen kan, namelijk de mens de zaligmakende genade geven, dat doet God door de kracht van de Heilige Geest en door het woord of de bediening der verzoening, welke is het Evangelie van de Messias, waardoor het God behaagd heeft de gelovigen zalig te maken, DL hoofdstuk 3 en 4, par. 5 en 6. En ook onze catechismus leert ons duidelijk, dat de Heilige Geest het ware geloof door (de verkondiging van) het Evangelie in het hart werkt.

Zeker, zo zal men toegeven: de levendmaking is door het Evangelie. Zo schreef ds P. Mulder het toch onlangs ook nog voor onze jonge mensen in de Daniël van 28 juli 2006. Hij erkent dat de wedergeboorte niet uit de wet is, maar uit het Evangelie. Hij haalt daarbij zelfs een citaat aan van ds Moerkerken uit diens catechismusverklaring, Ons troostboek, p. 92: “De Wet moet gepredikt worden, die Wet is noodzakelijk. Maar de Wet leert ons nooit Christus kennen. De Wet is wel de tuchtmeester tot Christus, maar geen kenbron van Christus. Die Wet Gods eist, die vervloekt degene die niet in haar wegen gaat. De Wet Gods heeft een verdoemende, een dodende kracht. Het Evangelie belooft het leven door de gerechtigheid van Christus. De Wet is zonder het Evangelie een ‘bediening des doods’: zij kan niemand levend maken. Het Evangelie maakt door de werking van de Heilige Geest levend en is een kracht Gods tot zaligheid.”

Maar ds Mulder stelt tegelijkertijd ook, dat er geestelijk leven kan zijn, zonder de kennis van Christus. Hij schrijft even daarvoor immers: “Zo wordt de wedergeborene voorbereid en gebracht tot de kennis van Christus. De geloofskennis der ellende gaat niet aan de wedergeboorte vooraf, maar volgt erop. Wel gaat ellendekennis vooraf aan de geloofskennis van Christus als de Zaligmaker,” cursief van mij. Dus voor de kennis van Christus is aanvankelijk nog geen plaats.

Het blijft intussen geheel onduidelijk, hoe zich die twee zaken verhouden: levendmaking door middel van het Evangelie van Jezus Christus en geestelijk leven zonder de kennis van Jezus Christus. Heeft het middel waardoor de Heilige Geest levend maakt in en na de wedergeboorte dan geen inhoud meer, in het geestelijk leven van een zondaar? Zo ja, dan zou deze toch dadelijk kennis krijgen van de inhoud van dat middel: de Zaligmaker Jezus Christus? Maar dat wordt ontkent. Voor Hem moet juist door de geloofskennis van de ellende (uit de wet) plaatsgemaakt worden. Dus waarmee begint het in het leven van een pas wedergeborene? Met de kennis van de ellende uit de wet! Men vraag zich af, wat het Evangelie in de wedergeboorte inhoudelijk eigenlijk nog te betekenen heeft. Hebben wedergeboorte en geloof zo nog wel iets te maken met horen, Rom. 10:17, wel te verstaan: van het Evangelie der zaligheid, Ef. 1:13? En met aanschouwen van de heerlijkheid van God in de persoon van Jezus Christus, 2 Kor. 3:18? En met smaken dat Jezus Christus goedertieren is, 1 Petr. 2:2 e.v.? En met het aannemen van Hem, , Joh. 1:12 en 13?

Maar nu dit ontkend wordt, zou het eerlijker zijn om te stellen, dat een zondaar levend gemaakt wordt door de wet. Want immers volgens ds Moerkerken en ds Mulder wordt pas na de wedergeboorte in een weg van ontdekking en ontgronding door de wet plaats gemaakt voor de inhoud van het Evangelie: Christus en zijn bloed. Nota bene: diezelfde heilsorde gebruikte dr C. Steenblok voor zijn verwerping van het algemeen, onvoorwaardelijk en welmenend aanbod van genade!

 Comrie (versmald) is niet te verenigen met Van der Groe

Het kwam reeds aan de orde in de reactie van de scribent op het internet: ds. Moerkerken beroept zich op Comrie. Hierbij werd op basis van een citaat van Comrie ook al een relativerende opmerking gemaakt. Een ander citaat van Comrie laat ook zien, dat hij niet zo gemakkelijk is te plaatsen. Want hij schreef per slot van rekening dan toch maar, “dat ik liever één traan schrei, die voortvloeit uit het zien van Jezus, zoals God Hem mij aanbiedt en de Heilige Geest hem aan mijn ziel openbaart, dan een hele oceaan, voortvloeiende uit een wettische beschouwing,”  in Een tweetal brieven aan de Weleerwaarde heer ds. J.H. Vester, predikant te Dordrecht. Wie zich verder wil verdiepen in de opvattingen van Comrie, kan mijn artikel lezen over Comrie en de standenleer. De conclusie daaruit is, dat een beroep op Comrie zeer hachelijk is. Comrie is namelijk in zijn catechismusverklaring (met name daarop baseert men zich) afgeweken van zijn eerder werk en dus niet consistent.

Het gaat mij thans echter om de suggestie van ds. Moerkerken (Van der Groe is hem zeer lief, zo stelt hij), dat hij zich best nog wel in de opvattingen van Van der Groe kan vinden. Die suggestie is ten onrechte. Want in de zaak die ons thans bezig houdt, stonden de opvattingen van Van der Groe haaks op die van Comrie. Van der Groe heeft aan De gereformeerde grondleer van de genadige rechtvaardigmaking door het geloof een geschrift gewijd. Dit is door ds J. van der Haar in 1978 uitgegeven bij uitgeverij G. Kool, Veenendaal (volgens dr A.G. Honig – zie zijn proefschrift over Comrie – dateert het handschrift waarschijnlijk uit het jaar 1759; de catechismusverklaring van Comrie is van 1753). Hoewel dit werkje in de eerste plaats is gericht tegen de leer van de rechtvaardigmaking van eeuwigheid (Van der Groe noemt dit de rechtvaardigmaking vóór het geloof) richt het zich ook tegen een toerekening van Christus’ gerechtigheid aan de zondaar, vóórdat deze zich die gerechtigheid, aangeboden in het Evangelie, door het geloof toeëigent en Christus met al Zijn weldaden aanneemt.

Om de navolgende citaten van Van der Groe goed te begrijpen, is het nodig om kort iets te zeggen van de opvattingen van Comrie. Comrie leerde wel een rechtvaardigmaking van eeuwigheid. Hij leerde ook dat de gerechtigheid van Christus de zondaar wordt toegerekend, vóórdat deze in Christus gelooft en Hem aanneemt. De toerekening van Christus gerechtigheid vond volgens Comrie plaats in de wedergeboorte. In de wedergeboorte werd een zondaar immers in Christus ingelijfd. Dat vond plaats door het geloof. Maar dan was er nog geen sprake van een geloven in Christus. Onder ‘geloof’ verstond Comrie namelijk niet hetzelfde als ‘geloven’. Sprak Comrie over geloof (de zogenaamde habitus), dan bedoelde hij daarmee niet de daad van de mens (de zogenaamde actus), maar de genade van God. Er waren destijds in Woubrugge, de gemeente van Comrie, namelijk sommige mensen, die “in een begrip stonden, dat wij geen leven hebben, voordat wij dadelijk Christus aannemen, en dat wij door dat dadelijk aannemen eerst Hem ingelijfd worden”, zo schrijft ds Moerkerken. Comrie  vond dat een misvatting en wel een zodanig ernstige misvatting, dat hij er aanleiding in vond tot het schrijven van een heel boek, de Eigenschappen des geloofs (1743).

Nu zou men dus kunnen verdedigen, dat Comrie leerde, dat er geestelijk leven is, buiten de kennis van Christus. Daarbij zijn echter de nodige kanttekeningen te plaatsen, waarvoor ik wel mag verwijzen naar mijn eerder genoemde artikel. Zoals gezegd, heeft Comrie dat bovendien niet altijd geleerd, maar is hij in de loop der tijd tot deze gedachten gekomen. Thans is het echter van belang, dat men zich realiseert dat Van der Groe een dergelijk onderscheid tussen geloof en geloven niet maakte. Als hij spreekt over het geloof, dan bedoelt hij niet alleen de genade van God, maar ook de daad van de mens in het aannemen en ontvangen van Christus’ gerechtigheid. Van der Groe leert evenals Comrie, dat Christus’ gerechtigheid in de wedergeboorte aan de zondaar wordt toegerekend. Maar volgens hem geschiedt dat niet vóór het geloof in Christus, maar door het geloof in Hem. Er is volgens hem geen sprake van een waar geloof, als dat niet tegelijkertijd Christus en al Zijn weldaden aanneemt. Met deze korte inleiding in het achterhoofd, volgen hierna enkele citaten uit de verhandeling van Van der Groe; het cursief is niet van mij.

Van der Groe merkt op: “Zolang wij … de aangeboden en geschonken gerechtigheid van Christus, door de Geest des geloofs, niet met ware ootmoed uit Gods genadehand aannemen en ontvangen, zo kan of wil God ons die ook geenszins dadelijk toeëigenen, of ons die als onze eigen gerechtigheid toerekenen, maar Hij houdt ons dan nog metterdaad voor ongelovigen en onrechtvaardigen, op wie Zijn toorn blijft (rusten), Joh. 3:36; ook al zouden wij overigens tot Zijn uitverkorenen mogen behoren, wier gerechtigheid en zaligheid ook bereids door Christus bij God verworven is, en ons in het Evangelie reeds om niet aangeboden wordt,” p. 29. Ruimte voor geestelijk leven zonder de kennis van Christus, is er dus bij Van der Groe niet. Voor de daad van aannemen en ontvangen, houdt God de zondaar voor ongelovig en onrechtvaardig. En enkele pagina’s verder: “Gods genadige toerekening van Christus’ gerechtigheid aan ons in de rechtvaardigmaking – ook al gaat die hier als oorzaak voor(af) – bestaat … metterdaad niet zonder onze gelovige aanneming van die toegerekende gerechtigheid, die onmiddellijk, als een vrucht of uitwerksel van die goddelijke toerekening door de Heilige Geest des geloofs in ons voorkomt. Wij moeten deze twee wel nauwkeurig onderscheiden, maar niet voor een moment ooit vanéénscheiden. Want anders zal van de heilige rechtvaardigingsleer niets zuiver kunnen verstaan worden,” p. 31. Volgens Van der Groe maakt de Heilige Schrift overal gewag maakt van de volstrekte samenhang van de goddelijke daad van toerekening én de menselijke daad van toeëigening en stelt, dat de rechtvaardigmaking in Gods vierschaar én in der mensen consciëntie tegelijk geschiedt. “… tussen die beide is een zodanig volstrekt noodzakelijk verband, dat Gods rechtvaardigen in de hemel geen ogenblik bestaat zonder Zijn rechtvaardigen in de consciëntie van de gelovige …” p. 50 en 51.

De oorzaak van deze misvattingen, wanbegrippen en verkeerde leer (deze kwalificaties zijn letterlijk van hem) ziet Van der Groe in “een minder nauwkeurige aandacht voor de bewoordingen of uitdrukkingen, welke Gods Geest in de Schrift tot beschrijving en voorstelling van de leer der rechtvaardigmaking doorgaans gebruikt, en dat men wederzijds in dezen licht te veel mocht toegeven aan zijn eigen opvatting en systematische ideeën, welke men zich van deze leer aangewend heeft te formeren. … Mensen die dwalen, zijn veelal gewoon om eerst hun eigen bijzondere concept (= opvatting) van enig stuk der leer bij zichzelf te verzinnen, en dan schoeien zij alles wat de Heilige Schrift daarvan zegt, enkel (en alleen) naar de kromme leest van zo’n opvatting. Op die manier wordt de dwaling dan zeer licht geboren, en door een verkeerde uitleg van de Heilige Schrift hardnekkig verdedigd en staande gehouden,” p. 54 en 55. In de Heilige Schrift wordt echter “nooit nadrukkelijk of zakelijk gesproken van een dadelijke toerekening, die dan geschieden zou vóór het geloof, en die apart en op zichzelf bestaan zou. Zij die zulk een toerekening vóór het geloof echter willen stellen en invoeren, zijn dan ook verplicht, om die duidelijk uit Gods Woord te bewijzen; hetgeen, naar wij vertrouwen, wel nooit zal gebeuren,” p. 71.

Let wel, met ‘het geloof’ bedoelt Van der Groe dus niet alleen de genade van God, maar ook de daad of het geloven van de mens. En dat geloof richt zich op Christus. Voor Van der Groe is het namelijk buiten kijf, dat “door een waar geloof Christus ingelijfd worden”, waarvan zondag 7 van de Heidelbergse catechismus spreekt, geen moment kan worden afgescheiden van het aannemen van al Zijn weldaden, dat het antwoord daarop in één adem laat volgen. “Deze twee zijn onafscheidelijk samenverbonden. Het één kan zonder het ander niet één ogenblik bestaan. Zodra de vereniging van de ranken met de Wijnstok plaatsheeft, ontvangen zij ook de levenssappen uit Hem, Joh. 15. En zodra de gelovigen met Christus verenigd worden door het geloof, ontvangen zij ook de rechtvaardigheid Gods – als het sap des geestelijken genadelevens – uit Christus. Want hij neemt door dat geloof niet alleen Christus aan, maar ook Zijn gerechtigheid en al Zijn andere weldaden,” p. 79. Van der Groe gaat zelfs zover, dat hij zegt: “En van dit gelovig aannemen van Christus met al Zijn weldaden, zoals ons Die door God in de beloften des heiligen Evangelies geschonken wordt, hangt dus middellijkerwijze onze rechtvaardigmaking en ganse zaligheid af,” p. 108.

Dit alles staat in schril contrast met wat ds Moerkerken opmerkt over toeleidende weg, die volgens hem begint vanaf het moment van de vereniging met Christus en duurt tot op de bekendmaking van Hem. Hij merkt daarover op: “Vanaf dit ogenblik beginnen de sappen uit de Wijnstok zich te stuwen in de rank. En elke traan die uit de diepte van het verbroken en schuldverslagen hart tot de God des levens wordt geschreid, vloeit uit de Wijnstok Christus voort. Maar zal onze ziel de rust en vrede vinden, die voor een getroost en zalig leven en sterven nodig zijn, dan zal Christus ons als de Weg, en de Waarheid, en het Leven moeten zijn bekendgemaakt. Niemand komt toch door de Vader dan door Hem!“ Men ziet, dat er na de wedergeboorte, op de toeleidende weg tot Christus, zoals ds Moerkerken zich die voorstelt, tijd verstrijkt. Zolang Christus aan de wedergeboren zondaar nog niet bekend gemaakt is, is er bij hem ware schuldverslagenheid voor de Gods des levens, maar nog geen Weg of Toegang tot de Vader.

Voor Van der Groe staat het als een paal boven water, dat het zo “… niet mogelijk [is], dat de natuur van het rechtvaardigende geloof ooit recht gesteld kan worden. Want daarvoor wordt niet slechts een geestelijke en gelovige kennis vereist van Christus’ verworven gerechtigheid, en hoe die ons door God, uit louter genade in de belofte des Heiligen Evangelies wordt geschonken en toegerekend, maar ook een vast en hartgrondig vertrouwen, waarmee wij die goddelijke genade onzerzijds geredelijk ontvangen en aannemen, ons die toeëigenen en ons geheel daarop verlaten en berusten met verzaking van onszelf, en alles wat buiten Christus is. Hoe men het oprecht geloof ook zou willen omschrijven, zo zal het zonder zulk een kennis en vertrouwen, toch niet kunnen bestaan,” p. 123 en 124.

Tot zover mijn aanvullende opmerkingen. Ik sluit mij overigens graag aan bij de laatste paragraaf van de schrijver op internet.