Geloofszekerheid
een ingewikkeld verhaal
Een karakterisering van de visie op geloofszekerheid binnen de rechterflank van de gereformeerde gezindte
Afstudeerscriptie Pabo 4
Hans van Rijn 1993
- 1 -
Inleiding
Algemeen
De rechtvaardiging door het geloof is het centrale leerpunt van de kerk. Daar valt of staat de kerk mee, zei Luther eenmaal. De geschiedenis van de rechtvaardigingsleer is dan ook de inwendige geschiedenis van het protestantisme. Steeds stond dit leerstuk centraal. Opvallend daarbij is wel dat men juist ten aanzien van dit leerstuk met allerlei bezwaren en problemen te kampen had. Voortdurende bezinning hierop bleek en blijkt daarom telkens weer nodig, niet in het minst omdat de visie op de leer van de rechtvaardiging van grote invloed is op het karakter van prediking en pastoraat.1) Met name deze praktische consequenties geven niet zelden oorzaak tot onderlinge meningsverschillen. Duidelijk is dat ook zichtbaar in de gereformeerde gezindte. Kleine theologische verschillen en uitgangspunten ten aanzien van de rechtvaardiging blijken onze gezindte enorm te verdelen. De felheid, hardheid soms ook, waarmee broeders van hetzelfde huis elkaar bestrijden, lijkt in geen enkele verhouding te staan tot de theologische verschillen. Men schroomt in deze mijns inziens vrij geesteloze strijd niet om elkaars geestelijke staat in twijfel te trekken. Wat drijft deze broeders toch om elkaar met zulk een felheid te bestoken?
We constateren in elk geval dat de talrijke kleinere en grotere pastorale en dogmatische meningsverschillen rond de rechtvaardigingsleer in de gereformeerde gezindte tot ontzettend veel verwarring hebben geleid. De gemiddelde kerkmens van reformatorische snit begrijpt nauwelijks waar het allemaal nog om gaat. Velen kunnen de theologische polemieken allang niet meer volgen en hebben afgehaakt. Gelaten vullen zij nog slechts de kerkbanken en houden zich krampachtig vast aan een handvol vormen en geijkte termen. Onrust ontstaat nog slechts als er een dominee preekt die de dingen allemaal wat anders zegt. Basale kennis van de geloofsleer is nauwelijks aanwezig, laat staan dat de gemiddelde kerkmens op eigen initiatief de Bijbel nog onderzoekt. De gereformeerde gezindte ... aan de buitenkant lijkt het nog wel wat maar wie eventjes doorprikt ontmoet murwheid, vormendienst zonder visie en wantrouwen. Zou het onderzoekt u nauw ook in deze niet van toepassing kunnen zijn?
Natuurlijk stel ik de zaken hier nogal zwart-wit. Er valt gelukkig meer te zeggen. De enorme crisis waarin onze gezindte verkeert, leidde gaandeweg tot het besef dat herbezinning, heroriëntatie op de bronnen van het gereformeerd protestantisme vandaag de dag zeer noodzakelijk is.
Het resultaat van deze nog steeds groeiende belangstelling, waarbij in veel gevallen theologen het voortouw namen, leidde tot een stroom van publikaties, bracht tal van gesprekken op gang en riep een veelheid van kritische vragen op ten aanzien van het huidige functioneren van de gereformeerde gezindte. Deze kritiek bleef niet aan de oppervlakte, maar raakte de wortels. Ook de prediking in de gereformeerde gezindte werd kritisch belicht. Dit gebeurde op tal van manieren en vrij massaal. Als voorbeeld in dit verband mag wel dienen het algemeen bekende boek van C. Graafland over “Godsverduistering in het licht van gereformeerde spiritualiteit”.
Wat is het gevolg nu hiervan? Doet men er wat mee? Staat men open voor de kritiek? Voor de meeste kerken binnen onze gezindte moet ik het antwoord schuldig blijven.2) Wat de zgn. rechterflank binnen de gereformeerde gezindte betreft3), de groep waarop ik mij in deze studie hoofdzakelijk richt, weet ik iets meer. Hier roept de kritiek meer dan eens een houding op van verzet, afwijzing en ontkenning. Het merkwaardige, maar vooral ook onrustbarende daarbij is dat deze houding zich op een nogal resolute en radicale wijze manifesteert, terwijl slechts zelden wezenlijk wordt ingegaan op de argumenten van de critici. Zodra predikanten en andere leidslieden uit de rechterflank zich bevraagd weten, haasten zij zich om de kritische tegenstem te smoren in het kussen van het “remonstrantisme”, “geestelijke vijandschap” en “oppervlakkigheid”. Zonder inhoudelijk serieus in te gaan op argumenten van de kritische tegenstem, weet men de betreffende persoon in een theologisch verdachte hoek te manoeuvreren, en hem aldus als echte gesprekspartner uit te schakelen. Misschien een knap stukje ‘gesprekstechniek’ maar feitelijk gaat het hier om een uiterst bedenkelijke zaak. Een kerk waar over het algemeen genomen de gezindheid van Berea gemist wordt4), een kerk die meent het zich te kunnen permitteren lichtvaardig en vaak zelfs bagatelliserend met fundamentele kritiek om te gaan, mist naar mijn idee iets heel wezenlijks, namelijk ootmoed.
De kerkgeschiedenis leert ons steeds weer hoe levensgevaarlijk zelfgenoegzaamheid met betrekking tot leer, prediking en pastoraat is. Ziende in Gods Woord en in de kerkgeschiedenis, dat zovelen - en lang niet altijd de minsten - gestruikeld zijn, past ons diepe bescheidenheid. In de prediking binnen de rechterflank wordt veel separerend gepreekt vanuit de gedachtegang dat een mens een bedrieglijk en arglistig hart heeft. Vanuit dezelfde gedachtegang lijkt het me minstens zo noodzakelijk om ook steeds de eigen leer te toetsen aan Schrift en belijdenis. Durft u dit aan?
Doel en opzet van deze studie
In prediking en pastoraat binnen deze ‘rechterflank’ heeft het eenvoudige, Bijbelsconfessionele spreken over zaken als geloof, heilszekerheid, bekering et cetera plaats gemaakt voor een ingewikkeld bevindelijk stelsel. In dit stelsel neemt de bekommerdheid een zeer grote plaats in. Geloofszekerheid is een stuk dat door weinigen van Gods volk meer beleefd wordt. Slechts zij die een bepaalde geestelijke ervaring meemaken - meestal aangeduid met de term bewuste rechtvaardigmaking - kunnen echt zekerheid hebben over hun aandeel aan Christus. De mate van geloofszekerheid koppelt men in dit stelsel aan het al of niet meemaken van bepaalde geestelijke ervaringen. Deze ervaringen hangen samen met onderscheiden kennis van de drie Goddelijke Personen. Zo kan men bijvoorbeeld in de bewuste rechtvaardigmaking wel vrijgesproken zijn door God in Zijn hoedanigheid van Rechter, maar daarmee kent men God nog niet als Vader. Dit is weer een nadere weldaad, en dus ook weer een andere geestelijke ervaring. Vandaar dat men in de rechterflank vaak spreekt over standen in het genadeleven. Elke stand ‘vertegenwoordigt’ daarbij als het ware een bepaalde geestelijke ervaring. Blaauwendraad typeert deze visie in zijn boekje “Het is ingewikkeld geworden” niet onaardig als kruispuntenstelsel.
Als het gaat om de geestelijke leiding die men in de rechterflank biedt, speelt dit kruispuntenstelsel een allesbeheersende rol. Dogmatisch gezien onderbouwt men dit stelsel door de rechtvaardigmaking door het geloof te splitsen in een “dadelijke rechtvaardigmaking in de wedergeboorte” en een “lijdelijke rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie”.5)
Hoewel er door de loop der jaren heen al heel wat kritiek is afgekomen op dit kruispuntenstelsel is er bij mijn weten althans zelden een poging ondernomen om nou eerst eens meer zakelijk na te gaan waar we nu eigenlijk over praten. Wat houdt nu eigenlijk de rechtvaardigmakingsleer binnen de rechterflank in? Hoe werkt deze leer door in prediking en pastoraat? Welk verband bestaat er nu precies tussen het kruispuntenstelsel en de rechtvaardigmakingsleer? Hoe wordt deze rechtvaardigmakingsleer onderbouwd?
Communicatie is de kunst om zo dicht mogelijk langs elkaar heen te praten, zei ooit Watzlawick. Zeker in theologieland geldt dat het lastig discussiëren is wanneer je niet eerst met elkaar helder hebt waarover we discussiëren. In nogal wat publicaties waarin mensen zich kritisch uitlaten over de kruispuntenleer worden naar mijn smaak teveel zaken opgeworpen. Dan wordt ook het verbond erbij gehaald of de leer van de uitverkiezing, enzovoort. Ik onderken dat al deze zaken met elkaar raken, maar een goede discussie vraagt naar mijn opvatting om afbakening.
In deze studie probeer ik derhalve primair een zo goed mogelijke karakteristiek te geven van aard en wijze van prediking en pastoraat binnen de rechterflank met betrekking tot de rechtvaardiging door het geloof. Ik zie daarbij de volgende opbouw voor me:
- In hoofdstuk twee onderzoeken we wat men binnen de rechterflank verstaat onder rechtvaardigmaking. Het is van eminent belang dat we eerst alle begrippen die dienaangaande gebruikt worden verstaan. Men onderscheidt maar liefst vijf trappen; spraakverwarring ontstaat dan snel. We zullen zien dat het hart van de rechtvaardigmakingsleer van de rechterflank gevormd wordt door het onderscheid tussen de dadelijke en de lijdelijke rechtvaardigmaking.
- In hoofdstuk drie gaan we na waarom men het binnen de rechterflank nodig heeft gevonden om de rechtvaardigmaking onder te verdelen in vijf trappen. Wat is de functie van deze onderverdeling? Wat beoogt men hiermee?
- Hoofdstuk vier vormt het hart van deze studie. Hier zullen we zien hoe de rechtvaardigmakingsleer van de rechterflank doorwerkt in prediking en pastoraat.
- Hoofdstuk vijf gaat tot slot in op de vraag hoe men de leer van de dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking onderbouwt vanuit Schrift en belijdenis.
In dit werkje wordt geregeld verwezen naar een tweede deel. Ooit, dertien jaar geleden, was het mijn voornemen om mijn karakterisering van de rechtvaardigmakingsleer te vervolgen met een weerleggingsdeel. Daar is het nooit van gekomen, niettegenstaande allerhande voorbereidingen. Praktisch gezien ontbrak mij de tijd. Los daarvan ervoer ik dat dit karakteriserende deel al zo duidelijk maakt hoe ingewikkeld het is geworden dat ik me vaak ook afvroeg of een vervolg wel iets zou toevoegen. Degenen die de ingewikkeldheid onderkennen, bevestig ik hooguit in hetgeen ze zelf al vermoedden en degenen die na het lezen van de karakteristiek tot een andere conclusie komen, verbeeld ik niet op andere gedachten te kunnen brengen. Bezie ik alle discussies rondom het boekje van Blauwendraad en het boek van K. van der Zwaag dan ben ik blij me nooit in dit strijdgewoel gemengd te hebben. Het langs-elkaar-heen-praat-en-loopgraaf-gehalte van betreffende ‘discussies’ is zo immens hoog dat ik me bij voorbaat al vermoeid voel.
Tot slot nog een enkele meer technische opmerking. Ik ben me ervan bewust dat deze studie bij sommigen verzet zal oproepen en daarom zeer kritisch gelezen zal worden. Mede daarom maak ik gebruik van wat men een notenapparaat noemt. Hierin verwijs ik onder andere naar de bronnen waar ik uit putte. Daarnaast heb ik ervoor gekozen om vertegenwoordigers uit de rechterflank zeer uitgebreid aan het woord te laten komen. Ik heb deze studie ooit door verschillende predikanten en ambtsdragers laten lezen. Tot dusver heb ik nooit als feedback gekregen dat met dit stuk geen recht gedaan wordt aan de opvattingen binnen de rechterflank aangaande zowel de rechtvaardigmakingsleer als het kruispuntenstelsel. Dat is in deze tijd al heel wat waard. Ik hoop dat verspreiding van dit stuk via internet een beetje mag helpen om zicht te krijgen op de vragen die leven rondom het kruispuntenstelsel.
Hans van Rijn
PS: De inleiding is geactualiseerd in mei 2006
Voetnoten
1) Een overduidelijk voorbeeld in dit verband lijkt mij Jean de Labadie (1610-1674) cs. Deze stelde dat voor iemand komt tot de beleving van de rechtvaardiging door het geloof, hij eerst zover moet komen in het billijken van Gods rechtvaardigheid in het verdoemen van zondaren, dat hij als het ware gewillig is om verloren te gaan. Je moest je onderwerpen aan Gods wil en gewillig zijn om geen genade, nieuw hart, bekering te ontvangen. Iemand die dit niet beleefd had, stond in elk geval nog voor de rechtvaardiging door het geloof. Ook de puriteinen Thomas Hooker (1586-1647) en Thomas Shepard (1605-1649) waren deze opvatting toegedaan. De Nederlandse oudvader Jacobus Koelman (1632-1695) heeft een boek van Hooker vertaald uit het Engels, geheten “De ware zielsvernedering en heilzame wanhoop”. In zijn voorrede op dit werk bestrijdt hij deze visie krachtig. Hij noemt deze opvatting zelfs een “opmerkelijke misslag” (p. 30). Weliswaar moet een mens beleven dat hij verdiend heeft om verloren te gaan, maar aan de andere kant is het Gods wil dat wij tot Hem bidden en smeken om geloof, bekering, etc. Is dit nu Zijn wil, dan mogen wij er niet vanuit gaan dat de Heere ons dit niet wil schenken, maar het ons veel meer wil geven. En op p. 45 van het genoemde boek van Hooker zegt hij: “Stel nu dat de zondaar tevreden en gewillig is om zo alle genade en zaligheid van God door Christus te ontvangen. Zo eist dan een leraar verkeerd als hij zegt: Nee, u moet eerst zo gebogen zijn en gewillig om de genade te missen, eer u dit mag aannemen.”
2) Wel bleek destijds uit de reacties op het zojuist genoemde boek van Graafland dat de gezindheid tot grondig ‘zelfonderzoek’ in theologisch en pastoraal opzicht binnen de gereformeerde gezindte (maar ook binnen de Gereformeerde Kerk) over het algemeen zeer matig is.
3) Hieronder worden over het algemeen verstaan de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (binnen verband en buiten verband), de (Vrij) Oud- Gereformeerde Gemeente en een deel van de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde kerk. Daarnaast kan nog gedacht worden aan een enkele predikant in de Christelijk Gereformeerder kerk. Tot slot kunnen we hier ook nog een aantal predikanten onder rekenen die niet bij een kerkverband zijn aangesloten. Dit was hoofdzakelijk in het verleden het geval. Zie voor dit laatste bijv. P. de Vries, Een gezant van de koning.
4) Hand. 17:11
5) Zie o.a. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, pag. 195.
- 2 -
Dogmatische uiteenzetting
Wat men in de
rechterflank bedoelt als gesproken
wordt over rechtvaardigmaking
Inleiding
In de rechterflank merkt men de rechtvaardigmaking aan “als geschied:
A. vóór het geloof,
1. in het besluit Gods van eeuwigheid;
2. in de opstanding van Christus.
B. dóór het geloof,
1. de dadelijke rechtvaardigmaking, welke plaats heeft in de wedergeboorte, waarbij het geloof als een levende planting des Heiligen Geestes in de ziel wordt gewrocht en waarin de uitverkorene van de zijde Gods wordt gerechtvaardigd en in een staat der verzoening met God gesteld.
2. de lijdelijke rechtvaardigmaking, in de vierschaar der consciëntie wanneer de Heilige Geest van de rechtvaardigmaking voor God in Christus de verzekering geeft.
C. Bij de wederkomst van Christus Eindelijk zullen de uitverkorenen eenmaal gerechtvaardigd worden bij de wederkomst van Christus, op de wolken des hemels, als de goddeloozen zullen rechtvaardig gesteld worden, en het koninkrijk beërven, dat hun bereid is van de grondlegging der wereld. Alzoo zijn er vijf trappen der rechtvaardigmaking.”
[Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, pag. 195.]
Het lijkt mij het beste om aan de hand van deze onderscheiding de prediking binnen de rechterflank te karakteriseren. Immers, als het waar is dat de rechtvaardiging door het geloof het hart is van de kerk, dan zal de visie op de rechtvaardiging ook de grondtoon van de prediking bepalen. Dit houdt dus heel concreet in dat we bovenstaande vijfdeling moeten beschouwen als het handvat waardoor wij grip kunnen krijgen op de aard van de prediking in de rechterflank.
Allereerst moet elk ‘trap’ van de rechtvaardigmaking apart toegelicht worden vanuit de dogmatiek. Door dit te doen, krijgen we een goed zicht op de visie die men binnen de rechterflank heeft op het leerstuk van de rechtvaardigmaking. Dat is het hoofddoel van dit hoofdstuk.
Ik doe in dit hoofdstuk echter meer dan toelichten en beschrijven. Als ds. G.H. Kersten bijvoorbeeld in zijn Gereformeerde dogmatiek zegt dat geen één gereformeerde, dus voluit rechtzinnige, theoloog de rechtvaardigmaking vóór het geloof kan loochenen en dat deze van eeuwigheid is, in het besluit Gods, dan voel ik mij genoodzaakt om enige kanttekeningen te plaatsen. Er wordt dan namelijk iets onjuist gesuggereerd, namelijk dat elke rechtzinnige godgeleerde een rechtvaardigmaking van eeuwigheid leerde. Dat is echter volstrekt niet het geval. In zo’n geval reken ik het tot mijn taak om één en ander recht te zetten.
Bij de dogmatische toelichting op de vijf trappen van de rechtvaardigmaking verwijs ik heel vaak naar de Gereformeerde dogmatiek van ds. G.H. Kersten. Dit omdat veel mensen binnen de rechterflank deze dogmatiek kennen en/of in de boekenkast hebben staan, en ook vanwege het gezag dat men in de rechterflank aan zijn werken toekent.
De rechtvaardigmaking van eeuwigheid
begripsomschrijving
Alles wat God in de tijd werkt, zowel in de natuur als in de genade, is van eeuwigheid door Hem besloten. Ook de rechtvaardigmaking van de uitverkorenen valt dus onder dit besluit Gods.1) Reeds in de eeuwigheid, in de zogenaamde Raad des Vredes, rechtvaardigde God de Vader al degenen die Hij had uitverkoren in Zijn Zoon, Christus Jezus. Toen al sprak Hij de door erf- en dadelijke zonden geheel verdoemelijke maar uitverkoren zondaar vrij van schuld en straf, en schonk hem een recht tot het eeuwige leven. Dit kon God de Vader alleen doen op grond van de volmaakte voldoening van Christus. Deze zou in de tijd aan Gods wraakvorderende gerechtigheid volkomen genoeg doen.2) Zo kon verzoening plaats vinden door voldoening. God rechtvaardigde dus al in de eeuwigheid Zijn uitverkorenen om de verdiensten van Christus. Hoe? Door ze deze verdiensten toe te rekenen.
Het is met name God de Vader die de uitverkorenen rechtvaardigt, dus ook wat de rechtvaardigmaking van eeuwigheid betreft. Wel schrijft de Bijbel de rechtvaardigmaking van de zondaar ook aan God de Zoon en God de Heilige Geest toe.3) In de dogmatiek spreekt men echter over het zogeheten huishoudelijk werk van de drie Goddelijke Personen. Daar geeft de Bijbel ook aanleiding toe. Leest u bijvoorbeeld Efeze 1 maar eens. Paulus schrijft hier aan de drie Goddelijke Personen onderscheiden werkingen toe. God de Vader is het Die ons van voor de grondlegging der wereld uitverkoren heeft in Christus (vs. 3). God de Zoon is het Die verlost (vs. 7) en het specifieke werk van God de Heilige Geest is het verzegelen van de gelovigen (vs. 13 en 14). Vandaar dus dat de dogmatiek gewoon is om hier te spreken over “huishoudelijk werk”.
Naar dit huishoudelijke werk nu is het de Vader die de door de val van de mens geschonden gerechtigheid handhaaft. Daarbij treedt hij als het ware op als Rechter. Naar Zijn rechtvaardig oordeel moet Hij de ongehoorzaamheid en afval van de mens straffen. Zijn gerechtigheid eist, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods begaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.4)
Aan deze wraakvorderende gerechtigheid van God moet genoeg geschieden. Anders is er geen gemeenschap mogelijk tussen God en de mens. De Vader eist als Rechter betaling, een volkomen gerechtigheid. Deze verkreeg Hij in Christus. Al in de eeuwigheid stelde Christus Zich borg voor de uitverkorenen. Vandaar dat God de Vader, in Zijn hoedanigheid als Rechter, eveneens al in de eeuwigheid de uitverkorenen vrij kon spreken van schuld en straf, kortom hen kon rechtvaardigen.
Volgens ds. G.H. Kersten kan niet één gereformeerde de rechtvaardigmaking vóór het geloof loochenen, “en deze is van eeuwigheid in het besluit Gods.” Hij vervolgt dan:
“Op welken anderen grond zijn de uitverkorenen door den Vader van eeuwigheid aan Christus gegeven, dan op grond daarvan, dat het Lam, ter volkomen genoegdoening aan de geschonden gerechtigheid Gods, is geslacht van de grondlegging der wereld? Christus stelde Zich Borg voor de schuld der ter zaligheid gepraedestineerden en deze borgstelling is door den Vader aanvaard ter verzoening van hun zonden. Zoo is van eeuwigheid, in de sluiting van het Verbond der Verlossing, Gods recht voldaan en de vrijspraak gevallen. Duidelijk zegt de apostel dit: 2 Cor. 5:19: God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende.”5)
rechtvaardigmaking van eeuwigheid of ... besluit tot rechtvaardigmaking?
Geen één gereformeerde theoloog kan dus de rechtvaardigmaking vóór het geloof loochenen, “en deze is van eeuwigheid in het besluit Gods.” Zo sprak ds. G.H. Kersten. Toch zijn er vele gereformeerde theologen geweest die liever niet spraken van een rechtvaardigmaking voor het geloof.6) Beter vonden zij het te spreken van het besluit Gods, om den zondaar in den tijd door het geloof te rechtvaardigen. In onze belijdenisgeschriften wordt bijvoorbeeld wel gesproken over Gods eeuwige verkiezing en verwerping, maar niet over een rechtvaardigmaking van eeuwigheid. Ook iemand als ds. E. Fransen (1827-1898), die van ca. 1870-1898 het gezicht van de Gereformeerde Gemeenten bepaalde, leerde geen rechtvaardigmaking van eeuwigheid. Ds. Fransen zag juist als voornaamste dwaling in de leer van de rechtvaardigmaking de opvatting dat de rechtvaardigmaking van eeuwigheid geschied zou zijn. Wel waren de uitverkorenen van eeuwigheid gekenden en geliefden van de Vader, maar tot het “uur der minne” bleven ze kinderen des toorns. In de tijd moesten ze door de borgstelling van de Zoon gerechtvaardigd worden.7) Zou ds. Fransen nu geen gereformeerd - en dus geen rechtzinnig - theoloog zijn?
Mogelijk drukte ds. Kersten zich hier wat al te kras uit. Hoe het ook zij, laat het onder ons geen strijdpunt zijn of we nu moeten spreken van een rechtvaardigmaking van eeuwigheid of van een besluit van God om de in Christus uitverkoren zondaar in de tijd te rechtvaardigen.
Maar wellicht bent u hiervan nog niet overtuigd en verwijst u mij naar Romeinen 8:28-30: “En wij weten dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, [namelijk] dengenen, die naar [Zijn] voornemen geroepen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.”
Nou, zegt u, het gaat hier toch duidelijk om een rechtvaardigmaking van eeuwigheid in plaats van over een besluit van God om de uitverkorenen in de tijd te rechtvaardigen?
Inderdaad wordt dit tekstgedeelte vaak aangehaald om de rechtvaardigmaking van eeuwigheid te bewijzen. We kunnen hier zelfs spreken van een sleuteltekst. Het is daarom zinvol eerst na te gaan hoe de kanttekenaren, Johannes Calvijn en tot slot ds. G.H. Kersten deze tekst verstaan. Mogelijk werpt dit nog wat meer licht op deze zaak.
a. de kanttekenaren over Romeinen 8:28-30
Deze merken op bij:
- naar [Zijn] voornemen geroepen zijn, dat God “in zichzelven voorgenomen heeft, om de menschen uit genade door Christus zalig te maken.” 8) Hij roept ze in de tijd “tot het ware geloof, dat door de liefde krachtig is, niet alleen door een uitwendige, maar ook door een inwendige en krachtige roeping, waar de gehoorzaamheid zeker op volgt.” 9)
- die Hij tevoren gekend heeft, dat God hen kende voor de Zijnen. “Dat is, die Hij van eeuwigheid in Christus heeft verkoren ten eeuwigen leven.”10)
- dezen heeft Hij ook geroepen, dat hier wordt bedoeld geroepen “tot het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs door een krachtige roeping, vs. 28.” 11)
- dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd, dat daarmee wordt bedoeld gerechtvaardigd “voor Hem, door het geloof; gelijk dit woord in dezen geheelen brief in deze stof wordt genomen, en het oogmerk des apostels medebrengt. Want deze rechtvaardigmaking is de naaste trap tot de verheerlijking.”12)
b. Johannes Calvijn over Romeinen 8:28-30
Deze tekent bij het woord voornemen het volgende aan.
“Door het woord voornemen sluit hij duidelijk uit, al wat men dicht, dat de menschen van hun zijde daartoe bijbrengen; alsof Paulus zeide, dat men de oorzaak onzer verkiezing niet ergens moet zoeken dan in het verborgen welbehagen Gods...”13) Bij het tekstgedeelte Want die God tevoren gekend heeft zegt hij: “...Nu, dit tevooren kennen Gods, waarvan Paulus spreekt, is geen bloote voorwetenschap, gelijk sommige ongeleerden dwaselijk dichten, maar is de aanneming, waardoor God zijne kinderen altijd van de verworpenen onderscheiden heeft. In welken zin Petrus zegt (1 Petrus 1:2), dat de geloovigen tot heiligmaking des Geestes verkoren zijn geweest, naar de voorkennis Gods. Daarom hebben die, waarvan ik gesproken heb, onwijselijk besloten, dat God geen ander uitverkoren heeft, dan Hij tevoren gezien heeft, dat zij zijner genade zouden waardig zijn. Want Petrus vleit de geloovigen niet, alsof een iegelijk naar zijne verdienste geroepen ware; maar hij roept ze terug tot het eeuwige voornemen Gods, en berooft ze daarmee van al hun waardigheid. Hier verhaalt Paulus ook wederom met een ander woord, wat hij boven van het voornemen aangestipt had. Waaruit volgt, dat deze kennis in Gods welbehagen gelegen is; want God heeft niets buiten Zichzelven tevoren geweten, als Hij verkoren heeft, die Hij wilde, maar heeft alleen geteekend, die Hij wilde verkiezen.”14)
Naar aanleiding van het tekstgedeelte Die Hij tevoren verordend heeft, die heeft Hij ook geroepen zegt hij:
“Nu, om met klaarder bewijs te bevestigen, hoe waar het is, dat die gelijkvormigheid aan de nederheid van Christus ons tot zaligheid gedijt, zoo gebruikt hij een ladder of trap, waardoor hij leert, dat de gemeenschap des kruis alzoo overeenkomt met onze roeping, rechtvaardigmaking en heerlijkheid, dat zij geenszins kunnen gescheiden worden. Maar, opdat de lezers te beter den zin des apostels weten, zoo moet men gedenken, dat ik boven geleerd heb, dat het woord tevoren verordenen of praedestineeren, hier niet is te verstaan van de verkiezing, maar van dat voornemen of die verordening Gods, waarmede Hij verordend heeft, dat de zijnen het kruis moeten dragen. En dat hij nu leert, dat diezelven geroepen zijn, daarmede beduidt hij, dat God datgene, dat Hij van hen heeft verordend en voorgenomen, niet bij Zich verborgen houdt, maar dat Hij het geopenbaard heeft, opdat zij de wet, die hun opgelegd is, met een gelijk en zachtmoedig gemoed aannemen. Want de roeping wordt hier als minder van de verborgen verkiezing onderscheiden...zoo zegt de apostel, dat God door zijn roeping openlijk getuigenis geeft van zijn verborgen raad. En dit getuigenis is niet alleen in de uitwendige prediking gelegen, maar heeft daarbij ook de krachtige werking des Geestes; want hier wordt van de uitverkorenen gesproken, welke God niet alleen met de stem roept, maar ook inwendig trekt.”15)
Van de rechtvaardigmaking zegt hij tot slot, dat men die op zich zou kunnen verstaan van de gedurige loop van Gods genade; “maar dewijl Paulus dit woord in dezen ganschen Zendbrief gebruikt voor de onverdiende toerekening der rechtvaardigheid, zoo is het niet noodig van dezen zin af te wijken. Want Paulus mening is, dat ons zoo kostelijke vergelding wordt voorgesteld, dat wij de verdrukking niet mogen vlieden.”16) Ook Calvijn verstaat hier onder de rechtvaardigmaking de rechtvaardigmaking door het geloof c.q. de onverdiende toerekening der rechtvaardigheid.
c. ds. G.H. Kersten over Romeinen 8:28-30
Deze merkt in zijn Gereformeerde dogmatiek bij Romeinen 8:29,30 op:
“Dezen tekst mogen wij niet verdraaien, alsof er stond, dat God besloten heeft de verordineerden in den tijd te rechtvaardigen door het geloof. Onwedersprekelijk handelt Paulus in deze woorden van de weldaden, die de Vader in Christus van eeuwigheid den Zijnen geschonken heeft.” Als bewijs voert hij aan: “er is niet geschreven: “zij zullen verheerlijkt worden”, maar “dezen heeft Hij ook verheerlijkt”. Hoewel de volle verheerlijking der Kerke Gods nog toeft tot den jongsten dag, toch is zij alreede verheerlijkt in haar Hoofd Christus; en dit is tevoren geschied. Van eeuwigheid is zij verordineerd in Christus (Efeze 1:4); van eeuwigheid is zij ook gerechtvaardigd, n.l. in Christus en in Hem geroepen en verheerlijkt.”17)
d. conclusie met betrekking tot Romeinen 8:28-30
De rechtvaardiging waarover in vs. 30 gesproken wordt, is volgens ds. G.H. Kersten dus de rechtvaardigmaking van eeuwigheid en niet de rechtvaardigmaking door het geloof. Ds. Kersten wijkt daarmee af van onze kanttekenaren en van Calvijn. Deze vatten de rechtvaardiging waarover hier wordt gesproken juist wèl op als de rechtvaardiging door het geloof. Wel spreken zowel de kanttekenaren als Calvijn over het voornemen respectievelijk het welbehagen Gods. Dit voornemen of welbehagen Gods is in hun visie de grond voor de rechtvaardigmaking door het geloof die in de tijd geschiedt. Daarmee sluiten ze elke vorm van remonstrantisme uit. Van een rechtvaardigmaking van eeuwigheid spreken zij echter niet, ook niet bij andere schriftplaatsen. Zouden we nu met ds. G.H. Kersten mogen beweren dat de kanttekenaren (de mannen van Dordt!) en Calvijn deze tekst verdraaien? Ik dacht van niet. Beter acht ik het zeer goed te luisteren naar deze godvruchtige, ‘onverdacht rechtzinnige’ mannen die bovendien veel blijken hebben gegeven van hun diepe inzicht in Gods Woord. Uit dat oogpunt valt het te betreuren dat ds. Kersten zich wat dit betreft zo kras uitdrukte in zijn dogmatiek (“verdraaien”, onwedersprekelijk”). Hij wekt daarmee de indruk dat iemand onrechtzinnig zou zijn als hij niet ds. Kerstens uitleg met betrekking tot Rom. 8:28-30 aanvaardt.
Vergelijken we zijn exegese met die van bijvoorbeeld Johannes Calvijn, dan valt in elk geval wel op dat laatstgenoemde de betreffende teksten veel grondiger analyseert en behandelt dan ds. Kersten in zijn dogmatiek deed. Zijn exegese van deze Schriftplaats is nogal zwak. In tegenstelling tot Calvijn heeft hij bijvoorbeeld geen oog voor het verband van de tekst.
Wie Rom. 8:28-30 als bewijsplaats aan wil halen om de rechtvaardigmaking van eeuwigheid te bewijzen, moet beseffen dat de apostel Paulus in Rom. 8:30 onder het woord gerechtvaardigd niet de rechtvaardigmaking van eeuwigheid maar de rechtvaardiging door het geloof verstaat. Ook mogen wij het woord verordineerd in Rom. 8:29 niet opvatten in de zin van uitverkoren. Men leze het hierboven aangehaalde commentaar van Calvijn hierbij. De verordinering waarover de verzen 29 en 30 spreken, kunnen niet anders dan in relatie gezien worden met het gelijkvormig worden aan het beeld van Christus. Calvijn brengt dit in verband met het kruisdrage, en in ruimere zin met de heiligmaking. Dit ook op grond van de voorgaande verzen.
Samenvattend kunnen we dus concluderen dat Rom. 8:28-30 geen directe bewijsplaats kan zijn voor de rechtvaardigmaking van eeuwigheid. We kunnen het dogma van de rechtvaardigmaking van eeuwigheid hooguit via afleiding en redenering bewijzen. Opvallend in dit verband is dat Alexander Comrie in zijn Brief over de rechtvaardigmaking des zondaars voor God geen enkele Schriftplaats aanhaalt om de rechtvaardigmaking van eeuwigheid te bewijzen! De vijf bewijzen die hij noemt zijn geen van alle onderbouwd vanuit Gods Woord.18)
Ik hoop dat uit het bovenstaande in elk geval duidelijk is geworden dat het zeer onjuist is om iemand direct of indirect van onrechtzinnigheid te beschuldigen die geen rechtvaardigmaking van eeuwigheid leert maar een besluit Gods tot rechtvaardigmaking. Dit laatste leerde het grootste deel van onze gereformeerde vaderen.19)
de rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus
Dit is de tweede trap van de rechtvaardigmaking en gaat eveneens aan het geloof vooraf. De Heere Jezus stelde Zich in de eeuwigheid, in de Raad des Vredes, Borg voor de uitverkorenen. Op grond hiervan kon de rechtvaardigmaking van eeuwigheid plaats vinden. Hij moest ‘in de volheid des tijds’ echter wel uitgaan in de wereld om ook daadwerkelijk genoeg te doen aan Gods wraakvorderende gerechtigheid. Door Zijn lijden en sterven in die wereld, droeg Hij Gods eeuwige toorn tegen de zonde van het hele menselijke geslacht. Zo betaalde Hij aan God de schuld van Zijn volk en nam al hun zonden weg. Hier vond, zoals Luther het zo mooi zegt in De vrijheid van een christen, de Goddelijke ruil plaats: Jezus mijn schuld en zonden en ik Jezus’ volkomen gerechtigheid. Toen Jezus leed, leed Gods Kerk. Toen Jezus stierf, stierf Gods Kerk. Toen de Zoon van God uitriep met grote stem: Het is volbracht, is de schuld van Gods Kerk volkomen betaald. “Zijn zij dan in Hem gerekend, toen Hij Zich schuldenaar stelde voor Gods recht en de zonden in Hem gewroken zijn, niet minder zijn de uitverkorenen in Hem gerechtvaardigd, toen Hij gerechtvaardigd is in Zijn opstanding uit de dooden. 1 Tim. 3:16: God is geopenbaard in het vleesch; is gerechtvaardigd in den Geest. Die rechtvaardiging betrof Christus als Borg niet alleen, doch met Hem al Zijn uitverkorenen, die in Hem gerekend waren en in Zijn opstanding gerechtvaardigd, ja met Hem alreede gezet zijn in den hemel (Efeze 2:6) en in Hem zijn verheerlijkt (Rom 8:30).”20)
Geeft Gods Woord ons geen duidelijke redenen om een rechtvaardigmaking van eeuwigheid te leren, de leer van de rechtvaardigmaking in Christus’ opstanding is volledig schriftuurlijk. Efeze 2:6 spreekt hier bijvoorbeeld klaretaal over. In het vervolg van deze studie komt de rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus niet meer aan de orde.
de dadelijke rechtvaardigmaking
in nauwe relatie tot de wedergeboorte in engere zin
Bij het bestuderen van ds. G.H. Kerstens dogmatiek valt ons al direct op dat hij nergens een heldere omschrijving geeft van de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof. In zijn opsomming van de vijf trappen van de rechtvaardigmaking geeft hij bij de dadelijke rechtvaardigmaking slechts aan wanneer deze plaatsvindt en wat er dan gebeurt:
- ze vindt plaats in de wedergeboorte (in engere zin);
- het geloof wordt dan als een levende planting van de Heilige Geest in het hart gewerkt;
- de uitverkorene wordt van Gods zijde gerechtvaardigd en in een staat van verzoening met God gesteld.21)
Hieruit blijkt in elk geval dat ds. Kersten de dadelijke rechtvaardigmaking onlosmakelijk koppelt aan de wedergeboorte in engere zin, de levendmaking dus. Slechts uit het gegeven dat de dadelijke rechtvaardigmaking plaatsvindt in de wedergeboorte kan worden afgeleid dat we beide zaken moeten onderscheiden. Gezien de nauwe samenhang acht ik hier ook een bespreking van de wedergeboorte in engere zin op zijn plaats.
didactisch model:
toerekening, inwendige roeping, wedergeboorte, geloofsinplanting
Om een zo helder mogelijk beeld te geven van wat men nu eigenlijk verstaat onder de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof, hanteer ik het volgende didactische model.

op grond hiervan vindt plaats:
vallen 2. inwendige roeping
samen 3. wedergeboorte in engere zin -> 4. geloofsinplanting
1. de toerekening van Christus’ gerechtigheid
Als men binnen de rechterflank een rechtvaardigmaking vóór het geloof leert, betekent dat nog niet, dat men hier de noodzaak van een subjectieve, onderwerpelijke - dus bevindelijke - rechtvaardigmaking ontkent. Het was Gods welbehagen om ook de uitverkorenen te besluiten in de val van Adam. Zowel de verworpenen als de uitverkorenen verkeren in een staat van ellende, in een doodsstaat. Gods kinderen zijn van nature, dus op grond van hun betrokken-zijn in de val van Adam, kinderen des toorns. Het is dus noodzakelijk om overgezet te worden uit de staat van verdoemenis, waarin zij van nature verkeren, in de staat van verzoening van God. Dit voltrekt zich in de (dadelijke) rechtvaardigmaking door het geloof.22)
De dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof houdt daarom een staatsverwisseling in. De doemwaardige maar uitverkoren zondaar wordt in de tijd overgezet in de staat van verzoening met God. Zijn zonden en schuld worden hem kwijtgescholden en hij ontvangt een recht op het eeuwige leven.23)
De vraag is nu hoe dit gebeurt. Dan komen we allereerst terecht bij de toerekening van Christus’ gerechtigheid.
De grond voor de rechtvaardigmaking is namelijk niet het geloof. Het geloof is slechts de ontvangende hand. Het ontvangt Christus en Zijn gerechtigheid en neemt deze aan. Dit veronderstelt dat er iets aan dit ontvangen en aannemen vooraf gaat, namelijk de schenking of toerekening. God de Vader spreekt de zondaar vrij, niet op grond van diens geloof, maar enkel en alleen op grond van Christus’ gerechtigheid. Deze wordt de uitverkoren maar verdoemelijke zondaar in het uur van Gods welbehagen toegerekend. God de Vader, in de hoedanigheid van Rechter, schenkt de uitverkoren maar verdoemelijke zondaar dus de gerechtigheid van Christus. De schenking of toerekening gaat aan het geloof vooraf. In het stuk van de dadelijke rechtvaardigmaking is het geloof zodoende volkomen lijdelijk, passief en werkeloos. God is het, Die rechtvaardig maakt (Rom. 8:33).24)
2./3. inwendige roeping en wedergeboorte
De volkomen toerekening van Christus door God, op grond waarvan de uitverkorene gerechtvaardigd wordt, vindt plaats in de wedergeboorte in engere zin.25)
De wedergeboorte in engere zin kunnen we omschrijven als de levendmakende daad van God die het geloof verwekt en een nieuwe mens voortbrengt, die naar God geschapen is.26)
Dit soevereine, krachtdadige en onwederstandelijke genadewerk van God gebeurt in de inwendige roeping. Deze valt samen met de wedergeboorte:
Die inwendige roeping toch is het krachtdadig, onwederstandelijk werk des heiligen Geestes door middel van Zijn Woord, waarin Hij het steenen hart wegneemt en een vleeschen hart in deszelfs plaats geeft; verstand en wil vernieuwt en heiligt. Juist wat wij door de wederbarende daad verstaan. De wedergeboorte komt geheel met de roeping overeen.26)
De inwendige roeping wederbaart dus. Er bestaat slechts weinig onderscheid tussen wedergeboorte en roeping. De wedergeboorte is de daad van de levendmaking zelf. De roeping doelt op de instrumentele c.q. middellijke werking van God door Zijn Woord. Daarmee hangt samen het onderscheid tussen uitwendige en inwendige roeping, een onderscheid dat bij de wedergeboorte niet speelt omdat de roeping daar altijd inwendig is. De inwendige roeping geeft dus aan dat de wedergeboorte middellijk plaats vindt, namelijk door Gods Woord. Niet voor niets noemt Gods Woord dat het zaad der wedergeboorte (1 Petr. 1:23).27)
De wedergeboorte in engere zin gebeurt in één enkel, ondeelbaar ogenblik, in een punt des tijds. Ze maakt de uitverkoren maar verdoemelijke zondaar direct van dood levend, van een kind des toorns een erfgenaam van het eeuwige leven, van een kind van de duivel een kind van God. Uit deze wedergeboorte in engere zin vloeit dan de wedergeboorte in ruimere zin voort. Dit is de (dagelijkse) bekering, voortspruitende uit het geloof.28)
4. de geloofsinplanting
In ons didactisch model werd duidelijk dat de wedergeboorte in engere zin, de levendmakende daad Gods, aan het geloof vooraf gaat. In zijn dogmatiek citeert ds. G.H. Kersten hoofdstuk III en IV, art. 12 van de Dordtse Leerregels, en stelt dan dat daar onder andere wordt geleerd dat de wedergeboorte het geloof verwekt.29)
Door de inplanting van het geloof is het dat de vereniging met Christus tot stand komt.30) In zijn dogmatiek stelt ds. Kersten dat Christus de uitverkoren zondaar wordt toegeëigend als deze uit zijn doodsstaat wordt opgewekt en door God wordt bekleed met Zijn gerechtigheid als het geloof in haar wordt gewerkt. Het gevolg van deze werking is dat de zondaar in Christus rechtvaardig wordt gesteld voor God.31)
We merkten onder de toerekening van Christus’ gerechtigheid echter reeds op dat het geloof in dit alles geheel lijdelijk is. Door het in de wedergeboorte ingeplante geloof wordt Christus ontvangen. Dat is niet hetzelfde als aangenomen. Het ontvangen van Christus gaat aan het aannemen van Christus vooraf:
het (geloof, HvR) is in de rechtvaardigmaking lijdelijk om na het ontvangen van Christus werkzaam te worden in het aannemen van Hem. (...) Maar Christus gegeven zijnde, wordt het geloof werkzaam, Hem aannemende en zich in Hem verheugende met een geestelijke blijdschap. (Onder ‘de rechtvaardigmaking’ verstaat ds. G.H. Kersten hier de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof, HvR.)32)
Het is in de dadelijke rechtvaardigmaking dus niet zo dat de uitverkoren zondaar Christus aanneemt c.q. omhelst als Zijn Borg en Middelaar. Wel wordt Christus dan aan de uitverkorene toegeëigend maar het is niet zo dat deze zich vervolgens Christus toeëigent. In de gelovige aanneming zijn er namelijk trappen.33) De toepassing is van Gods zijde en de aanneming van de zijde van Gods volk. In dit laatste zijn ze afhankelijk van de bediening van Gods Geest.34) Het is één ding om dadelijk gerechtvaardigd te zijn in de wedergeboorte, maar het is iets anders om gerechtvaardigd te worden door in het bewustzijn van je ziel de vrijspraak van de Vader in Christus te ontvangen, in de verzegelende kracht van de Heilige Geest.35) Hoort u het? U kunt in de wedergeboorte dadelijke gerechtvaardigd zijn, maar daarmee heeft u nog geen persoonlijke heilszekerheid. Dan is er iets anders nodig. Dan is het nodig om in het bewustzijn van je ziel vrijgesproken te worden. De vrijspraak in de dadelijke rechtvaardigmaking vond dus niet plaats in het bewustzijn van de uitverkoren ziel, vond dus buiten uw bewustzijn plaats.
Deze visie op het verkrijgen van persoonlijke heilszekerheid staat in onlosmakelijk verband met het geloofsbegrip dat men binnen de rechterflank hanteert. Om met ds. Kersten te spreken:
Tot recht begrip der zaak is het noodig de plante des geloofs van zijn werkingen of oefeningen, m.a.w. de habitus van den actus des geloofs te onderscheiden. Door dit niet te doen zijn vele heillooze twisten ontstaan, met name over de vraag, of hongeren en dorsten naar de gerechtigheid als geloof te beschouwen is, dan wel of alleen de verzadiging van den hongerige als het ware geloof is aan te merken.36)
Het geloof, dat de Heilige Geest in de wedergeboorte inplant in het hart van de zondaar, moet opgevat worden als geloofsvermogen (potentia fidei). Men spreekt in deze over de hebbelijkheid van het geloof (habitus fidei). Dit geloof wordt onderscheiden van de dadelijkheid van het geloof (actus fidei). Omdat dit onderscheid de spil vormt van deze studie, is het van groot belang hier deze begrippen duidelijk uiteen te zetten.
geloofshebbelijkheid en geloofsdadelijkheid: geloof en geloven
Wat de hebbelijkheid van het geloof betreft, kunnen we het vaak gebruikte beeld gebruiken van een zaadje, bijvoorbeeld een beukennootje. Dat beukennootje is nog niet de beuk zelf. Toch bevat dit zaadje al alle vermogens, alle wezenlijke eigenschappen die ten grondslag liggen aan het verschijnsel beukenboom. Het beukennootje heeft alle vermogens in zich om een beukenboom te worden. Populair gezegd bevat het daartoe alle noodzakelijke ingrediënten: blad, stam, vrucht, et cetera.
Welnu, zo is het ook met het geloof. Dit wordt door de Heilige Geest in de wedergeboorte ingeplant in het hart van de zondaar. Dit ingestorte ‘geloofszaad’ bevat alle wezenlijke eigenschappen of vermogens die het geloof in haar dadelijke werkzaamheid karakteriseren. Anders gezegd: de ingestorte geloofshebbelijkheid bevat alle vermogens in zich om tot de geloofsdadelijkheid te komen. Om me opnieuw populair uit te drukken: de geloofshebbelijkheid bevat daarvoor alle noodzakelijke ingrediënten, namelijk kennis, toestemming en vertrouwen.37) Deze drie bestanddelen vormen samen het geloof van waaruit het geloven ontkiemt. Zoals de beukenboom groeit uit het beukenootje, zo groeit ook het geloofsleven uit de geloofshebbelijkheid.
Hieruit volgt dat er verschil bestaat tussen het geloof en het geloven c.q. geloofsleven. Opnieuw kan het voorbeeld van de beukennoot tot verduidelijking dienen. Het beukennootje in de grond onttrekt zich aan onze waarneming. We zien alleen de boom. We herkennen die boom als beukenboom omdat hij eigenschappen heeft die kenmerkend zijn voor de beukenboom (blad, vorm, vrucht, etc.), ongeacht de leeftijd, dikte en grootte. Nu, uit het feit dat we een beukenboom zien, kunnen we eenvoudigweg constateren dat er op de plaats van die boom eerst een beukennootje in de grond zat. Hoewel de beukenboom nu ontstaan is uit het beukennootje zeggen we toch niet dat deze boom hetzelfde is als het beukennootje. Nee, er is een wezenlijk verschil tussen beukennootje en beukenboom. Zo kan er een beukennootje zijn zonder beukenboom, maar niet omgekeerd. Bovendien kunnen beukenbomen onderling sterk van elkaar verschillen - hoewel je ze toch allemaal als zodanig herkent - maar beukennoten zijn allemaal eender.
Zo is er ook een wezenlijk verschil tussen het geloof en het geloofsleven, tussen geloofshebbelijkheid en geloofsdadelijkheid. De geloofshebbelijkheid onttrekt zich aan onze waarneming. Alleen de geloofsdaden zijn waarneembaar. Die geloofsdaden zijn echter kenmerkend voor het geloof. De wezenlijke bestanddelen van de geloofshebbelijkheid komen tot uiting in het geloofsleven. In het geloofsleven tref je steeds weer, ondanks alle verscheidenheid die er zijn mag, deze bestanddelen aan.
De bestanddelen van het geloof noemde ik reeds: kennis, toestemming en vertrouwen. Samen vormen deze het geloof. We kunnen ze dus wel onderscheiden maar niet scheiden.
Hieruit volgt dat de geloofsdaden altijd gekenmerkt worden door kennis, toestemming en vertrouwen. Zoals een tulpenbol nooit een narcis voort kan brengen, zo kan het geloof zich nooit uiten in daden die niet door die bestanddelen gekenmerkt worden. Zoals het geloof dus bestaat in kennis, toestemming en vertrouwen, zo bestaan dus ook de geloofsdaden hierin. Zo de vrucht is zo de boom!
In het kort bespreken we nu de drie verschillende bestanddelen van het geloof.
1. de kennis van het geloof
Daarmee bedoelt men niet een historiële, puur verstandelijke kennis. Geloofskennis krijg je alleen door de Heilige Geest wanneer deze het verstand verlicht. De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen de dingen die des Geestes Gods zijn [1 Cor. 2:14]. Het gaat hier om zaligmakende38), rechtvaardigende39), het eeuwig leven gevende40) en zekere kennis.41) God de Heilige Geest schenkt Zijn kinderen kennis van God en van Christus. Hierdoor wordt in beginsel het beeld Gods weer in hun hart hersteld. Immers, de mens was in de staat der rechtheid onder andere begiftigd met ware kennis!
2. de toestemming van het geloof
De geloofskennis is onafscheidelijk verbonden aan de toestemming. Als de Heilige Geest het verstand gaat openen, verlichten in de waarheid van Gods Woord, dan gebeurt dat met zo’n onweerstaanbare en overredende kracht, dat de gelovige zondaar daar als het ware amen op moet zeggen. Dit noemt men dan de toestemming van het geloof. Deze toestemming wordt ook genoemd een verzegelen dat God waarachtig is [Joh. 3:33]. Alles wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, gaat Gods kind toestemmen. Van harte leert hij instemmen met de eis en vloek van Gods heilige wet. Van harte leert hij ook instemmen met de door God uitgedachte en uitgewerkte weg ter zaligheid, door het bloed van Jezus Christus.
3. Het geloofsvertrouwen
Het betreft hier het geloof dat de Heidelberger Catechismus in zondag zeven, vraag en antwoord 21, omschrijft als een vast vertrouwen dat niet alleen aan anderen maar ook aan mij vergeving van al mijn zonden en bovendien eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit pure genade, alleen om de verdiensten van de Heere Jezus wille. Ds. G.H. Kersten tekent hierbij aan in zijn Gereformeerde dogmatiek: “Bij deze beschrijving, die ook in het Formulier van het Heilig Avondmaal gegeven wordt, dient wel te worden bedacht, dat zij van het wezen des geloofs gegeven wordt. Wie deze kennis en dit vertrouwen geheel (cursivering van mij, HvR) mist, is vreemdeling van het oprecht geloof.
In het bijzonder tegen Rome, dat zegt, dat niemand van zijn zaligheid verzekerd kan zijn, en dat de twijfel altijd overblijft, hielden de Hervormers vol, dat het geloof in zijn wezen den twijfel uitsluit en naar zijn aard een zeker vertrouwen is. Zoomin in het licht zelf duisternis is, zoomin is twijfel in het geloof.”42)
Van groot belang is hierbij dat ds. Kersten onder het ‘wezen’ van het geloof niet de geloofsdadelijkheid verstaat maar de geloofshebbelijkheid. Als de Hervormers zo krachtig en helder poneerden dat het geloof naar zijn aard een zeker vertrouwen is, dan hadden ze daarmee niet het oog op de geloofsdadelijkheid (lees: geloofsoefeningen of geloofspraktijk) maar op de geloofshebbelijkheid. Althans, zo interpreteert ds. G.H. Kersten dit.
de geloofsdadelijkheid
In de oefening van het geloof kunnen Gods kinderen de kracht van dit vertrouwen echter missen, vervolgt hij dan even later. Onder “de oefening van het geloof” moet u hierbij denken aan de praktijk van het geloofsleven. Het geloof blijft namelijk niet verborgen maar uit zich in daden: verwachten, vertrouwen, hopen, uitzien, zuchten, aanhouden in het gebed, enzovoort. We noemen dit geloofsdaden of geloofsoefeningen.
Volgens ds. G.H. Kersten kan een kind van God dus het geloof oefenen zonder het levende, krachtige vertrouwen dat eigen is aan het geloof. Een gelovige kan dit levende vertrouwen zelfs geheel, structureel missen.43)
Aan de andere kant, in elk van deze geloofsoefeningen zit vertrouwen. Dit kan bestaan:
“in bedekking van de zonde; in de opening van het Evangelie; in het smaken van de liefde en van den vrede Gods...” 44)
In theorie, namelijk in haar wezen, is het geloof dus een vast en zeker vertrouwen. In de praktijk van het geloofsleven, in de geloofsoefeningen, kan Gods kind de kracht van het geloofsvertrouwen missen, hoewel anderzijds zelfs de kleinste in het geloof in elke geloofsoefening een zekere mate van vertrouwen ervaart.
Dit moet ds. Kersten hier ook wel stellen, want in het voorgaande merkten wij al op dat de geloofsdaden niets anders zijn dan een openbaring van het geloof. Omdat dit bestaat uit kennis, toestemming en vertrouwen, moet ook elke geloofsdaad hierdoor gekenmerkt worden.
Wel kan het geloof in haar openbaring heel zwak en heel klein zijn, volgens ds. Kersten. Als het gaat over het gelovig bewustzijn van de wedergeborene dan meent hij met Comrie te kunnen spreken van een embryo, al gebruikt ds. Kersten deze term liever niet.45) Hier treedt dus een groot verschil aan de dag tussen het wezen van het geloof en tussen de openbaring van het geloof, tussen geloofshebbelijkheid en geloofsdadelijkheid. Aan het wezen van het geloof mankeert niets. Dat is voor 100% goed. De bestanddelen van het geloof zijn dus volmaakt. Vandaar dat aan de ene kant gezegd kan worden dat in het geloof geen twijfel is en een (volledig) zeker vertrouwen is, terwijl aan de andere kant gezegd kan worden dat Gods kind - de gelovige! - in de praktijk het levende vertrouwen kan missen. Dit heeft dus hiermee te maken, dat het geloof naar haar wezen volmaakt is, maar in haar openbaring of uiting niet. Ik denk maar weer aan het beukennootje. Uit het feit dat ik slechts een iel, armetierig beukenboompje in mijn tuin heb staan, mag ik niet afleiden dat het zaad niet goed is.
Wat ds. Kersten dus duidelijk wil maken, is dat het in eerste en voornaamste instantie aankomt op het wezen van het geloof. Dat is letterlijk en figuurlijk de wortel van de zaak. Om anderzijds niet te vervallen in de leer van veronderstelde wedergeboorte stelt hij echter ook dat wie deze kennis en dit vertrouwen (de openbaringsvorm van het geloof) geheel mist, vreemdeling is van het oprecht geloof.
geloofshebbelijkheid en dadelijkheid: conclusie
Het komt er op neer dat we het geloof (de hebbelijkheid) moeten onderscheiden van het geloven (de dadelijkheid). Men gebruikt in dit verband vaak het voorbeeld van het oog. Het oog is een orgaan waarmee je kan zien. Als het echter donker is, zie je niks. Betekent dat dan dat je geen ogen meer hebt?
De tweede les uit dit voorbeeld is dat je het zien niet kan ‘beoefenen’ als je geen ogen hebt. De daad van het zien veronderstelt het vermogen om te kunnen zien. Welnu, zo zijn in de wedergeboorte, in de geloofshebbelijkheid, alle vermogens uitgestort om de geloofsdaden te kunnen beoefenen. Zo moeten we, en ik citeer weer ds. G.H. Kersten, de genade van het geloof onderscheiden van de werkzaamheid of werkingen van het geloof. De genade van het ingeplante geloof, de habitus fidei, blijft, maar de werkzaamheid van het geloof is lang niet altijd krachtig.
In de praktijk komt het er daarom volgens ds. Kersten op neer dat het vertrouwen en de verzekering wel tot het wezen van het geloof behoren, maar dat slechts weinig gelovigen komen tot de welbewuste bevestiging van hun aandeel aan Christus, kortom tot het levendige en krachtige geloofsvertrouwen46) Het zwaartepunt ligt daarom niet bij de lijdelijke maar bij de dadelijke rechtvaardigmaking.
De lijdelijke rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie
De volkomen toerekening van Christus door God - die zoals gezegd plaats heeft in de wedergeboorte - wordt “niet door alle levendgemaakten met dezelfde vrijmoedigheid en kracht aangenomen”.47) In de gelovige aanneming, die volgt op de toerekening van Christus gerechtigheid, zijn trappen. De toepassing is van Gods zijde en ligt vast. De aanneming is van de zijde van Gods levendgemaakte kinderen. Hierin zijn ze afhankelijk van de bediening van de Heilige Geest. Zeer veel van Gods kinderen komen nooit tot de bewuste zekerheid van hun aandeel in Christus. Dit heeft te maken met de zojuist genoemde trappen in de aanneming of toeëigening. Menig kind van God verkeert als gevolg van de indrukken van Gods onkreukbare gerechtigheid, de verberging van Christus, de eis van de wet, etc. vele jaren, soms zelfs hun hele leven, in de vrees dat hun schuld nog niet voldaan is, dat ze voor God niet kunnen verschijnen.48)
Het is wel zo dat naar mate de oefening van het geloof sterker wordt, het vertrouwen vermeerdert “en het is de aard van het nieuwe leven naar de volle verzekerdheid van het geloof te staan.”49)
In de praktijk is het echter maar een enkeling die komt tot de welbewuste verzekering. Dat gebeurt in de weg van de lijdelijke rechtvaardigmaking in de vierschaar van de consciëntie, ook wel de bewuste rechtvaardigmaking genoemd. God gaat de wedergeboren zondaar dan voor Zijn rechterstoel dagen. Hij gaat hem door de Heilige Geest overtuigen van zijn doemwaardigheid. Alle hoop, ook alle vroegere bevindingen en genietingen, worden hem ontnomen. Hij houdt niets meer over. Als een totaal verlorene gaat hij Gods recht erkennen. Hij leert door Gods Geest om zijn hoofd onvoorwaardelijk neer te leggen op het blok. God zou recht doen als Hij hem voor eeuwig zou verdoemen. “Niet beladen met den rijkdom zijner bevindingen, of omhangen met de vele beloften Gods, hem geschonken, maar verklaagd om al zijn erf- en dadelijke zonden, wordt hij in de vierschaar van Gods recht gesteld en op grond van Christus’ gerechtigheid door den Vader voor eeuwig vrijgesproken; van welke vrijspraak de Heilige Geest hem verzekert.”50) In deze weg (lees: bevindelijke gang) ervaart hij heel bewust dat God hem niet rechtvaardigt als een gelovige, maar als een verdoemelijk zondaar. Maar nogmaals, dit beleven slechts weinigen van Gods kinderen.
Daarom stelt men ook dat de zaligheid geenszins aan de bewuste verzekering van het geloof, aan de bewuste rechtvaardigmaking hangt. Elke levendgemaakte zondaar kreeg namelijk in de wedergeboorte, door het ingeplante geloof, gemeenschap aan Christus. En dat is onverliesbaar, hoe zwak de geloofswerkingen ook mogen zijn.51)
Wie dit nu ontkent, en in de wedergeboorte zowel de Goddelijke toerekening legt als de bewuste toeëigening van en door het geloof, loochent de standen in het genadeleven en acht Gods ware volk òf als minwaardige zuchters en klagers, òf hij probeert hen de rust te laten zoeken buiten de bewuste rechtvaardigmaking. In het laatste geval staat zo iemand de levende werkzaamheid van het geloof in het hongeren en dorsten naar Christus tegen.52)
De rechtvaardigmaking bij de wederkomst van Christus
Dit spreekt waarschijnlijk voor zich. Bij Christus wederkomst zullen de goddelozen veroordeeld worden. Gods kinderen daarentegen worden dan rechtvaardig gesteld voor God en beërven het koninkrijk. De rechtvaardigmaking vindt hier als het ware haar voltooiing.
Over de wijze waarop deze rechtvaardigmaking geschiedt, wordt niet door alle gereformeerde theologen hetzelfde gedacht. Sommigen stellen het zo voor als zouden Gods kinderen opnieuw hun schuld inleven. Alle zonden worden hen dan weer ordentelijk voor ogen gesteld. Vervolgens wordt elk van hen dan in het openbaar vrijgesproken of gerechtvaardigd. Hoe men dit meent te kunnen rijmen met Gods Woord is mij een raadsel. Van de gelovigen lezen we in Gods Woord alleen dat hun goede werken in het oordeel komen (Openb. 14:13). Deze worden uit genade beloond.
De rechtvaardigmaking bij Christus’ wederkomst is over het algemeen echter nooit een twistpunt geweest. Mijns inziens is de doorwerking van dit leerstuk in prediking en pastoraat nihil te noemen. We laten dit aspect daarom verder onbesproken in deze studie.
Voetnoten
1) Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, 181.
2) Ibid., 171.
3) Zie Jes. 53:11 en 1 Cor. 6:11.
4) Heid. Cat., zo. 4, vr. en antw. 11.
5) Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, 185.
6) Ds. G.H. Kersten was daarvan ook op de hoogte. Zie hiervoor De gereformeerde dogmatiek, deel II, 181. Hij gaat hierin echter alleen in op de argumenten van Jacob Groenewegen.
7) Vgl. H. Florijn, De ledeboerianen, 116.
8) Zie kanttek. nr. 77.
9) Zie kanttek. nr. 78.
10) Zie kanttek. nr. 79.
11) Zie kanttek. nr. 81.
12) Zie kanttek. nr. 82.
13) Comm. Romeinen, 8:28, 176.
14) Comm. Romeinen, 8:29, 176-177.
15) Comm. Romeinen, 8:30, 177, 178.
16) Ibid.
17) Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, 186. De cursiveringen in de geciteerde gedeelten zijn van mij.
18) A. Comrie, Brief over de rechtvaardigmaking, 92-100.
19) Leest u hier bijvoorbeeld ook eens over in de Acta van de Nationale Synode te Dordrecht (1618-1619).
20) Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, 187.
21) Ibid., 195
22) Ibid., 190
23) Ibid.
24) Ibid., 190, 191
25) Ibid., 191
26) Ibid., 85
27) Ibid., 80
28) Ibid., 84
29) Ibid., 83
30) Ibid., 150
31) Ibid., 191
32) Ibid.
33) Ibid.
34) Ibid., 192
35) Ibid.
36) Ibid., 150. Op genoemde twisten komen we terug in het historische deel van deze studie. Zie ook Ibid., 164.
37) Ibid., 158.
38) Ps. 89:16: Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent. Jes. 119: Want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heeren, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken.
39) Jes. 53:11: Door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken. Jer. 31:34: En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE...
40) Joh. 17:3: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen en waarachtigen God en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.
41) Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, 161.
42) Ibid., 161.
43) Ibid., o.m. 88, 192
44) Ibid., 162.
45) Ibid., 88
46) Ibid., 164.
47) Ibid., 191.
48) Ibid., 191.
49) Ibid., 162.
50) Ibid., 192, 193.
51) Ibid., 163
52) Ibid.
- 3 -
Theologische motieven
Waarom al die
onderscheidingen als gesproken wordt
over de rechtvaardigmaking?
Inleiding
In het vorige hoofdstuk lichtte ik elke trap van de rechtvaardigmaking toe vanuit de dogmatiek van de rechterflank. Hierdoor werd duidelijk welke visie men binnen de rechterflank heeft op de rechtvaardigmaking.
Om straks een goed beeld te kunnen krijgen van de aard van prediking en pastoraat binnen de rechterflank is het echter nodig om na te gaan welke theologische motieven ten grondslag liggen aan ‘de vijfdeling’. Waarom onderscheidt men de rechtvaardigmaking in vijf trappen?
We kunnen pas een helder beeld krijgen betrekking tot de aard van prediking en pastoraat in de rechterflank als we op deze vragen een antwoord hebben. Dit hoofdstuk functioneert dus als onmisbare schakel tussen hoofdstuk twee en vier. Alleen de rechtvaardigmaking op de wolken des hemels blijft hier buiten beschouwing.
Eerst voor en dan pas door...
Hierboven werd al duidelijk dat men veel waarde hecht aan de rechtvaardigmaking voor het geloof. Dat heeft natuurlijk een reden.
De voornaamste reden moeten we zoeken in een tweetal voluit Bijbelse gegevens. Aan de ene kant leert de Schrift ons dat een mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, terwijl ze anderzijds leert dat niet een gelovige maar een zondaar, dus een ongelovige, gerechtvaardigd wordt. Christus stierf voor ons toen wij nog zondaren waren, schreef Paulus eenmaal aan de Romeinen.1)
In de geschiedenis van Gods kerk gaven deze Bijbelse gegevens aanleiding tot moeilijkheden. Er waren mensen die alle nadruk legden op het eerste gegeven en er zogezegd op hamerden dat wij moeten geloven eer wij gerechtvaardigd worden. Let wel, dit is op zichzelf beschouwd volstrekt niet verkeerd in de zin van onschriftuurlijk. Van de apostel Paulus lezen we tot driemaal toe dat hij de mensen bewoog tot het geloof:
- Hand. 18:4: “En hij handelde op elke sabbat in de synagoge, en bewoog [tot het geloof] Joden en Grieken.”
- Hand. 28:23: “En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in [zijn] woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe.”
- 2 Kor. 5:11: “Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw geweten geopenbaard te zijn.”
Het is dus in de lijn van Gods Woord om aan te dringen op geloof. De mensen waar ik het zojuist echter over had, gingen daarbij echter uit van de gedachte dat een mens kàn geloven. De mens zou een vrije wil hebben en op grond daarvan tot geloof kunnen komen. Men legde de rechtvaardiging eigenlijk in de daad van het geloven. De rechtvaardigmaking is dus geen vrucht van toerekening maar van geloof!2) Daarmee ondermijnden zij het tweede Bijbelse gegeven dat ik hierboven noemde, namelijk dat niet een gelovige maar een zondaar, een geheel goddeloze gerechtvaardigd wordt. Immers, als rechtvaardigmaking en geloof samenvallen, dan is het geloof niet meer de instrumentele maar verdienende oorzaak van onze zaligheid. Mag ik het heel simpel stellen: geloof is dan iets wat ik moet opbrengen! Geloof is daarmee een werk van de mens.
Onze vaderen reageerden hierop - onder andere op de Dordtse Synode - door de nadruk te leggen op het feit dat een goddeloze en niet een gelovige gerechtvaardigd wordt. Dit bewezen zij onder andere door te bewijzen dat een zondaar ten diepste gerechtvaardigd wordt vóór hij gelooft. In de rechtvaardigmaking rekent God de Vader namelijk Christus’ gerechtigheid toe aan de uitverkoren zondaar. Hierdoor wordt deze vrijgesproken van schuld en straf en ontvangt hij een recht tot het eeuwige leven. De toerekening gaat aan het geloof vooraf. Deze toerekening nu is in zekere zin dus al de rechtvaardigmaking, “hoewel alleen door het geloof de in Christus verloste Diens gerechtigheid toegeëigend en dadelijk gerechtvaardigd wordt.”3) Voetius schrijft in dit verband:
“De rechtvaardigmaking gaat vóór ons geloof en roeping, voor zoveel zij beteekent de vaststelling zelve van het Goddelijke vonnis en alzoo van het nieuwe verbond; de belofte en uitspraak daarvan, van de zijde Gods, dewijl zij (die gerechtvaardigd worden) aan Christus gegeven zijn, eer zij geloofden; nochtans volgt dezelve mede op de roeping en het geloof, voor zoveel zij beteekent de inboezeming, bekendmaking, openbaring van dat vonnis in de harten der verlosten.”4)
Voor er dus sprake is van enig ‘werk’ van de uitverkoren zondaar grijpt God in. Hij rekent hem al Christus’ verdiensten toe. Op dat moment delgt God dan ook al zijn zonden uit. In dit opzicht gaat de rechtvaardigmaking dus aan het geloof vooraf. Aan de andere kant volgt zij er echter op omdat het geloof deze geschonken gerechtigheid aanneemt. Dan wordt de zondaar “dadelijk gerechtvaardigd”.5)
Tegen al die mensen die de rechtvaardigmaking eigenlijk af lieten hangen van het geloof - en daarmee van het evangelie weer een nieuwe wet maakten6) - ageerden onze vaderen dus door de nadruk te laten vallen op de rechtvaardiging van de goddeloze. De nadruk komt daarmee te liggen op het werk van God en Hij alleen in de rechtvaardigmaking. Dit bleek noodzakelijk te zijn om het remonstrantisme het hoofd te kunnen bieden. Het geloof is slechts de instrumentele en niet de werkende oorzaak van onze zaligheid. Het is de hand die Christus’ (toegerekende) gerechtigheid ontvangt. Christus bracht een volkomen gerechtigheid aan. Deze “vreemde” gerechtigheid rekent God de Vader toe, niet aan een gelovige, maar aan één die van elke gerechtigheid ontbloot is, aan één die in zichzelf niets heeft dan schuld en ellende. Deze toerekening nu is al de rechtvaardigmaking. Maar dan wel de rechtvaardigmaking van Gods kant. De goddeloze ontvangt nu deze geschonken gerechtigheid van God. Deze kan hij alleen maar ontvangen door het geloof. Vandaar dus dat men het geloof de hand noemt waarmee de zondaar Gods gerechtigheid aangrijpt. Hier is het geloof niet verdienend maar slechts ontvangend. Het neemt aan wat het al gekregen hééft.
Met het bovenstaande heb ik tegelijkertijd de titel van deze paragraaf verklaard... Ook is nu hopelijk duidelijk geworden waarom men binnen de rechterflank zo’n waarde hecht aan de rechtvaardigmaking voor het geloof. Het benadrukken hiervan moet oorspronkelijk gezien worden als een reactie op mensen die op zo’n manier de rechtvaardigmaking door het geloof beklemtonen dat daardoor nauwelijks of geen aandacht meer is voor het eveneens Bijbelse gegeven dat het de goddeloze is die gerechtvaardigd wordt in plaats van de gelovige.
Hier hebben we dus hèt theologische motief achter de rechtvaardigmaking voor het geloof We houden echter nog even de historische lijn vast. Waren de ‘vrije-wil-drijvers’ - laten we ze voortaan maar arminianen noemen - aanvankelijk nog een minderheid in de kerk, in de loop der geschiedenis werd de gereformeerde kerk in Nederland steeds meer ‘uitgehold’ en bedreigd door tal van dwalingen. Deze kwamen in de grond der zaak allemaal hierop neer dat men afkerig was van het leerstuk van de geestelijke doodsstaat van de mens. Men dacht positiever over de mens. Ik denk in dit verband onder andere aan het zgn. verlichtingsdenken of Rationalisme (18e eeuw).
Het werden nu de gereformeerden die steeds meer in de minderheid kwamen. In de kerk was steeds minder plaats voor hen. Ja, en in zo’n situatie was het te verwachten dat zij zich op hun beurt steeds feller gingen afzetten tegen de wantoestanden in leer en leven.7) De zgn. wet van de reactie - elke reactie leidt tot een (vaak nog heviger) reactie - trad in werking. De leer van ‘s mensen totale doodsstaat werd dan ook steeds krachtiger door hen benadrukt en in samenhang daarmee kreeg ook Gods volstrekte soevereiniteit in de bekering een nadrukkelijker positie in de prediking. Het ‘God alles, de mens niets’, kreeg in de prediking een meer expliciete plaats. Het preken vanuit de uitverkiezing was hiervan een logisch, zelfs noodzakelijk gevolg. Onder andere de theologie van de ledeboerianen laat dit duidelijk zien.8)
Het met nadruk beklemtonen van het eenzijdige werk Gods in ‘s mensen bekering kan dus niet los gezien worden van historische lijnen in de kerkgeschiedenis. Hierdoor meende men zich duidelijk te kunnen onderscheiden van de ‘lichten’. Over het algemeen stond men daarom ook wantrouwend tegen gereformeerden die een algemeen of welmenend aanbod van genade leerden. Dit moet dus eveneens verklaard worden vanuit het hierboven genoemde ‘reactiemodel’.
Het bovenstaande maakt duidelijk dat:
1. het accentueren van bepaalde dogmatische leringen zelden losgezien kan worden van een historische context;
2. het accentueren van bepaalde dogmatische leringen voort kan komen uit de behoefte zich af te zetten tegen bepaalde verschijnselen of ontwikkelingen, èn dat
3. het accentueren van bepaalde dogmatische leringen daardoor bij kan dragen aan het bepalen van de theologische identiteit van een kerkelijke groepering.
Bij het onder punt twee en drie genoemde gaat het duidelijk om theologische motieven. Deze motieven nu zitten wat de rechterflank betreft ook achter het leerstuk van de rechtvaardigmaking voor het geloof. Bij elk motief daarom een korte toelichting.
de rechtvaardigmaking voor het geloof als reactie op...
Dat dit leerstuk diende om te reageren op bepaalde theologische ontwikkelingen toonde ik hiervoor al aan. Immers, door het benadrukken van de rechtvaardigmaking voor het geloof kon men bewijzen dat een goddeloze in plaats van een gelovige gerechtvaardigd wordt. Men snoerde daarmee de ‘vrije-wil-drijvers’ de mond.
Deze functie heeft het leerstuk van de rechtvaardigmaking voor het geloof ook binnen de rechterflank nog. Toch is er sprake van een niet onbelangrijk verschil. Oorspronkelijk voerde men dit leerstuk namelijk aan in de discussies met de dwaalleraren. Het leerstuk functioneerde dus vooral in een concrete wisselwerkingssituatie. Binnen de rechterflank is dit niet of nauwelijks meer het geval. Dat behoeft ons niet te verwonderen. De oorspronkelijke Gereformeerde Kerk bezat in de zeventiende eeuw een dominerende plaats in het Nederlandse volksleven. Vandaag de dag zijn de gereformeerden een haast te verwaarlozen minderheid in de samenleving. De rechterflank verkeert in een isolementspositie. Het leerstuk van de rechtvaardigmaking voor het geloof functioneert nu hoofdzakelijk binnen de eigen kerkelijke gemeenten. Van een levende wisselwerking met hen die de gereformeerde religie níet zijn toegedaan is geen sprake. Wat dat betreft moeten we eigenlijk spreken van functieverlies. Het ‘reactiemotief’ is echter nog wel degelijk aanwezig. Via de eigen kerkelijke gemeente richt men zich dan tegen de helaas afwezige ‘dwalenden’. Hoe vaak horen we een dominee uit de rechterflank bijvoorbeeld niet van leer trekken tegen het “jubelend” of “juichend christendom”! Hieronder verstaat men mensen die er bij anderen op aandringen om Jezus aan te nemen, daarbij geen oog hebbend voor de radicaliteit van de zondeval. Tegenover hen benadrukt de rechterflank dan het eenzijdige Godswerk in de bekering. De leer van de rechtvaardigmaking voor het geloof leent zich hier uitstekend voor.9)
de rechtvaardigmaking voor het geloof als identiteitsbepalend leerstuk
Het benadrukken van het genoemde eenzijdige karakter van Gods genadewerk is een zeer belangrijk aspect binnen de rechterflank. Dit heeft weer te maken met de hierboven weergegeven historische schets van ‘de gereformeerden’ en is dus niet los te zien van het reageren op een bepaalde theologische ontwikkeling die als bedreigend ervaren wordt. Zoals al gezegd in het stukje hiervoor, zet men zich binnen de rechterflank echter vooral binnen de eigen kerkelijke gemeenten af tegen deze afwijkingen in de leer. Als zodanig kunnen we daarom zeggen dat het op de voorgrond stellen van ‘het eenzijdige Godswerk’ ook dient om zich als kerkelijke groepering duidelijk te onderscheiden van hen die lichtvaardig denken over de bekering. Het dogma van de rechtvaardigmaking voor het geloof is zodoende een identiteitsbepalend leerstuk geworden. Een predikant die in zijn prediking geregeld slaat op het aambeeld van de rechtvaardigmaking, wordt doorgaans als zuiver beoordeeld. Een predikant die meer de verantwoordelijkheid van de mens benadrukt en een ruim aanbod van genade predikt, wordt snel verdacht van wat men verbondstheologie pleegt te noemen. Dit zien we bijvoorbeeld duidelijk in de Gereformeerde Gemeenten.10) Bepaalde predikanten worden weliswaar gedoogd maar toch niet zelden verdacht van onrechtzinnigheid.
Het theologiseren vanuit de dubbele praedestinatie en in samenhang hiermee ook vanuit de rechtvaardigmaking vóór het geloof is binnen de rechterflank dus een belangrijk kenmerk van zuiverheid of rechtzinnigheid. Dit bepaalt in hoge mate de identiteit van de rechterflank.
Duidelijk is nu waarom men binnen de rechterflank de rechtvaardigmaking onderscheidt in een rechtvaardigmaking voor het geloof en een rechtvaardigmaking door het geloof. De rechtvaardigmaking voor het geloof splitst men vervolgens weer in een rechtvaardigmaking van eeuwigheid in het besluit Gods en in een rechtvaardigmaking van eeuwigheid in de opstanding van Christus. De achtergrond hiervan werd helder in het vorige hoofdstuk. Beide trappen behandelde ik hier tegelijk omdat de theologische motieven die aan de rechtvaardigmaking voor het geloof ten grondslag liggen, zowel voor de rechtvaardigmaking van eeuwigheid in het besluit Gods geldt als voor de rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus.
Waarom tweeërlei rechtvaardigmaking door het geloof?
algemeen
Gods Woord leert ons dat de goddeloze door het geloof gerechtvaardigd wordt:
- Rom. 3:25: “Welken God voorgesteld heeft [tot] een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die tevoren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;”
- Rom. 3:28: “Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.”
- Rom. 3:30: “Nademaal Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof.”
- Rom. 4:5: “Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
- Rom. 5:1 en 2: “Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.”
Deze rechtvaardigmaking door of uit het geloof nu wordt binnen de rechterflank onderscheiden in een dadelijke en in een lijdelijke rechtvaardigmaking door het geloof. De dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof vindt plaats in de wedergeboorte en de lijdelijke rechtvaardigmaking door het geloof in de zogenoemde vierschaar der consciëntie, ook wel vierschaarervaring of bewuste rechtvaardigmaking genoemd. Wat hieronder verstaan wordt, besprak ik in hoofdstuk twee. Hier sta ik stil bij de vraag waarom men dit onderscheid aanbrengt. Welke theologische motieven zitten hierachter?
Ik vond twee hoofdmotieven. De eerste is dogmatisch, het tweede pastoraal van aard.
het dogmatische motief
De onderscheiding van de rechtvaardigmaking door het geloof in de twee hierboven genoemde trappen heeft alles te maken met de visie die men heeft op de relatie wedergeboorte en geloof. In het vorige hoofdstuk werd dit als het goed is al duidelijk. Hier hopen we nader in te gaan op deze visie.
Bij de behandeling van de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof vielen ons twee dingen op. In de eerste plaats zagen we dat de Heere de uitverkoren zondaar éérst Christus’ Borggerechtigheid toerekent en hem pas daarna tot Zijn genadeverbond roept door wedergeboorte en geloof. We kunnen dit nog eenvoudiger samenvatten: eerst toerekening, dan toepassing.
Door middel van dit onderscheid is men in staat om de visie van de zogenaamde neonomianen kan weerleggen.11) Deze stellen dat God eerst geloof van ons eist voor Hij Christus’ gerechtigheid kan toerekenen. Dit zou echter betekenen dat niet een zondaar maar een gelovige gerechtvaardigd wordt. Hier komt dus weer het sola gratia en daarmee ook de eenzijdigheid van Gods genadewerk in het geding. Doel van genoemde onderscheiding is dus het handhaven en onderstrepen van het eenzijdige Godswerk in de bekering. Dit motief kwamen we ook tegen bij de rechtvaardigmaking voor het geloof.
Toch hebben we hiermee niet de belangrijkste (dogmatische) reden voor de indeling dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking genoemd. Uit de in het vorige hoofdstuk gegeven omschrijving van de dadelijke rechtvaardigmaking bleek dat wedergeboorte en geloof zo goed als samenvallen. De wedergeboorte is het levendmakende werk van de Heilige Geest. De zondaar wordt van dood levend. Van een kind des doods wordt hij van het ene op het andere moment een erfgenaam van het eeuwige leven. Van onrechtvaardig in Gods ogen wordt hij rechtvaardig als gevolg van de toegerekende gerechtigheid van Christus. Ziedaar de inhoud en betekenis van de wedergeboorte.
Nu leert de Bijbel ons echter dat de dadelijke rechtvaardigmaking van de goddeloze ook door het geloof is. Zie bijvoorbeeld Romeinen 4:5, 2 Cor.5:17, etc. In Joh. 3:36 lezen we bovendien dat alleen hij die in de Zoon van God gelooft het eeuwige leven heeft. Voor wie niet in de Heere Jezus gelooft, “die den Zoon ongehoorzaam is”, geldt echter dat de toorn van God op hem blijft.
Dit betekent weer dat de wedergeboorte geen werkelijke levendmaking zou zijn als ze niet tegelijkertijd gepaard of vergezeld gaat met geloof. Vandaar dat men in de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof wedergeboorte en geloof zo goed als12) samen laat vallen. Dit in de wedergeboorte geschonken geloof verenigt met Christus.
Van een dadelijk kennen van Christus is dan echter nog geen sprake. Voor de wedergeborene kan Christus lange tijd een verborgen Persoon zijn. Daarmee komt men natuurlijk voor een moeilijkheid te staan. Kan wel van geloof gesproken worden als iemand Christus niet kent, als iemand geen dadelijke gemeenschap met de Heere Jezus oefent?
Wie hierop nee antwoordt, moet beseffen weer met een ander probleem geconfronteerd te worden. Een nieuw, levendgemaakt schepsel ben je volgens de Bijbel pas als je gelooft in de Heere Jezus. Als je in Hem bent. Wie nu gaat stellen dat iemand pas een gelovige is op het moment dat hij dadelijk gemeenschap met de Heere Jezus oefent, ontkomt er niet aan ook de wedergeboorte naar dit punt te verschuiven. Daarmee worden alle geestelijke werkzaamheden die hieraan vooraf gaan - droefheid naar God over de zonden bijvoorbeeld - werkzaamheden van een onwedergeborene, dus ... van een in geestelijk opzicht totaal dode zondaar. Kán zo iemand echter zulke vruchten voortbrengen? Dan is een mens kennelijk toch niet zo dood in de zonden en misdaden als de Bijbel leert! Waren het niet de pelagianen en remonstranten die spraken van “voorbereidende werkzaamheden”? U begrijpt dat het woord problematiek hier alleszins op z’n plaats is.
Binnen de rechterflank probeert men deze “problematiek” ‘op te lossen’ door middel van het in hoofdstuk twee besproken onderscheid tussen geloofshebbelijkheid en geloofsdadelijkheid, oftewel tussen geloofswezen en geloofsoefening. Haar volle ontplooiing vindt de rechtvaardigmaking dan in de lijdelijke rechtvaardigmaking door het geloof in de consciëntie.
Het oplossen van de hierboven geschetste problematiek - die zich afspeelde rond de verhouding wedergeboorte en geloof - mag daarom met recht hèt dogmatische motief worden genoemd achter de tweedeling binnen de rechtvaardigmaking door het geloof .13)
het pastorale motief
Het pastorale motief achter genoemde tweedeling hangt vooral samen met de visie op heilszekerheid.
In hoofdstuk twee schreef ik dat men binnen de rechterflank het geloofsvertrouwen wèl tot het wezen van het geloof rekent, maar dat in de praktijk van het geloofsleven het vaste vertrouwen des geloofs bij de meeste van Gods kinderen ontbreekt. Wel wordt in elke geloofsoefening iets van geloofsvertrouwen ervaren, maar dan geldt het ‘zo-genoten-zo-weer-toegesloten’. Slechts een enkeling van Gods kinderen komt tot de bewuste, bestendige zekerheid van zijn aandeel in Christus.
De visie binnen de rechterflank op de rechtvaardigmaking door het geloof sluit aan bij deze heersende praktijk. Door de tweedeling dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking is men namelijk in staat om enerzijds overeind te houden dat het vertrouwen tot het wezen van het geloof behoort en aan de andere kant dat het hebben van een bewuste geloofszekerheid wel wenselijk maar niet noodzakelijk is. Op die wijze is men in staat om de praktijk van het onverzekerde vertrouwen en het ongelovige geloof theologisch te funderen.
Het onderscheid tussen geloofswezen en geloofsoefeningen werkt hieraan in belangrijke mate mee. In het geloofszaad dat de Heilige Geest in het uur van de wedergeboorte uitstort in het hart van de zondaar liggen alle geloofsvermogens, te weten kennis, toestemmen en vertrouwen. Op dat moment ligt de zaligheid vast. Al zou zo iemand nooit zeker raken van zijn aandeel in Christus, krachtens dit door Gods Geest gewerkte geloof heeft zo iemand toch gemeenschap aan Christus. Deze is onverliesbaar, al zijn de geloofsdaden nog zo gering. Menig kind van God komt in dit leven niet verder dan een hongeren en dorsten naar Christus. Dat is iets anders dan het eten en drinken van Christus! In het laatste geval is er de zekerheid dat Christus de mijne is, maar bij het hongeren en dorsten ontbreekt deze zekerheid. Christus wordt niet genoten vanuit de wetenschap: voor mij. Toch is ook het hongeren en dorsten een geloofsoefening. En omdat het een geloofsoefening is, is er geloof en omdat er geloof is, ligt zijn zaligheid net zo vast als die van een bevestigd kind van God.
De pastorale consequenties hiervan zijn verstrekkend. Zo valt in prediking en pastoraat de klemtoon vooral op de wedergeboorte, dus op de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof. De aandacht voor de lijdelijke rechtvaardigmaking is minder - al zal dit per prediker verschillen - omdat dit ten diepste toch meer een extra is. Uiteindelijk komt het toch vooral aan op de vraag of je wedergeboren bent of niet, iets wat in hoofdstuk twee heel duidelijk werd.14) Omdat in de praktijk de meeste van Gods kinderen hoofdzakelijk verkeren in het diensthuis - in hun eigen waarneming althans - heeft men in prediking en pastoraat ook veel oog voor de eerste beginselen van geestelijk leven die uit de wedergeboorte voortvloeien. In de volgende paragraaf ga ik hier dieper op in.
Samenvattend kunnen we stellen dat één van de belangrijkste motieven achter de tweedeling van de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof van pastorale aard is. Dankzij deze tweedeling is men in prediking en pastoraat in staat om aan te sluiten bij de praktijk van het geloofsleven binnen de rechterflank, dat over het algemeen gekenmerkt wordt door geloofsonzekerheid. Door deze tweedeling kan men zelfs de meest twijfelende ziel nog opbeuren en bemoedigen, terwijl men deze anderzijds juist aan kan sporen om zijn roeping en verkiezing vast te maken, aan kan sporen om het niet te zoeken in de eerste beginselen maar om te staan naar bewuste geloofszekerheid.15)
In de visie op de rechtvaardigmaking door het geloof binnen de rechterflank is dus doelbewust een plaats ingeruimd voor twijfel en onzekerheid.16) Door het onderscheid tussen geloofshebbelijkheid en geloofsdadelijkheid heeft men de twijfel als het ware een theologisch fundament gegeven. Ook heeft men in de rechterflank de wijze waarop iemand tot bewuste geloofszekerheid komt, ‘theologisch-bevindelijk’ vastgelegd.
Voetnoten
1) Rom. 5:8.
2) A. Comrie, Brief over de rechtvaardigmaking, pag. 49.
3) Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, pag. 181.
4) Voetius, Disp. Tom. V, 610; gecit. bij Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, pag. 180.
5) Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, pag. 181: “hoewel alleen door het geloof de in Christus verloste Diens gerechtigheid toegeëigend en dadelijk gerechtvaardigd wordt.”
6) Daarbij kunnen we denken aan ‘stromingen’ binnen de kerkgeschiedenis als het pelagianisme, remonstrantisme, baxterianisme, neonomianisme of socinianisme. Kenmerk van al deze bewegingen was dat men eigenlijk weinig of niets moest hebben van het leerstuk van de rechtvaardiging van de goddeloze. Dit weer omdat men geen oog had voor het onvermogen van de mens tot enig geestelijk goeds.
7) Hierbij plaats ik dan wel gelijk deze kanttekening, dat dit ‘ageren tegen’ hoofdzakelijk in eigen pastorie plaatsvond. Dit is een opmerkelijk verschil met de situatie in de 17e eeuw. Toen immers schroomden onze vaderen niet om in het openbaar de degens te kruisen met dwaalleraren. Maar “het behoort tot de tragiek van de late achttiende eeuw, dat juist toen de Verlichting aan invloed won, het gereformeerd protestantisme weinig geestkracht vertoonde.” Zie drs. Jac. Kruidenier in Belijden en opvoeden, Hoofdstuk 2, pag. 50.
8) Zie voor de theologie van de ledeboerianen dr. H. Florijn, De ledeboerianen, Hoofdstuk 3 en 5.
9) Ik schreef onder andere, want dit leerstuk staat binnen de rechterflank weer in nauwe, onlosmakelijke samenhang met de leer van de verkiezing en verwerping van eeuwigheid.
10) Zie hiervoor ook J. Zwemer, In conflict met de cultuur, pag. 113.
11) Het neonomianisme wordt soms ook wel baxterianisme genoemd. De puriteinse Richard Baxter (1615-1691) was één van de belangrijkste vertegenwoordigers van deze stroming. Het neonomianisme kwam op in Engeland, al moeten we de wortels zoeken in het veel oudere pelagianisme. De aanhangers ervan legden de grond der rechtvaardiging in het geloof. Christus heeft volgens hen voor allen geleden en alle mensen verzoenbaar met God gemaakt. Onze wettelijke gerechtigheid is opgebracht door Christus. De wet van het werkverbond is door Hem vernietigd en afgeschaft. Als nieuwe wet geldt nu de wet der genade, het Evangelie. De mens wordt nu geroepen tot het volbrengen van deze nieuwe gehoorzaamheid: de mens moet in Christus geloven, berouw tonen en gehoorzamen. Menselijke medewerking, hoe minimaal soms ook, acht men noodzakelijk. Het Evangelie werd zo een nieuw, minder streng werkverbond, een nieuwe wet dus. Vandaar dat de aanhangers van deze leer de naam neonomianen kregen (neo=nieuw). In Engeland won deze leer spoedig veld. In Schotland niet. Daar handhaafde men de calvinistische leer. Langzaamaan, eind 17e, begin 18e eeuw, kwam deze dwaling ook hier echter op, soms in een heel ‘bevindelijk-gereformeerd’ jasje. Zie voor dit laatste Edward Fisher, Merg der tegenwoordige Godgeleerdheid. Fisher richt zich tegen de in die tijd in Schotland opkomende dwalingen, namelijk die van het neonomianisme en het anti-nomianisme. Met het oog daarop gaat hij in zijn boekje in op het juiste onderscheid tussen wet en evangelie, zowel in leerstellig als in ‘praktikaal-bevindelijk’ opzicht. Thomas Boston, die aanvankelijk preekte in nomistische geest, kwam door het lezen van dit boekje tot andere inzichten en zijn prediking veranderde. Hij voorzag het werkje van Fisher van uitgebreide aantekeningen, haast twee maal de omvang van het eigenlijke werk van Fisher zelf, en gaf het in 1700 uit. Dit was de aanleiding voor het uitbreken van de strijd tussen neonomianen en anti-neonomianen in Schotland. In 1720 veroordeelde de Synode der Schotse Kerk sommige stellingen van het boek als dwalingen. Twaalf predikanten namen het echter hiervoor op, te weten: James Hog, Thomas Boston, Ralph en Ebenezer Erskine, Gabriël Wilson, John Williamson, James Kid, James Warlaw, Henry Davidson, James Bathgate, William Hunten en John Bonar. Zij werden, naar de Engelse titel van het werk van Fisher, de “Marrow divines” of “Marrow men” genoemd, Wet en evangelie -twaalf vragen, enz., uit het Engels vertaald en uitgegeven door E. Kuyk in 1948. Het Merg der tegenwoordige Godgeleerdheid van Edward Fisher is later vertaald in het Nederlands. Comrie, en later ds. G.H. Kersten, hebben het werk van een inleiding voorzien en warm aanbevolen. Het neonomianisme is het tegenovergestelde van antinomianisme. Comrie heeft - en daarmee bewees hij zijn afkomst - tegen beide stromingen de pen gevoerd in zijn geschriften.
12) In hoofdstuk twee zagen we dat de wedergeboorte aan het geloof vooraf gaat. Ze werkt zelfs het geloof. De achterliggende gedachte van deze volgorde is duidelijk: iemand kan geen geloof hebben voor hij levendgemaakt is. De levendmakende daad Gods gaat dus vooraf aan het geloof. We moeten daarbij echter bedenken dat vrijspraak, toerekening, roeping, wedergeboorte en geloofsinstorting plaatsvinden in een punt des tijds. Vandaar dat we zonder meer mogen stellen dat wedergeboorte en geloof zo goed als samenvallen.
13) Zie voor deze problematiek o.m. het lezenswaardige artikel van ds. A. Moerkerken, “Geestelijk leven zonder Christus?” in De Saambinder, 72e jaargang, nr. 31. Zeer interessant vond ik ook wat C. Graafland in deze stelde in F.A. van Lieburg (red.), De stille luyden. Bevindelijk gereformeerden in de 19e eeuw, pag. 44, 45.
14) Veelzeggend in dit verband is dat als ds. G.H. Kersten in zijn dogmatiek spreekt over de dadelijke rechtvaardigmaking hij het soms gewoon heeft over de rechtvaardigmaking. Zie o.a. deel II, 191.
15) Zie o.a. J. Zwemer, In conflict met de cultuur, pag. 108-109.
16) Ik erken dat dit nogal een stevige uitdrukking is. Er zijn echter bewijzen te over voor deze uitspraak. Zie deel twee van dit boek.
- 4 -
Invloed op prediking en pastoraat
Over de wijze waarop de
leer van de rechtvaardigmaking
doorwerkt in prediking en pastoraat
De visie op de rechtvaardiging bepaalt in hoge mate de aard van prediking en pastoraat. Dat bleek zonneklaar uit de voorgaande twee hoofdstukken. Uit het voorgaande is inmiddels ook duidelijk geworden hoe men in de rechterflank hierover denkt, wat men onder de genoemde vijf trappen van de rechtvaardigmaking verstaat en welke motieven aan deze vijfdeling ten grondslag liggen.
Op grond van deze ‘analyse’ wil ik nu in grote trekken de grondstructuur van prediking en pastoraat binnen de rechterflank weergeven. Aan de orde is dus nu de vraag: hoe werkt de visie op de rechtvaardigmaking door in prediking en pastoraat? Bij de beantwoording van deze vraag maak ik waar mogelijk gebruik van ‘praktijkvoorbeelden’. Deze dienen hoofdzakelijk om mijn conclusies te illustreren en te onderstrepen.
In het vorige hoofdstuk werd onder andere duidelijk dat het sterk op de voorgrond stellen van Gods soevereiniteit in ‘s mensen bekering een nadrukkelijke plaats heeft in prediking en theologie van de rechterflank, zozeer zelfs dat we kunnen spreken van een identiteitsbepalend leerstuk.
Prediking en pastoraat worden daar in belangrijke mate door bepaald en wel op verschillende manieren.
In de eerste plaats krijgt de rechtvaardigmaking voor het geloof een duidelijke plaats in de prediking bij het beschrijven van de weg die God houdt in de bekering van zondaren. Om aan te geven op welke wijze dit zoal kan geschieden, laat ik hier een aantal predikanten uit de rechterflank aan het woord.
-
”Als deze profetie vervuld zal worden, zal het openbaar komen dat de
Heere een volk heeft, dat zich wel in Adam in de eeuwige duisternis geworpen
heeft en van nature in de eeuwige duisternis wandelt, maar toch een volk is wat
in het souvereine welbehagen Gods ligt opgesloten om dat grote Licht op Zijn
tijd te zien zodat dat Licht over hen zal schijnen.”
[Saambinder, 5 december 1991, 70e jaargang nr. 10; uit meditatie van ds. J.
Koster]
-
”Maar het is een onbegrijpelijk wonder van Goddelijke barmhartigheid, dat
naar Zijn souverein welbehagen een volk vergaderd wordt, dat Zijn lof zal
vertellen. Daar heeft geen mens om gevraagd, maar ontspruit uit de innerlijke
bewegingen der barmhartigheid Gods.”
[Saambinder, 11 juni 1992, 70e jaargang nr. 37; uit meditatie van ds. P. Honkoop]
-
”Van eeuwigheid gewillig, is hij in de tijd in volkomen gehoorzaamheid
de weg van lijden en sterven gegaan. En alzo genoegdoening gegeven aan het recht
Zijns Vaders. De bloedprijs is door Hem volmaakt opgebracht. Zij is door de
Vader aanvaard. Door de opwekking van Christus uit de doden, bevestigt de Vader
Zijn priesterschap. Voorwaar, de misdaad Zijns volks is weggenomen, al hun
zonden zijn verzoend. Hij heeft Zich gewend van de hittigheid Zijns toorns.”
[Saambinder, 20 augustus 1992, 70e jaargang nr. 46; uit meditatie van ds. C.
Hogchem]
-
”Die naar Zijn vrijwillige overgave van eeuwigheid in de tijd kwam in de
gelijkheid des zondigen vleses zonder zonde zijnde. Om Gods gerechtigheid genoeg
te doen en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, die Hij ook door de
Heilige Geest Zijn volk toepast.”
[Saambinder, 27 augustus 1992, 70e jaargang nr. 47; uit meditatie van ds. Chr.
van der Poel]
-
”Daar ontsluit zich het wonder voor een verloren zondaar in de behoudenis
en dat enkel en alleen in het vleesgeworden Woord. Wat mogen zij in die tijd ook
alles in Hem vinden. Als dan het licht valt over het Goddelijke werk vanuit de
stilte der nooit begonnen eeuwigheid, in de Borgstelling van zulk een dierbare
Persoon, de eniggeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid. Daar
ontsluit zich de zaligheid voor een rampzalige zondaar en dat nu enkel en alleen
om het vrije welbehagen Gods.”
[Wachter Sions, 11 februari 1993, no. 24; uit meditatie van ds. W. Verhoeks]
-
”Maar weet ge, het wonder voor Gods Kerk ligt daarin: dat God nu Zelf
voor een Borg zorgde, die de schuld overnam, en in een weg van kortstondig maar
bitter en zwaar lijden, een volkomen rantsoen aanbracht, tot verlossing van de
zonde en uit de klauwen van Satan...
...Die herder is niet voor de hele wereld maar voor de uitverkorenen. Degenen
waarvoor geldt dat hun de genade gegeven is van voor de tijden der eeuwen.
Degenen die Hij naar Zijn welbehagen trekken zal uit de duisternis tot Zijn
wonderbaar licht...
...maar hebben in de middellijke weg slechts moeten medewerken aan de volvoering
van Gods eeuwige Raad. Immers, de Heere der heirscharen heeft het gesproken! En
het ogenblik, het uur, de dag, het jaar dat Christus door Zijn offerande de
prijs zou betalen waardoor al Gods kinderen voor eeuwig van de straf zouden
worden ontheven, was in de hemel bepaald.” [Saambinder, 25 februari 1993, 71e
jaargang nr. 22; uit meditatie van ds. A.W. Verhoef ]
-
“Maar hier is nu het evangelie van vrije genade: de ergste wordt tot God
bekeerd. Het heeft God behaagd in de stilte der eeuwigheid een welbehagen te
hebben in deze vijand. Nooit te verklaren, alleen te bewonderen: vrije
zondaarsliefde heeft met vriendelijke ogen op deze ellendige albederver
neergezien. De Vader heeft ook deze centurio gebonden in het bundelke der
levenden en gegeven in de handen van Zijn Zoon, opdat Die hem zaligen zou in een
weg van recht... Hier op Golgotha slaat het uur van Gods welbehagen. God gaat
bevestigen, dat Hij heeft uitverkoren hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets
is, teniet zou maken. En op deze heuvel, waar de gloed van ‘s hoofdmans
vijandschap het felste brandt, gaan de stromen van Gods verkiezende liefde het rijkelijkst vloeien. Er is een volk op aarde, dat weet er wel van, dat de Heere
niet naar hen heeft omgezien, toen zij het goed bedoelden, maar toen de hitte
van hun vijandschap het hevigst blaakte. Zie hier op Golgotha de waarheid van
het woord: vijanden worden met God verzoend!”
[kerkbode Ger. Gem. Benthuizen, Boskoop, Gouda, enz., 26 maart 1993, 2e jaargang
nr. 7; uit een meditatie van ds. A. Moerkerken]
-
”Aan het einde van dit uitnemende hoofdstuk, Romeinen 8, zingt de apostel
Paulus zijn zegelied. Dit lied komt op uit de overdenking van dat welbehagen
Gods, dat voornemen, waarover hij sprak in vers 28 en waaruit alle zaligheid
voor Gods Kerk voortbloeit.
Immers, die God tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd,
den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn. En die Hij tevoren verordineerd
heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij
ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook
verheerlijkt. Alle zaligheid vloeit voort uit dat welbehagen Gods!”
[Doven-Kontakt april 1993, nummer 2; uit een meditatie van ds. A. Moerkerken]
-
”O vriend, wat wordt Christus Zijn kerk dierbaar als de Afgezonderde van
de Vader. Hij is het grote Paaslam, van eeuwigheid afgezonderd en reeds geslacht
voor de grondlegging der wereld in het eeuwig besluit Gods. Hij is van
eeuwigheid tot Middelaar verkoren en de kerk is in Hem uitverkoren tot de
zaligheid. In de verkiezing was Hij de Middelaar van Wie de Vader Zich bedienen
zou om Zijn raad te volvoeren tot de verheerlijking van Zijn aanbiddelijke
deugden. In de raad des vredes vond de tussenkomst van de Middelaar plaats en
was Hij in betrekking tot de uitverkorenen hun Middelaar Die Zich in hun plaats
stelde om de deugden Zijns Vaders tot hun zaligheid op te luisteren. Dit is een
diepe verborgenheid en men moet het grote Paaslam wel eens in de eeuwigheid
aanschouwd hebben, om daar wat van te kunnen weten. We leven in een tijd waarin
wel veel over de Middelaar gesproken wordt, maar men weet de Middelaar niet uit
de eeuwigheid op te halen. Men predikt een Middelaar, los van Gods eeuwige raad
en dan heeft Hij maar in zoverre waarde als dat men door Hem bevrijd denkt te
worden van de eeuwige toorn en van de rechtvaardige straf. Men denkt, dat als
men in de prediking uit de eeuwigheid opkomt, dat dan Christus niet recht
gepredikt kan worden...
...O vriend, hier klopt het hart van de levende kerk, want het zijn toch zulke
dierbare stukken als de ziel daar eens ingeleid mag worden. Als ik het daarover
heb, dan gevoel ik toch iedere keer weer hoe dat die Middelaar me alzo vanuit de
eeuwigheid vandaan zo dierbaar is geworden!”
[ds. F. Mallan, Uit het zieleleven, art. 34, 77-78]
-
”Ze zijn als reine schepselen uitverkoren voor de tijd, tot een eeuwige
gelukzaligheid na de tijd...
Wie zal kunnen beschrijven, wanneer men als zo’n arme dwaas in de binnenkamer
van dit Goddelijke geheimenis geleid wordt, wat het inhoudt, dat God Zijn
gemeente van God voor God gekocht heeft.”
[Wijlen ds. Joh. v.d. Poel, Eerst lammeren dan schapen, 17]
-
“Ik wil met weinige woorden trachten te beschrijven, hoe de mens, die in
Christus uitverkoren is zonder geloof, in de tijd door het geloof Christus
ingelijfd wordt, zoals een rank in een wijnstok geënt wordt.”
[Id., pag 21 e.v..]
Het zou me niet moeilijk vallen om dit rijtje citaten nog met vele soortgelijke uitspraken aan te vullen. Daar gaat het nu echter niet om. Ik beoogde hiermee slechts aan te tonen dat we binnen de rechterflank steeds dergelijke klanken vernemen wanneer Gods weg met de zondaar beschreven wordt. Ik ben geneigd om te zeggen: het is binnen de rechterflank eigenlijk standaard om bij de beschrijving van Gods weg met een (wedergeboren) zondaar terug te grijpen naar terminologieën als hierboven genoemd.
Het doel van deze en soortgelijke formuleringen laat zich eenvoudig raden: het (bij voortduren) beklemtonen van het eenzijdige Godswerk in ‘s mensen bekering. Gods volk komt erachter dat ze zelf geen nagelschrapsel tot hun zaligheid toe kunnen doen. Als vijanden worden ze met God verzoend. Ds. Mallan veronderstelt zelfs dat zij die dit niet op de voorgrond stellen, Christus niet vanuit de eeuwigheid preken, niet vanuit “Gods eeuwige raad” preken, geen ware kinderen van God zijn. Bij deze mensen gaat het er slechts om van Gods eeuwige toorn en straf bevrijd te worden. De Heilige Geest brengt Zijn volk echter op bevindelijke wijze in de stilte der nooit begonnen eeuwigheid.
Het leerstuk van de rechtvaardigmaking voor het geloof - hoe men dit verder ook beschrijft - krijgt in de prediking dus nadrukkelijk een plaats bij het beschrijven van de wegen die God met Zijn kinderen gaat. Gods ware kinderen worden daarbij geacht om geregeld door de Heilige Geest bepaald te worden bij wat in dit verband wel Gods eeuwige Vrederaad genoemd wordt. Dergelijke ‘bevindingen’ of ‘zielsgestalten’ is enerzijds beogen Gods volk nog ootmoediger te maken. Als ze in mogen blikken in Gods eeuwige Vrederaad dan raken ze diep verwonderd. Dan mogen ze er weer eens een ogenblikje schoon buiten vallen. Dan mogen ze er weer eens bij bepaald worden dat voor God nu niets anders overschiet dan die eeuwige Borgstelling van Christus. Hun godsdienst en beleving valt daarbij helemaal weg.1) Met andere woorden: het wordt weer eens heel duidelijk dat de rechtvaardigmaking geheel een eenzijdig werk van Gods is.
Anderzijds dient het beklemtonen van dit eenzijdige werk Gods in de mens ook als bemoediging en vertroosting, voor onbekeerden en bekeerden. Wat de onbekeerden betreft: niemand zoekt naar God. Gelukkig daarom dat het een eenzijdig Godswerk is, want anders kwam er niemand in de hemel:
-
“Maar de Heilige Geest zal ervoor zorgdragen dat ze zullen komen,
namelijk zonen en dochters, jongelingen en ouden, dienstknechten en
dienstmaagden, Cornelius en zijn ganse huis. Maar dat geldt ook nu nog.
Gelukkig, dat die Heilige Geest het doet, want anders kwam er geen één. Er is
immers niemand die naar God vraagt of zoekt.”
[Saambinder, 11 juni 1993, 70e jaargang nr. 37; uit meditatie van ds. P. Honkoop]
Voor Gods kinderen is dit eveneens een troost, want zij maken hun schuld nog dagelijks meerder. Konden ze zich uit de genade zondigen, ze zouden het doen. God laat echter niet varen wat zijn hand begon. We zouden dit een pastoraal motief kunnen noemen. Dit pastorale motief wordt over het algemeen echter overvleugeld door het hiervoor genoemde dogmatische motief. Het benadrukken van de rechtvaardigmaking voor het geloof, op welke wijze dan ook, dient hoofdzakelijk om het eenzijdige werk van God in de bekering te benadrukken, dus om de rechtvaardiging van de goddeloze - en niet de gelovige - te handhaven. Dat men dit leerstuk verbindt met bevindelijke aspecten is secundair, zij het zeer frappant.
Het op de voorgrond stellen van de rechtvaardigmaking voor het geloof, met als voornaamste oogmerk het eenzijdige Godswerk in de bekering te handhaven, leidt automatisch tot een prediking die vooral beschrijvend en beschouwend – analytisch - van karakter is. Ook op deze wijze beïnvloedt dit leerstuk dus de prediking binnen en daarmee ook de identiteit vàn de rechterflank.
Dit hangt weer samen met hetgeen ik in hoofdstuk drie schreef over het ‘reactiemotief’ achter de rechtvaardigmaking voor het geloof. Immers, de ‘lichten’ drongen maar aan om te geloven en Jezus aan te nemen, er daarbij van uitgaande dat de mens daartoe krachtens zijn vrije wil ook in staat is. Zij ontkenden in de praktijk de totale doodsstaat van de mens. Zoals gezegd leidde deze steeds meer om zich heen grijpende ontwikkeling tot een steeds sterker benadrukken van het eenzijdige werk van God in de bekering door de gereformeerden. Steeds huiverig werd men voor appellerende preken van calvinistische snit. Men wilde een prediking waarin het werk van de Heilige Geest in de bekering centraal stond. De prediking moest beheerst worden door de leidingen die de Heere houdt met Zijn kinderen.
Een voornaam kenmerk van de rechterflankprediking is dat ze beschrijvend van aard is. Achterliggende reden is de grote beduchtheid voor remonstrantse elementen. Gods soevereiniteit in het werk van de bekering komt door een beschrijvende prediking het meest tot zijn recht.2)
We doen echter onrecht aan de aard van de prediking binnen de rechterflank als we stellen dat men hier geen aandacht heeft voor de onbekeerde mens. Met name binnen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika treffen we bijvoorbeeld nog predikanten aan die tot de rechterflank behoren gezien hun visie op de rechtvaardigmaking, maar wel degelijk voorstander zijn van een algemeen en welmenend aanbod van genade. Zij roepen daarom de onbekeerden wel op tot bekering. Bij sommigen onder hen is dit echter meer theorie dan praktijk: op zich zijn ze er wel voorstander van, maar als het op de praktijk aankomt, blijft het vaak wat in de lucht hangen. Over het algemeen moeten we bovendien stellen dat bij rechterflankpredikanten die voorstander zijn van een welmenend aanbod van genade, het appellerende aspect op z’n minst ondergeschikt is aan het beschouwende element. Men is blijkbaar toch van mening dat dit laatste de prediking moet domineren. Dat bewijst trouwens ook de praktijk van het kerkelijk leven binnen genoemde Gereformeerde Gemeenten. Ondanks de toenemende oppervlakkigheid en veruitwendiging in deze kerkelijke denominatie, constateren we toch nog dat relatief veel gemeenteleden predikanten die in hun prediking veel aandacht hebben voor de onbekeerden als ‘licht’ of zelfs onrechtzinnig bestempelen. Elk lid van de Gereformeerde Gemeenten weet in dit verband wel een aantal predikanten te noemen. Dit lijkt me op zich al veelzeggend.
Samenvattend stellen we dat men binnen de rechterflank van mening is, dat de geestelijke gangen die God met Zijn volk houdt, een grote plaats moeten krijgen in de prediking. Een predikant wiens prediking niet gedomineerd wordt door deze bevindelijke gangen, wordt niet zelden als onrechtzinnig beschouwd. Soms maakt men zelfs de staat van zo’n prediker verdacht. Illustrerend vond ik in dit verband de gang van zaken rond student Van der Kuijl van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (binnen verband), anno 1993 3)
De nadruk op de ‘bevindelijke gangen van Gods volk’ moet dus als een noodzakelijk gevolg beschouwd worden van het accentueren van de rechtvaardigmaking voor het geloof. Functie hiervan is het benadrukken van de volstrekt lijdelijke rol die de uitverkoren zondaar inneemt in de rechtvaardigmaking. Aldus profileert men zichzelf als “rechtzinnig”. Het voorspelbare taalgebruik dat men hanteert bij het beschrijven van deze rechtvaardigmaking voor het geloof help daarbij een flinke hand. Kerkgangers hebben aldus handvatten om al dan niet te twijfelen aan het rechtzinnigheidsgehalte van de prediking. Toen ik hier eens een predikant op aansprak, gaf hij aan: “Hans, ik snap helemaal wat je bedoelt en ik hoor mezelf praten … maar als ik dit soort formuleringen niet gebruik, dan raken mensen in mijn gemeente helemaal van slag.”
Inleiding
De redenen waarom men binnen de rechterflank de rechtvaardiging door het geloof onderscheidt in een dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking zijn inmiddels bekend. Aan de ene kant meent men hierdoor nog beter de lijdelijke positie van de uitverkorenen zondaar uit te kunnen laten komen. Dit komt vooral tot uiting in de visie op de wedergeboorte (de dadelijke rechtvaardigmaking). Anderzijds kwam uit het bovenstaande naar voren dat deze tweedeling dient om het reformatorische beginsel vast te houden dat het vertrouwen behoort tot het wezen van het geloof en tegelijkertijd te kunnen stellen dat ‘bewuste geloofszekerheid’4) wel wenselijk en profijtelijk maar niet noodzakelijk is. Onder bewuste geloofszekerheid verstaat men dan de zekerheid dat de zonden vergeven zijn en de schuld uitgedelgd is. De betreffende persoon wordt in de zgn. bewuste of lijdelijke rechtvaardigmaking voor eeuwig vrijgesproken door de Vader, een vrijspraak waarvan de Heilige Geest hem verzekert. Hier is sprake van bewuste geloofstoeëigening.5)
Zoals ik al eerder zei, staan de meeste van Gods kinderen nog voor deze bewuste toeëigening. Zij missen de zekerheid dat hun zonden vergeven zijn. Wel mogen ze nu en dan, in de oefeningen van het geloof, vertrouwen dat God hun genadig zal zijn, bijv. “in bedekking van de zonde; in de opening van het Evangelie; in het smaken van de liefde en van den vrede Gods...”6) In dit verband spreekt men dan vaak van een toevluchtnemend geloof. Dit toevluchtnemende geloof staat ‘tegenover’ het zogeheten verzekerde of bevestigde geloof.
Het in de dogmatiek van de rechterflank gehanteerde onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking en geloofshebbelijkheid en geloofsdadelijkheid heeft zeer grote invloed op prediking en pastoraat binnen de rechterflank. Deze invloed is zelfs zo groot en verstrekkend dat we werkelijk niet te ver gaan door te beweren dat dit onderscheid de spil hiervan vormt.
Uit het onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking vloeien vijf zaken voort die in belangrijke mate het karakter van prediking en pastoraat bepalen.
1. De wedergeboorte in engere zin en de kenmerken hiervan nemen een grote plaats in. Het betreft hier de zogenoemde toeleidende weg.
2. De Christuskennis die aan de bewuste rechtvaardigmaking vooraf gaat, verbindt men niet aan de vergeving van zonden en schuld. Ze functioneert als noodzakelijke verbindingsschakel tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking.
3. De weldaad van de vergeving van zonden vindt plaats in de bewuste rechtvaardigmaking.
4. Men onderscheidt drieërlei afsnijding en tweeërlei toevallen van Gods recht.
5. Men leert standen in het genadeleven. Een bepaalde stand in het genadeleven wordt daarbij gekoppeld aan een bepaalde (mate van) bevinding. Aan het beschrijven of bespreken van deze standen wordt zeer grote waarde gehecht.
Ik zal nu elk van deze vijf punten afzonderlijk bespreken en toelichten. Op die manier krijgen we mijns inziens een helder inzicht in de grondstructuur van prediking en pastoraat binnen de rechterflank.
De toeleidende weg
Onder de toeleidende weg verstaat men over het algemeen het geheel aan geestelijke ervaringen vanaf het moment van levendmaking tot aan de eerste Christuskennis. Het gaat hier dus over al die geestelijke ervaringen die de pelgrim opdoet vanaf het moment dat hij ‘gearresteerd’ wordt in de stad Verderf - dus bij zijn ellendige, godloze toestand wordt bepaald, tot aan het moment dat hij door de enge poort is gegaan. U begrijpt, ik ontleen deze beeldspraak aan Bunyan’s Christenreis.
Nu beleeft niet ieder van Gods kinderen hetzelfde op deze weg. Toch zijn er bepaalde geestelijke zaken die over het algemeen elk kind van God beleeft op de toeleidende weg. Deze ‘raakvlakken’ karakteriseren deze dus. Men spreekt in dit verband daarom wel over de kenmerken van het wedergeboren leven. Meestal bedoelt men dan het wedergeboren leven buiten de (dadelijke) kennis van Christus.
Binnen prediking en pastoraat krijgt deze vorm van wedergeboren leven grote nadruk. Dat is logisch. Meermalen toonde ik hierboven immers aan dat men door middel van de leer van de dadelijke rechtvaardigmaking in de wedergeboorte de praktijk van de twijfel zoveel mogelijk tegemoet probeert te komen. Ds. G.H. Kersten benadrukte in dit verband dat in het geestelijke leven niet de bewuste rechtvaardigmaking maar de wedergeboorte in engere zin, dus de levendmaking of dadelijke rechtvaardigmaking allesbeslissend is. Uiteindelijk komt het er ‘maar’ op aan of iemand wedergeboren is, hoezeer men verder ook dient te staan naar de welbewuste verzekering van ons aandeel aan Christus.
Wie dit leert, zal in prediking en pastoraat de nadruk moeten laten vallen op de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof in de wedergeboorte.
Dit kan en gebeurt in de praktijk in twee opzichten. In de eerste plaats beklemtoont men sterk de noodzaak dat een mens wederomgeboren wordt, overgezet wordt uit de staat des doods in de staat des levens. Het benadrukken van de noodzaak van wedergeboorte heeft binnen de rechterflank feitelijk de oproep tot geloof en bekering vervangen. Wie de voorgaande paragrafen las, kijkt van dit gegeven niet vreemd op. In het laatste geval wordt de mens namelijk sterk aangesproken op zijn verantwoordelijkheid tegenover Zijn Schepper. Door nu de oproep tot geloof en bekering te vervangen door het wijzen op de noodzaak van wedergeboorte, komt het eenzijdige karakter van Gods genadewerk in de bekering van een zondaar meer naar voren. De mens is geheel lijdelijk:
“Het onderscheid is te vinden in de werkende God of in de werkende mens. Het werk der genade openbaart zich in het uur der wedergeboorte in het hart van de buiten God liggende mens. Zie, daar wil het nabijkomende leven niet van weten. De doodsstaat van de mens wordt verdoezeld. Dat zowel bij de aanvang van het wonder van de genade als bij de oefening van de genade. Het is God, Die in ons werkt! Daarin is de mens totaal lijdelijk.” [Saambinder, 2 juli 1992, 70e jaargang, nr. 40; uit meditatie van ds. P. Blok]
Hierbij moet nog opgemerkt worden dat àls men spreekt over de noodzaak van bekering, dit meestal geplaatst wordt in de context van de wedergeboorte in engere zin. In plaats van “bekeert u!” zegt men bijvoorbeeld iets in de geest van “u moet bekeerd worden.” Vaak gaat een dergelijke uitspraak dan vergezeld van een (korte) beschrijving van ‘s mensen onmacht en geestelijke doodsstaat en van de raadgeving om te bidden om de genade der wedergeboorte.
Dat men zoveel aandacht schenkt aan de wedergeboorte is niet vreemd. Van de wedergeboorte hangt alles af. Ds. Moerkerken vertolkt zonder meer de gedachtegang van de rechterflank, als hij zegt:
“De wedergeboorte is het voornaamste. Het komt er op aan of dat ene woordje: leef, tegen u, tegen mij, al gesproken is. Dat is het beslissende keerpunt. Als dat woord nog niet tot ons gesproken is, liggen we nog gereed om een prooi te worden van het gedierte van het veld; dan wacht de dood ons nog. Is dat woord wel gesproken, dan liggen we voor tijd en eeuwigheid voor Gods rekening. Dan zal Hij voor dat kind blijven zorgen.”
[Ds. A. Moerkerken, Een mensenkind; uit de preek over Ezech. 16:6, 100]
In de tweede plaats laat men de nadruk vallen op de levendmaking. Hoe? Door de kenmerken van de toeleidende weg een plaats te geven in prediking en pastoraat. De één doet dit natuurlijk meer dan de ander.
Volgens sommigen kwam er na de Tweede Wereldoorlog een grotere nadruk te liggen op de toeleidende weg. J. Zwemer merkt in dit verband op dat “het feit dat vele gemeenteleden zich niet tot de verzekerde gelovigen durfden of konden rekenen” voor ds. L. Rijksen en ds. A. Moerkerken aanleiding was om het “langdurig ‘bekommerd’ zijn van de wedergeborene” een plaats te geven in de theologie, om zo te kunnen verwoorden wat bij een groter deel van Gods volk leefde.7)
J. Zwemer suggereert daarmee dat de toeleidende weg pas vanaf dat moment een nadrukkelijke plaats kreeg in de theologie van de rechterflank. Voor die tijd zou de krachtdadige bekering een primaire rol spelen in de prediking, zou met andere woorden de vierschaarervaring prediking en pastoraat beheersen. H. Florijn toont in zijn doctoraalstudie over de ledeboerianen echter aan dat zij in hun bekeringsgeschiedenissen de vereniging met Christus en de rechtvaardigmaking centraal stelden, maar in hun theologie vaak de wedergeboorte en de toeleidende weg op de voorgrond plaatsten. Veel ledeboerianen waren wat men wedergeboortepredikers pleegt te noemen. Een minderheid stelde in prediking en pastoraat de (bewuste) rechtvaardigmaking centraal.8) Op historische gronden is het dus niet juist om te stellen dat ds. Rijksen en ds. Moerkerken een andere weg insloegen dan hun voorgangers. Beter is het te spreken van twee verschillende pastorale benaderingswijzen binnen de theologie van de rechterflank, waarbij de ene categorie meer de toeleidende weg en de andere categorie meer de bevinding van de bewuste rechtvaardigmaking centraal stelt in prediking en pastoraat. Daarbij moeten we dan bovendien bedenken dat ook deze laatste categorie in hun theologie haast zonder uitzondering het zwaartepunt legt bij de wedergeboorte in engere zin. Zo stelde ds. G.H. Kersten in de prediking weliswaar de bewuste geloofszekerheid op de voorgrond, maar leerde anderzijds dat de meeste van Gods kinderen hiertoe nooit kwamen en dat daarom niet de bewuste rechtvaardigmaking maar de wedergeboorte in enger zin uiteindelijk iemands eeuwige staat bepaalt.
Ds. Moerkerken geeft de volgende reden aan voor het inruimen van een plaats in de prediking voor bekommerden:
“Door scherp te onderscheiden tussen de inlijving in Christus (inwendige roeping, wedergeboorte, staatsverwisseling, levendmaking!) en de openbaring van Christus (de ‘tiende ure’, Joh. 1:40) worden twee dingen bereikt. In de eerste plaats wordt zo geleerd, dat èlke traan, waarlijk om de zonden door een verbroken hart tot God geschreid, voortvloeit uit Christus; zo krijgt God ook de eer van de allereerste beginselen van het geestelijke leven. In de tweede plaats wordt zo geleerd, dat de rust der ziel alleen dáár bevorderd wordt waar het Gode behaagd Zijn Zoon in haar te openbaren. Zo worden twee uitersten vermeden: de mens wordt niet opgebouwd in zijn tranen en gemis, maar Gods bekommerde tobbers krijgen ook geen klappen die zij niet verdienen.”9)
De visie die ds. Moerkerken hier weergeeft, wordt binnen de rechterflank vrij algemeen geaccepteerd. Sommigen vinden haar echter te gestaltelijk. Hiertoe behoort bijvoorbeeld ds. Mallan.10) Deze behoort tot de categorie binnen de rechterflank die meer de bewuste geloofszekerheid op de voorgrond stelt.11)
Door nu in prediking en pastoraat aandacht te schenken aan de kenmerken van het wedergeboren leven voor “de openbaring van Christus”, wil men dus de wedergeborenen die hier nog voor staan troost geven of, in bredere zin, leiding geven aan hun geestelijk leven. De kenmerken dienen daarbij als toetsstenen. Aan de hand hiervan kan de bekommerde weten of hij inderdaad iets van het ware geestelijke leven kent. Ik wil dat illustreren aan de hand van een enkel fragment uit het boek Mensenkind, van ds. Moerkerken. Deze fragmenten hebben dan natuurlijk betrekking op de kenmerken van het wedergeboren leven, van de toeleidende weg dus. Het eerste fragment neem ik uit de zevende preek, over Ezech 16:6 (103):
“Kennen we die tijd in ons leven?
Nadat God ons vond in onze verloren staat, op het vlakke van het veld? Toen de Heere voor ons ging zorgen. Wat is dat een goede tijd in het natuurlijke leven, maar ook in het genadeleven (...) Zo is er in de genadetijd ook een tijd der eerste liefde, een tijd van de jeugd, och, wat een lieve tijd is dat. Dat is een tijd waarin de Heere Zijn kind nogal vertroetelt, waarin Hij het nogal eens in Zijn armen draagt, een tijd waarin ze de Heere niet missen kunnen, geen dag, geen minuut. Mag ik het eens eenvoudig zeggen: dan kunnen ze ‘s avonds niet gaan slapen of de Heere moet ze gekust en nog even getroeteld hebben. Dan kunnen ze de slaap niet vatten, als Hij Zijn liefde hen niet doet blijken. Zoals een kind niet slapen kan als moeder het niet nog één keer heeft gekust. Dat is de tijd van de eerste liefde. Dan leert de Heere Zijn kinderen gaan. Met vaderlijk geduld leert Hij hun de eerste stappen zetten en wankelende gangen maken op het smalle pad. Dan leert de Heere Zijn kinderen eten en drinken. Dan geeft Hij ze smaak in die redelijke en onvervalste melk van Zijn Woord en komen ze maar niet uitgedronken. Ze krijgen er nooit genoeg van. Dan doet Hij ze proeven hoe zoet het manna is, zoet als honing en als korianderzaad. O, die eerste tijd! Weet u dat nog, volk van God? Als u in de kerk kwam, was er wat voor u bij, als u uw Bijbel opensloeg, vertroetelde de Heere u.”
Het tweede fragment neem ik uit de tiende preek, over Ezech. 36: 26 en 27. Ds. Moerkerken gaat uitleggen wat het verschil is tussen een stenen en een vlesen hart. Hij noemt daarbij allemaal kenmerken. Opvallend daarbij is dat hij dan zulke kenmerken noemt die passen bij elk kind van God, ongeacht de stand van het genadeleven waarin ze zich bevinden. Ook de wedergeborenen die Christus nog niet kennen, kunnen zich daarin dus vinden. Voor hen zijn deze kenmerken ook vooral bedoeld. Ds. Moerkerken noemt namelijk niet de kennis van Christus als kenmerk. Vandaar dat het verantwoord is om in dit onderdeel over de toeleidende weg ook dit fragment op te nemen. Ik beperk me daarbij tot de kenmerken van het vlesen hart, hoewel de kenmerken van het stenen hart eveneens functioneren als toetsstenen voor de wedergeborenen.
“Gods kinderen gaan andere gedachten krijgen, gaan anders denken, anders peinzen, anders gevoelen, door de vernieuwing huns gemoeds. Dat is een kenmerk van het nieuwe leven. Als dat gemist wordt, kunnen we wel meepraten over de dingen van Gods Koninkrijk, maar hoe is het met onze gedachten? Hoe is het met onze geest?
Het is een kenmerk van een nieuw hart en van de ware wedergeboorte, dat u ook nieuwe gedachten krijgt. Gedachten die naar God uitgaan en naar Goddelijke dingen. Dat u, als u peinst, niet meer peinst over de wereld en over de wellusten van uw leven, maar dat uw gedachten heengaan naar God. ...
Mogen we van dat nieuwe hart eens wat zeggen? Dan kunt u er uw eigen hart eens bijleggen. Ik zal een paar dingen noemen. ...
een nieuw hart heeft de allerdiepste indrukken van Gods deugden.
Kenmerk van een stenen hart is, dat het geen indrukken heeft van Wie de Heere is. Maar het nieuwe hart heeft van Gods deugden indrukken. Het leert voor die deugden beven, maar het heeft die deugden ook lief. Die deugden worden in dat nieuwe hart gegrift: Gods rechtvaardigheid, Gods heiligheid, Gods majesteit, Gods goedheid, Gods barmhartigheid. Al die deugden van God leert dat nieuwe hart kennen.
Een nieuw hart is een bedroefd hart. Het kent iets van de droefheid naar God, die een onberouwlijke bekering tot zaligheid werkt. (...) In de droefheid naar God leert dat nieuwe hart de zonde haten en vlieden. Leert het van alle zonden een afkeer te krijgen.
Een nieuw hart is ook een biddend hart. (...) Maar een vlesen hart bidt de hele dag (...) Zo is het, dat volk gaat zuchten. Bidden, zonder dat ze het weten. Het hele nieuwe leven van dat hart is zuchten naar God en om God. Het kan zijn dat u dagen naar God loopt te schreien, eigenlijk zonder dat u zelf weet wat u doet. Naar een onbekende God, naar een God Die zich verborgen houdt. O, God, hoe kom ik met U verzoend? Hoe kom ik tot U bekeerd? Hoe krijg ik U tot Mijn deel? Wat moet ik doen, Heere, om zalig te worden.
Een nieuw hart heeft honger en dorst. Weet u waarnaar? Naar de gerechtigheid van het Koninkrijk der Hemelen. Dat nieuwe hart heeft maar één begeerte: voor God te kunnen bestaan en een gerechtigheid te mogen ontvangen waarmee ze leven en sterven kunnen. Hongerend en dorstend naar die gerechtigheid is dat hart.
Het is ook een buigzaam hart. Een nieuw hart buigt voor de Heere. (...) Zo’n hart leert buigen en bukken. (...) Het vlesen hart, het nieuwe hart zegt; o God, ik kan nooit genoeg voor U bukken. Ik kan nooit diep genoeg onder U buigen. Leer me toch meer en meer wie ik ben; het is nooit diep genoeg voor het vlesen hart. Het nieuwe hart mag verliefd worden op de Heere Jezus. Op Gods tijd en op Gods wijze (Deze toevoeging geeft aan, dat ds. Moerkerken met het geven van deze kenmerken wel degelijk het oog heeft op de bekommerden, HvR). Een nieuw hart heeft een hartelijke lust en liefde om voor de Heere te mogen leven. Om te mogen wandelen in Zijn inzettingen en om Zijn rechten te mogen doen door de hulp van Gods Geest.
...
We hebben het allemaal kunnen lezen of wij een nieuw hart hebben of niet. U kunt allemaal weten of u een nieuw hart hebt. U hoeft niet te zeggen: misschien. Dat is het gevaarlijkste woord dat er is. Maar u kunt het weten. De kenmerken in de Schrift zijn onbedrieglijk, hoewel ik best weet dat er veel bekommerde zielen zijn die niet zo gauw durven zeggen: “Ja, dat ken ik”, dat is wat anders.”
Natuurlijk is dit maar één van de vele voorbeelden met betrekking tot de wijze waarop men de toeleidende weg en haar kenmerken aan de orde stelt in de prediking. Daarbij moet bovendien bedacht worden dat de wijze van voorstelling weer kan verschillen van predikant tot predikant. De ene predikant zal er bijvoorbeeld wat meer en uitvoeriger aandacht aan besteden dan de andere. De ene predikant is meer gestaltelijk, een andere predikant ‘profileert’ zich meer als zakelijk, door bijvoorbeeld meer de nadruk te leggen op de bewuste rechtvaardigmaking. Deze accentuering hangt veelal samen met wat predikanten zelf aan bevindelijke kennis hebben. We krijgen de indruk dat er nauwelijks predikanten zijn die zelf de bewuste rechtvaardigmaking hebben beleefd. Over het algemeen zullen de meeste predikanten binnen de rechterflank echter veelvuldig de toeleidende weg en haar kenmerken aan de orde laten komen in prediking en pastoraat, om zo te separeren tussen wedergeboren en onwedergeboren leven. Bij deze separatie wordt de scheidslijn tussen bekeerd en onbekeerd dan niet gevormd door het geloof in Christus maar door de wedergeboorte. Zou de scheidslijn namelijk wel worden bepaald door de kennis van Christus dan zouden de ‘door onweder voortgedrevenen’, de bekommerden, de wedergeborenen die Christus niet kennen “klappen krijgen die ze niet verdienen”, zoals ds. Moerkerken dat stelde. Bij het geven van kenmerken wordt dus over het algemeen, door de meeste predikanten binnen de rechterflank, rekening gehouden met hen die zich op de toeleidende weg bevinden. Belangrijke kenmerken hiervan, die algemeen gehanteerd worden, zijn dan:
- een hartelijke droefheid naar God en een leedwezen over de zonde;
- indrukken van Gods deugden, zoals bijv. Gods heiligheid en rechtvaardigheid;
- een breken met de zonden, het verliezen van het vermaak in het oude zondige leven;
- het krijgen van een hartelijke liefdesbetrekking op Gods inzettingen, dus op Gods Woord, op de prediking en op Gods kinderen;
- het gevoel door onweder (te weten Gods heilige wet en het gevoel van Gods heiligheid) te worden voortgedreven;
- het proberen om God te kunnen behagen, Hem als het ware genoegdoening te geven door een godsdienstig leven vol plichtsbetrachtingen (het verkeren in het ‘werkhuis’);
- het steeds dieper ontdekt worden door de wet aan totale verdorvenheid, verlorenheid, doemwaardigheid en onmacht, en
- het kennen van een biddend, zuchtend, tobbend, klagend leven (let wel: met betrekking tot de geestelijke staat!)
Door het voorstellen, aangeven en beschrijven van deze kenmerken van de toeleidende weg, kan men zich toetsen of men deel heeft aan het nieuwe leven. In de regel wijst men er dan wel op dat ze naar meer moeten staan of dat er meer te verkrijgen valt. Zij die zich op de toeleidende weg bevinden, de bekommerden in de gemeente, worden dan enerzijds vertroost als ze zich in de kenmerken mogen herkennen, maar anderzijds ook erbij bepaald dat het verder moet, want ‘de pijl ligt verder’.
Het beschrijven van de toeleidende weg heeft meestal echter ook nog een andere functie, namelijk om het kostelijke van het snode te onderscheiden. Opnieuw is sprake van separatie maar met een andere bedoeling. Zo snijdt het separatiemes dus aan twee kanten!
Een predikant die niet separeert in prediking en pastoraat wordt veelal beschouwd als onrechtzinnig en oppervlakkig. Soms moet bovendien geconstateerd worden dat naarmate deze separerende functie een grotere rol speelt in de prediking, en dan hoofdzakelijk vanuit de intentie om de huichelaar te ontmaskeren, de predikant als meer rechtzinnig beschouwd wordt. Of dit euvel - er valt namelijk nogal wat op een dergelijke conclusie af te dingen12) - te wijten is aan de predikers danwel aan hun hoorders laat ik in het midden.
Ook moet hier nog opgemerkt worden dat predikanten die in prediking en pastoraat de toeleidende weg een plaats geven, over het algemeen erkennen dat Gods bekommerde volk tengevolge van het preken van de toeleidende weg weleens teveel verstrikt zouden kunnen raken in een gestaltelijk, gemoedelijk leven, een leven uit en op allerlei kenmerken. De Heere Zelf draagt echter zorg voor Zijn werk en stoot hen op Zijn tijd weer van dit gestaltelijke leven af, om ze bij vernieuwing weer in de engte te drijven. Bovendien wijzen de meeste predikanten erop dat het wel verder moet. Ook hier geldt echter weer dat de één dit meer doet dan de ander.
Tot slot nóg enkele citaten die ons inzicht kunnen geven in de wijze waarop de toeleidende weg aandacht krijgt in prediking en pastoraat.
-
”Maar wat zegt Christus dan van hen? Hij zegt dat ze zalig zijn! Zalig?
Die mensen die klagen vanwege hun ongeluk? Hoe kan men nu een arme zalig
spreken? Toch zijn deze armen zalig, want de getrouwe en waarachtige Getuige
zegt het.
Ja maar, de Heere zal wel bedoelen dat ze zalig zullen wórden! Zeker, dat zullen
ze, maar de Heere bedoelt ook dat ze het reeds zijn. In de grondtekst staat dan
ook niet dat ze zalig zullen worden, of dat ze zalig zijn, daar staat slechts:
Zalig de armen van geest!
Ja, zij zijn zalig, want zij hebben deel aan het werk van de Zaligmaker. Hij
heeft voor hen die zaligheid verworven en past die hen toe. Zo kwam het dat zij
hun armoede leerden kennen en dat ze als armen bij Hem terechtkwamen.
Ze zijn zalig, ook in de belevingen des harten. Immers, als de Heere hun ogen
opent voor eigen ongeluk, zien ze tevens het geluk van Gods kinderen. En als ze
daarop letten, dan kan het gebeuren dat ze wenend uitroepen: Hoe zalig is toch
het volk dat het geklank kent.
En als ze dat zeggen, smaken ze zelf al iets van de zaligheid, ook al kunnen ze
het er niet voor houden. Doch de tranen die ze schreien vanwege hun gemis en
armoede, zijn zoeter dan de vreugde der wereld. En ze zouden die niet willen
ruilen voor de rijkdom van de wereld, al moeten zij zich veroordelen en God
rechtvaardigen. Toch zouden ze het heimwee, dat hun hart vervult, niet graag
missen.
Ja, in het zoekend bidden en bedelend leven ligt al iets van de zaligheid.”
[Ds. J. van Haaren, De vreugde uws heils; fragment uit de 31e meditatie, 128]
-
”Maar nu gaat Hij het leven, dat Hij verwierf ook toepassen door Zijn
Geest en Woord, aan al degenen die Hem van de Vader gegeven zijn. Hij wekt Zijn
volk op uit de geestelijke dood. Dan worden zij het leven in Hem deelachtig, een
ander leven dan zij van nature leefden.
Zij krijgen God lief, Zijn geboden en inzettingen en volk; zij zouden wel
volmaakt voor God willen leven en de zonde wordt hen de dood.
...
Dit nieuwe leven openbaren zij in de vruchten in het haten van de zonden en in
het beminnen van God en Zijn geboden. Kent u de eigenschappen van dat nieuwe
leven, of zijn ze u nog vreemd? Hoe diep ongelukkig als wij dit nog missen en
leven zonder God en Christus naar de eeuwigheid.
Vlei uzelf niet met drogredenen, ontleend aan uw opvoeding of aan indrukken, die
gij misschien wel eens in uw hart hebt. Dat de Heere u de noodzakelijkheid van
de vernieuwing des harten lere kennen. Immers buiten de vernederde en verhoogde
Verlosser is er geen zaligheid. Daar heeft Gods volk iets bij aanvang van leren
kennen, toen God hen de blinde zielsogen opende en zij aan hun Godsgemis werden
ontdekt. Meer nog, toen de Heere hen aan hun dood- en doemstaat ontdekte.”
[Saambinder, 7 mei 1992, 70e jaargang, nr. 32; uit meditatie van ds. W. Hage]
-
”Het nieuwe leven echter valt terstond op naar buiten. Dan moeten
vrienden verlaten worden. Dan wordt de breuk in de ziel ervaren. Dan zoekt men
de gezelschappen der vromen en de rechte ontdekkende waarheid. Het gaat immers
op een eeuwigheid aan. Ons wufte kleed brandt dan aan ons lichaam. Onze gekapte
hoofden veroordelen ons. De dag des Heeren wordt ons bovenmate lief. Onze plaats
in Gods huis is dan dierbaarder dan welke plaats ook op de wereld. Onze oren
zijn geopend om leven en dood te onderscheiden. (De separatie functioneert hier
onder andere als middel om te reageren op wereldgelijkvormigheid, HvR.)
[Saambinder, 2 juli 1992, 70e jaargang, nr. 40; uit meditatie van ds. P. Blok]
- ”Het geloof en de liefde wordt in de wedergeboorte geschonken. Van nature hebben wij dat niet. Door onze diepe val in Adam is het dat wij God niet geloven en liefhebben. Door het geloof krijgen zulken te geloven dat God God is en vallen Hem toe in Zijn recht. Zij leren zich schuldig kennen. Door de wet is de kennis der zonde. Maar ook door de liefde Gods krijgen zij God lief, kunnen zonder Hem niet leven. Het gemis aan Hem doet hen met droefheid naar God vervuld zijn. En een begeerte om te doen wat Hij in Zijn Woord gebiedt. Zij krijgen lief Zijn Woord, dag, huis en volk. Doch met dat al is Christus verborgen.” [Saambinder, 27 augustus 1992, 70e jaargang, nr. 47; uit meditatie van ds. Chr. van der Poel]
De kennis van Christus vóór de bewuste rechtvaardigmaking
De wijze waarop men binnen de rechterflank over het algemeen spreekt over de kennis van Christus voor de bewuste rechtvaardigmaking, vloeit geheel voort uit het onderscheid tussen de dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking door het geloof. Vandaar dat ik er een apart onderdeel aan dien te wijden.
In de dogmatische toelichting van de vijf trappen van de rechtvaardigmaking zagen we dat in de theologie van de rechterflank het zwaartepunt gelegd wordt bij de wedergeboorte in engere zin, dus bij de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof in de wedergeboorte. In de wedergeboorte toch vindt de staatsverwisseling plaats, wordt de zondaar van dood levend gemaakt en ingeplant in Christus. Wie wedergeboren is, is gered. Echter, pas in de bewuste rechtvaardigmaking ontvangt de wedergeborene de bewuste, vaste zekerheid van zijn aandeel aan Christus. Zoals al meermalen gezegd, komen weinig van Gods kinderen tot deze bewuste zekerheid dat al hun zonden vergeven zijn. Daarmee komt een moeilijkheid om de hoek kijken. Zonneklaar blijkt namelijk uit de Heilige Schrift - men leze slechts de evangeliën en de brieven van de apostel Paulus - dat het geloof niet alleen is een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houdt, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus’ wil. [Heid. Cat., zo. 7, antw. 21].
Nu heeft men wel gesteld dat in de wedergeboorte dit ware geloof in het hart wordt uitgestort in de zin van geloofsvermogen, maar men begrijpt dat deze geloofshebbelijkheid wel tot dadelijkheid moet komen wil men ècht kunnen spreken van geloof. Met andere woorden, als de drie geloofsvermogens - kennis, toestemmen en vertrouwen - niet enigszins zichtbaar worden in het leven, kan men op schriftuurlijke gronden nimmer spreken van geloof, vooral niet als het vertrouwen ontbreekt waar zondag zeven uit de Heidelberger over spreekt. Dan immers zou men een verondersteld geloof moeten leren en slaat men dezelfde weg in als Abraham Kuyper.
Dit leidt ertoe dat men aan de ene kant stelt dat het zwaartepunt ligt bij de wedergeboorte, maar tevens leert dat in het leven van Gods kind sprake moet zijn van enig geloofsvertrouwen in de zin van de zojuist aangehaalde zondag 7 om te kunnen sterven. Want om dit laatste gaat het ten diepste. Wanneer kan u sterven? Wat is daarvoor nodig? En hoezeer men dan ook het zwaartepunt legt bij de staatsverwisseling of wedergeboorte, men zal binnen de rechterflank toch niet stellen dat een wedergeboorte zonder enige vorm van Christuskennis genoeg is om te kunnen sterven. De Christuskennis is daarmee naast de wedergeboorte een tweede criterium. Een opmerking als hieronder, moet in die context gezien worden:
“Zo kan het
dus, dat iemand wedergeboren is zonder dat Hij Christus kent, maar niet dat
iemand weet wedergeboren te zijn zonder dat hij Christus kent!”
[ds. Meeuse, Christuskennis en de toegang tot het Heilig Avondmaal, 50]
Het zal u waarschijnlijk wel opgevallen zijn, dat er zojuist gesproken werd van de noodzaak van enige Christuskennis. Het woordje enige speelt inderdaad een wezenlijke rol. Enige Christuskennis bleek naast de wedergeboorte nodig om te kunnen sterven. Dit wil zeggen dat er dan sprake moet zijn van enig geloofsvertrouwen. Er is niet veel hiervan nodig maar toch wel iets, begrijpt u?
Deze gedachtengang is een heel logisch voortvloeisel uit het onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking. In het vorige hoofdstuk, waar ik de theologische en pastorale motieven achter de vijf trappen van de rechtvaardigmaking besprak, concludeerde ik dat men dit onderscheid onder andere aangebracht heeft om de heersende praktijk van geloofsonzekerheid theologisch te kunnen funderen èn er zo goed mogelijk bij aan te kunnen sluiten. Men constateert dan dat er naast de weinig verzekerden nog een (veel grotere) groep is die niet meer in de wereld kan leven maar zich ook niet durft te rekenen bij Gods volk. Deze groep mensen kent verder een leven waarin tal van geestelijke werkzaamheden voorkomen. Deze werkzaamheden zijn kenmerkend voor het geestelijke leven. Ze weten echter niet of ze rechtvaardig zijn, of hun zonden vergeven zijn en of Christus’ gerechtigheid hun gerechtigheid is. Binnen de rechterflank wil men over het algemeen deze mensen, naar de aard der liefde, tot Gods volk rekenen, zoals G. Wisse ergens ook zegt in Uit het zieleleven. We zagen al dat de onderscheiding tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking hieraan dienstbaar is. Immers, dit onderscheid heeft onder andere als consequentie dat de toeleidende weg en haar kenmerken een plaats krijgen in prediking en pastoraat. Zo is nu ook de wijze waarop men spreekt over de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking een logisch voortvloeisel uit het hierboven genoemde pastorale motief dat ten grondslag ligt aan het onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking. Enerzijds is Christuskennis noodzakelijk om te kunnen sterven, maar anderzijds probeert men ook in dit stuk de onverzekerden zo ver mogelijk tegemoet te komen. Hoe? Door te stellen dat Gods Woord de zaligheid niet alleen belooft aan hen die een “verzekerd” of “bevestigd” geloof in Christus hebben, maar ook aan zulken die de een toevluchtnemend geloof hebben. Onder dit toevluchtnemend geloof verstaat men een geloof dat naar Christus en naar Zijn gerechtigheid hongert en dorst, een geloof dat zich in elk geval richt op Christus. In zekere zin kan dit natuurlijk ook gezegd worden van een verzekerd geloof. Het onderscheid zit echter hierin, dat de toevluchtnemende gelovige het vertrouwen mist dat Christus de zijne is en hij van Christus, dus dat zijn zonden vergeven zijn. Men verwijst in dit verband vaak naar Ruth, die wel de toevlucht nam tot Boaz maar nog geenszins wist of Boaz de hare zou worden, haar zou trouwen.
Tussen de wedergeboorte en de bewuste rechtvaardigmaking staat dus het zogeheten toevluchtnemend geloof. Dit richt zich wel op Christus maar mist de bewuste verzekering van de vergeving der zonden. Het komt niet verder dan een hongeren en dorsten naar Christus.
Hier moet natuurlijk wel de vraag gesteld worden waarin het vertrouwen als noodzakelijke geloofsdaad bestáát in het toevluchtnemend geloof. Zonder vertrouwen toch is er geen sprake van geloof!
Ik meen dat wij in deze maar weer het beste kunnen luisteren naar wat ds. G.H. Kersten in deze schreef in zijn Gereformeerde dogmatiek en wat ik hiervoor al eerder aanhaalde, namelijk dat in elke geloofsoefening vertrouwen aanwezig is, te weten “in bedekking van de zonde; in de opening van het Evangelie; in het smaken van de liefde en van den vrede Gods...”13) Ik moet hierbij wel aantekenen dat de zaken die ds. Kersten hier aangeeft eigenlijk geen vertrouwen genoemd mogen worden. Ds. Kersten rekent hier zaken onder het vertrouwen die behoren tot het gevoel. Dit is een wezenlijke misvatting waar ik in deel twee nog op terug kom. In elk geval stelt Prof. Wisse het juister. Hij schrijft ergens in De drie gezellinnen op de pelgrimsreis dat het de aard van het toevluchtnemend geloof is om uit te gaan tot Christus. De auteur van dit toevluchtnemende geloof, de Heilige Geest, werkt in het hart van de wedergeborene zogenaamde uitgaande daden. De ziel strekt zich hierdoor uit naar Christus. De Heere laat Zich hierop vaak niet onbetuigd en laat de betreffende ziel iets van Zijn schuldvergevende liefde in Christus ervaren oftewel... één van de zaken beleven die ds. G.H. Kersten noemde. Deze zaken volgen op het beoefende toevluchtnemende geloof en maken geen deel uit van het toevluchtnemende geloof zelf. Het vertrouwen bestaat bij het toevluchtnemende geloof dus ergens anders in. Ds. Moerkerken onderscheidde in dit verband eens tijdens een preek over zondag 23 (Gouda, voorjaar 1989) een zwakke en een sterke greep op Christus. Waarschijnlijk bedoelde hij toen hetzelfde als ds. Meeuse in Christuskennis en de toegang tot het Heilig Avondmaal, die hierin ergens schrijft dat in elke geloofsoefening een zekere mate van toeëigening is.
Theologisch gezien vallen hier nogal wat vragen te stellen. Ik laat deze problematiek echter maar even voor wat het is. In deel twee komen we er nog uitgebreid op terug.
Nu is het tijd om te gaan bekijken hoe men binnen de rechterflank denkt en spreekt over de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking. Daartoe richten wij ons op onderstaande citaten. Ik meen namelijk dat deze zeer illustratief zijn voor de wijze waarop men in de rechterflank over het algemeen spreekt en denkt over de Christuskennis voor èn in relatie tòt de bewuste rechtvaardigmaking. Een bespreking van deze citaten zal dus verhelderend kunnen werken in deze. Leest u ze eerst echter rustig door. Ongetwijfeld ontdekt u zelf reeds de rode pastorale draad.
1.
"Weet u wat nu zo noodzakelijk is? Dat er een tijd in ons leven komt, dat
bemoedigingen, vertroostingen en onderwijzingen, die we uit Gods Woord
ontvangen, ons niet meer helpen kunnen. Als we meer dan ooit verstaan tegen een
heilig, rechtvaardig en goeddoend God te hebben gezondigd, Die de schuldige
geenszins onschuldig houdt. (...) Is er nog een middel om de welverdiende straf
te ontgaan en wederom tot genade te komen?
Wat is het dan een onvergetelijk ogenblik als voor het eerst in het leven die
Parel van grote waarde - al is het slechts door de traliën van het Woord -
ontdekt wordt.”
[Saambinder, 6 februari 1992, 70e jaargang, nr. 19; uit meditatie van ds. L.
Blok]
2.
"Wanneer het in het hart wordt afgeschreven: Ik voor u daar gij anders de
eeuwige dood had moeten sterven, wat een heerlijke glans krijgt dan deze Parel.
Hoe kan het begeren dan levendig gaan worden in de ziel die Parel van grote
waarde ook te mogen bezitten. Zien is immers groot, maar bezitten is meer.
Wat een bekommering verwekt dat in het hart. Hoe wordt ik de rechtmatige
bezitter van deze Parel? (...) Wat is het een uitnemend voorrecht als de Heere
in het leven van de ware parelzoeker altijd maar weer terug brengt bij zijn
onverzoende schuld voor God en zo te meer de noodzakelijkheid doet verstaan om
nu ook te komen tot de wettige koop.” (De wettige koop wijst weer naar de
bevinding van de bewuste rechtvaardigmaking, HvR.)
[Saambinder, 13 februari 1992, 70e jaargang, nr. 20; uit meditatie van ds. L.
Blok]
3.
"Als verlorenen komen wij in het stof terecht, bekennend onze
ongerechtigheden, maar ook smekend om genade. En wat wordt het dan een wonder,
als het welbehagen Gods verklaard wordt en wij op Hem gewezen worden, Die kwam
om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. Wat een ruimte zien we dan in
Hem tot behoud. Maar wat valt er dan ook licht over ons leven...”
[Saambinder, 27 februari 1992, 70e jaargang, nr. 22; uit meditatie van wijlen
ds. J. van Haaren]
4.
"In zichzelf wordt het een omkomend volk dat rechtvaardig verloren moet
gaan en Gods rechtvaardigheid mag toevallen. (...)
Zulken wordt de weg ter ontkoming geopend
(...)
Eeuwig wonder, als Hij ontdekt wordt als de Weg, de Waarheid en het Leven. Als
Hij Zich gaat verklaren in Zijn toezeggingen en nodigingen aan dorstigen naar
het water des levens, als vermoeiden en belasten. Als Hij meer en meer
noodzakelijk, gepast en dierbaar wordt in de gangen van Zijn vernedering (...)
Velen hebben wel eens iets van Zijn heerlijkheid aanschouwd maar kennen Hem niet
in de toepassing van Zijn gerechtigheid.”
[Saambinder, 5 maart 1992, 70e jaargang, nr. 23; uit meditatie van ds. M.
Mondria]
5.
"Neen, zijn we in Hem, met Hem gestorven en opgestaan? Met Christus
gekruisigd en met Hem opgestaan tot een nieuw leven.
Maar weet al Gods volk dit dan? O, integendeel. Juist die vraag kan de
bekommerden in Sion dag en nacht bezighouden. Ze kunnen en durven niet te
ontkennen dat God naar hen heeft omgezien. Door de ontdekking van de Heilige
Geest zijn ze een dood- en doemwaardig zondaar voor God geworden.
Uit de verlorenheid in zichzelf en klagend met de dichter: Ik heb gedaan, wat
kwaad was in Uw oog (...) Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig; mochten
ze iets gaan zien van hetgeen God heeft gedaan tot redding en zaligheid van
verloren Adamskinderen. Aan ‘t eind gekomen zijnde met zichzelf en uit hun eigen
werk uitgezet werd er plaats gemaakt voor het werk van een Ander. Wat wordt
Jezus en Zijn werk dan dierbaar voor de ziel.
O, ook zulken mogen wel eens uitroepen: Christus is het. En naarmate dat Gods
Geest ontdekt, krijgt die Christus steeds meer waarde en heerlijkheid voor de
ziel.
(...)
We zijn in de diepste wortel vijanden van het kruis van Christus en willen niet
zalig worden door een bespotte, bespuwde en verachte Christus.
Tenzij we onder de persingen van Gods heilig recht van alle gronden worden
afgedreven.” (dit is de weg naar de bewuste rechtvaardigmaking, HvR)
[Saambinder, 16 april 1992, 70e jaargang, nr. 29; uit meditatie van ds. A.F.
Honkoop]
6.
"Welk een wonder van Goddelijke Genade als de Geest onze ogen opent voor
deze van God gegeven Middelaar, als Hij in onze nood en verlorenheid een
Zaligmaker toont, Die waarlijk redden en bevrijden kan. De Heilige Geest wordt
ook de Geest des Geloofs genoemd, omdat Hij geloof schenkt om op Christus te
zien. O, Hij wekt, net als Eliëzer bij Rebekka, de begeerte op in het hart naar
de meerdere Izak. Maar Deze doet meer dan Eliëzer. Hij toont niet alleen de
schatten van de meerdere Izak, Hij schenkt ook de hand des geloofs om ze te
ontvangen. Ja, niet alleen de schatten, Hij maakt Christus door een waar geloof
deelachtig, waardoor de Kerk des Heeren komen mag tot de zalige wetenschap “dat
ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijn, maar mijns
getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben”.
Gelukkig de mens die tot deze geloofswetenschap komen mag. Daarin is de Heere
eeuwig vrij. Vele kinderen des Heeren mogen wel de gaven en schatten van de
Levensvorst genieten, proeven en smaken, maar durven niet met Luther te spreken
van “Heere Jezus, Gij zijt mijn gerechtigheid en ik ben Uw zonde. O, zalige
ruil: Hij zo rein en ik zo vuil”.
(...)
Hoe doet Hij dat, hoe troost Hij dan?
Wel, door te midden van de strijd en het bewenen van de schuld de ogen te openen
voor de dierbaarheid en de algenoegzaamheid van Christus door in het hart de
kracht en de heerlijkheid van Christus bloed te doen gevoelen, door de beloften
van het Evangelie toe te passen en levend te doen zijn (...)
Hij is ook de Schenker van de Enige Troost in leven en sterven. Welk een Troost
is dat! Het is een zalig weten en bedenken, gelegd in het schuldige hart, dat er
tegenover die grote schuld een gerechtigheid is die al mijn schuld bedekt (...)
Hoe wordt dan de ziel getroost! Dan ontvangen we de verzekering van ons aandeel
in Christus, ontvangen we een geheiligd recht op de erfenis, want kinderen zijn
erfgenamen. Ja, dan gaat deze Geest getuigen met onze geest dat wij kinderen
Gods zijn.”
[Saambinder, 4 juni 1992, 70e jaargang, nr. 36; uit meditatie van ds. B. van der
Heiden]
7.
"Een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot
zaligheid. Maar zalig worden wordt van onze kant zo’n onmogelijkheid. Met soms
wonderlijke uitreddingen en zoete vertroostingen of het van de daken horen
prediken, wat er in het hart leeft geeft geen bestaansrecht voor God. Met al
onze betrachtingen wordt de rechtvaardige vervloeking beleefd. Zijn doen is
rein, Zijn vonnis gans rechtvaardig. Maar dat is ook hetzelfde geloof van het
oude en nieuwe testament, dat plaats maakt voor de ene Naam, en die deze Naam
dan ook gaat openbaren. Het wordt een ontdekking van iets, dat we eigenlijk van
kindse jaren al wisten, maar nooit beleefden. Een weg, van eeuwigheid reeds
uitgedacht, dat er toch een mogelijkheid van zalig worden is, maar dan buiten
ons in een Ander. (...) Die in Hem gelooft, zal vergeving van zonden ontvangen.
Daar gaat het immers om. Dat is immers hetgeen die breuk veroorzaakt heeft. Hoe
rijk is dan die prediking en hoe zoet zijn dan die onderwijzingen. Alles, dat
vroeger op de catechisatie geleerd werd kan dan zo’n bijzondere inhoud krijgen.
Elk van Zijn namen worden dan zo vol inhoud (...) De ambten van Die Middelaar
zijn zo wonderlijk en allen afgestemd om afgezette ambtsdragers in die
bondsbreuk in Adam weer te herstellen in die oorspronkelijke staat (...) Zijn
naturen zijn dan geen dogmatische constructie meer, maar het krijgt zo’n hoge en
diepe waarde (...) Zijn staten zijn als een fontein van verwondering, als de Heere het opent en toepast. Hoe dierbaar is Hij dan, maar hoe wordt Hij ook
noodzakelijk om in Hem geborgen te zijn.
Vergeving van zonden is een grote weldaad en menigeen van Gods kinderen, die
rijk getuigenis kunnen geven van de schoonheid die aan Hem gevonden wordt, gaan
bekommerd over de aarde. Die kunnen het zo maar niet pakken. Die zijn niet
gearriveerd met al de weldaden, die ze ontvangen hebben. Want het moet toegepast
worden.”
[Saambinder, 11 juni 1992, 70e jaargang, nr. 37; uit meditatie van ds. P.
Honkoop]
8.
"De bruid zegt: “Mijn liefste!” Zij was ervan verzekerd, dat zij deel had
aan Hem. Er zijn bekommerde zondaren, die dat missen. Zij kunnen niet
ontkennen, dat zij in hun verlorenheid de ruimte buiten hen in het Evangelie
hebben gezien. Zij weten van die tiende ure, toen voor het eerst het licht viel
op de Persoon van de Zaligmaker. Maar die volle verzekerdheid, dat zij deel
hebben aan het werk van Christus, missen zij.
(...)
Maar dat wil niet zeggen, dat bekommerde harten nooit eens stamelen: “Mijn
Liefste.” Hij is de Bruidegom van heel Zijn gemeente. En als Hij Zich in Zijn
liefde tot de ziel uitlaat, dan wordt er gestameld: “Mijn liefste.” Als Zijn
heerlijkheid blinkt vanuit het Evangelie, als Hij het hart inneemt, dan is het
van binnen zo vol , dat het wel eens over de lippen komt: “Mijn Liefste.” En dan
worden wij later weer bestreden en vragen ons af, hoe wij het hebben durven
zeggen, omdat wij die verzekering missen. Maar op dat ogenblik kon het lijden.
Toen was het vol van binnen.”
[Saambinder, 13 augustus 1992, 70e jaargang, nr. 45; uit meditatie van ds. J.J.
van Eckeveld]
9.
"Doch met dat al is Christus verborgen. Daar valt een betrekking op een
Drieënig God. Zeker, maar zij hebben geen enkel onderscheid. Zie, daar maakt de
Heilige Geest plaats voor in het hart, snijdt ze af van de werken der wet en
verklaart Christus tot zaligheid hunner ziel. Hij is het einde der wet een
iegelijk die gelooft.
Ook is er een opwas in de kennis van Christus. Naar Gods vrijmacht leert de één
van Gods volk daar meer van als de ander. Gelukkig, wiens leven in Hem ligt en
die in zichzelf alleen de dood vinden en die uit Hem mogen leven.”
[Saambinder, 27 augustus 1992, 70e jaargang, nr. 47; uit meditatie van ds. Chr.
van der Poel]
10.
"We leren een verhoogde Middelaar niet recht kennen buiten de kennis van
een vernederde Middelaar om. Over een verhoogde Middelaar horen velen liever
spreken dan over een vernederde Middelaar. En och, zo ligt het in ons aller
hart. Dat is ook bij de discipelen wel duidelijk gebleven. Een weg van
afsnijding zoeken en begeren we uit onszelf niet. We kunnen ook al wel veel
dierbaarheid gezien hebben in het lijden van de Borg. Er kan daarin al zoveel
van Zijn liefde aan ons geopenbaard zijn. Maar daarmee hebben we de liefde des
Vaders nog niet recht gezien in het lijden van de Borg. Die liefde openbaarde
zich zo uitnemend door een weg waarin Hij Zijn recht handhaafde door Hem af te
snijden uit het land der levenden. (...)
Als Hij Zich na Zijn opstanding aan Zijn discipelen openbaarde, moest Hij Zich
echter steeds aan hen bekendmaken. Daarin is ook duidelijk te zien, hoe de
kennis van een verhoogde Middelaar zo van een kennis van een vernederde
Middelaar onderscheiden is. Daarom moest er ook meer gebeuren. Christus moest
heengaan tot de Vader en Hij moest Zijn Geest hun schenken vanuit de hemel.
(...) Zo zouden de verborgenheden van Gods eeuwige raad ze pas recht worden
ontsloten. Ja, zo zouden ze een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen. Dat
beweeglijk, tastbaar en gevoelig koninkrijkje moest daartoe voor hen wegvallen.”
[Wachter Sions, 10 september 1992, 40e jaargang, nr. 2; uit “Antwoord per
brief”}
11.
"Waar nu alle hoop mij gans ontviel en niemand zorgde voor mijn ziel. Dan
wordt het wonder van souvereine genade ontdekt en verklaard. In die weg ontsluit
zich dat eeuwige wonder: “En het Licht schijnt in de duisternis”. Daar ontsluit
zich het Evangelie van vrije genade. Daar ontdekt Zich de Fontein, Die geopend
is voor den huize Davids en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonden en
tegen de onreinheid. Dat Licht verdrijft alle duisternis en geeft vrolijkheid en
licht in de ziel. Daar ontsluit zich het wonder voor een verloren zondaar in de
behoudenis en dat enkel en alleen in het vlees geworden Woord.”
[Wachter Sions, 11 februari 1993, 40e jaargang, nr. 24; uit meditatie van ds. W.
Verhoeks]
12.
"Zij hadden een dierbare kennis van het Profetische ambt van Christus,
doch als Priester en Koning moest Hij Zichzelf nog aan hen gaan verklaren.”
[Wachter Sions, 6 mei 1993, 40e jaargang, no. 36; uit meditatie van ds. W.
Verhoeks]
13.
"Zo kan het in de bekommerde stand van het genadeleven wel vele malen de
vraag van de ziel worden: hoe kom ik van de schuld verlost? Maar hier moet een
volk dat na de vrijmaking der ziel de heiligmaking wel bewust leert beoefenen,
met de apostel uitroepen: ik, ellendig mens, (...) Hoe raak ik dus van mezelf
verlost?” (Ds. Mallan rekent dus Gods volk dat voor de bewuste
rechtvaardigmaking staat tot de bekommerde stand van het genadeleven, HvR.)
[Uit het zieleleven, ds. F. Mallan, 82]
14.
"Er is een tijd in het leven van Gods volk, dat de vrucht van die
gelovige aanschouwing van Christus zo zielsvervullend en verzadigend is, dat ze
daar geheel en al hun leven in vinden. En als ze dan de uitlatingen Zijner
liefde weer eens missen moeten, dan gaan ze met een levende zieledorst weer naar
Hem uit, opdat ze Hem weer eens zullen mogen vinden en het hart door Zijn liefde
weer eens gevoelig naar Hem zal worden heengetrokken. O, welk een zoete tijd,
waarin de ziel Hem bij het gemis van Zijn gevoelige tegenwoordigheid zo
hartelijk en welgemeend achteraan mag schreien, om toch nog weer eens iets van
die liefde te ervaren.
Maar er komt toch een tijd, dan neemt zulk een leven een einde voor de ziel. In
de discipelen hebben we daar een duidelijk voorbeeld van.”
[Uit het zieleleven, ds. F. Mallan, 49]
15.
"Wanneer er bijvoorbeeld in een weg van aangename zielsgestalten en
vruchtelijke genietingen wordt opgebouwd, dan is de vrucht daarvan, dat men een
gemeente met een gemoedelijke inslag krijgt, waarin de meesten met enige
openbaring van de weg der verlossing geholpen en klaargekomen zijn (...) Men
kan eens even in de prediking hebben doorgetrokken, maar eer ge de kerk uitgaat
zijt ge met een geopenbaarde Middelaar weer in het zadel gezet. Hoe zou dat ook
anders kunnen, want waar men zelf nooit recht zijn leven uit verloren heeft,
daar kan men een ander ook niet de dood in preken. Als men maar recht zelf met
de dierbaarste kennis van de Persoon des Middelaars in de breuk geplaatst was,
dan zou de vrucht nog wel anders zijn (...) Op dat alles ziende, kunnen we het
niet genoeg op prijs stellen, als we onder een prediking verkeren, waarin
gedurig een onvervuld gemis aan onze zijde overblijft (...) Och, wat dat betreft
is er toch ook weinig doorgaand werk te bespeuren.”
[Uit het zieleleven, ds, F. Mallan, 45 en 46]
16.
"En hierbij behaagde het den Heiligen Geest om het Evangelie te openen en
dien gezegenden Christus met Zijn heilsgoederen voor mijn afgetobde en geslaafde
ziel onder de wet en mijn eigen doode werken te openen. O Marie, wat ik hierin
zag en ontmoette is nooit weer te geven. Ja, ik mag wel zeggen, dat alles wat
voor een doemschuldig, melaatsch, onrein en onheilig zondaar noodig is in leven
en in sterven.
Ik smolt weg van aanbidding en bewondering, maar ik bemerkte toch onder dit zien
des geloofs, dat ik Hem met dit zien nog niet had met Zijn heilsgoederen, Maar
mijn ziel had zoo een vertrouwende toevlucht gekregen tot Zijn Persoon en
heilsgoederen, dat ik ze zoo hoog schatte, als ik ooit verwaardigd mocht zijn,
om die geschonken te worden, zou ik voor eeuwig gelukkig zijn. Nu had ik wel
geloof om het in Hem te zien, maar geen geloof om het te mijnen.”
[Onderscheidene gangen des geestelijken levens van des Heeren volk, Pleun Kleijn,
102]
Naar aanleiding van deze 16 citaten wil ik in tien punten aangeven hoe men in de rechterflank denkt en spreekt over de Christuskennis voor en in verhouding tot de bewuste rechtvaardigmaking. Het spreekt daarbij voor zich dat de citaten hier een illustrerend karakter hebben. Bij het samenstellen van de tien conclusies betrok ik natuurlijk veel meer gegevens. Raadpleegt u daarvoor de literatuurlijst.
1. Aan de eerste Christusopenbaring gaat een afsnijdingsproces vooraf
Voor iemand voor het eerst een openbaring ontvangt van Christus, breekt er een tijd aan in zijn leven dat de bemoedigingen en vertroostingen die hij op de toeleidende weg ontving hem niet meer kunnen helpen. Men moet eerst in eigen waarneming omkomen, geen middel ter ontkoming aan Gods wraakvorderende gerechtigheid meer zien. Kortom, men moet verloren gaan. Alle eigen betrachtingen worden als volstrekt ongenoegzaam ervaren om met God in het reine te komen. Zalig worden wordt onmogelijk. Op die wijze maakt de Heilige Geest plaats voor de openbaring van Christus.
Samenvattend kunnen we stellen dat men bij het spreken over de (eerste) openbaring van Christus aan de ziel, vaak dit aspect van afsnijding betrekt. De citaten 1, 3, 5, 7, 8 en 11 illustreren dit.
2. De Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking maakt Christus dierbaar
De openbaring van de Middelaar of van de weg ter ontkoming in een Ander leidt er toe dat Christus dierbaar wordt (zie bijv. citaat 2 en 16). Waarom? Omdat men de ruimte in Hem ziet tot behoud. Omdat in Hem de weg ter ontkoming wordt geopend (zie o.a. citaat 3 en 16). Deze twee uitdrukkingen worden overigens heel vaak gebruikt om de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking te typeren.
3. In de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking zijn trappen
Het ene kind van God mag trouwens verder blikken in de weg der verlossing dan de ander, mag meer van Christus’ heerlijkheid zien zogezegd. Zo lezen we in het eerste citaat over het zien van de Parel van grote waarde, “al is het slechts door de traliën van Gods Woord”. Zie hiervoor ook citaat 9.
4. De Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking gaat aan de weldaad van de vergeving der zonden vooraf en wordt er uitdrukkelijk van onderscheiden
Door de openbaring van Christus komt er een betrekking op Hem. Tegelijkertijd leert men echter dat men Hem voor de bewuste rechtvaardigmaking eigenlijk nog niet bezit, dus als eigendom heeft. Wie de Parel van grote waarde ziet, heeft Hem daarmee nog niet (citaat 2, 16). Je kan Christus in Zijn heerlijkheid hebben aanschouwd - en dat is groot - maar Hem nog niet kennen in de toepassing van Zijn gerechtigheid (zie bijv. citaat 4). Een kind van God kan misschien een rijk getuigenis geven van de schoonheid van de Middelaar en toch bekommerd over de aarde gaan. Een geopenbaarde Middelaar is namelijk nog geen toegepaste Middelaar (zie o.m. citaten 7 en 16). Een bedekte schuld is nog geen vergeven schuld. U ziet, men kent vele manieren om dit uit te drukken. De citaten illustreren dit ook. Ik denk in dit verband bijvoorbeeld aan de onder punt 2 genoemde uitdrukkingen waarmee men de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking pleegt te typeren, namelijk als het zien van de weg ter ontkoming in een Ander of het zien van de ruimte in een Ander. Deze uitspraken veronderstellen een zien zonder toeëigenen of ‘mijnen’ (In citaat 16, laatste regel is dit heel duidelijk het geval). Hoe het ook zij, de kern is bij alle uitdrukkingen met betrekking tot de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking steeds hetzelfde: kinderen Gods die wel Christuskennis hebben maar nog voor de bewuste rechtvaardigmaking staan, missen de zekerheid van de vergeving der zonden en behoren daarom nog tot het bekommerde volk (zie citaten 2, 7, 8 en 13). Wel kan er in deze stand van het genadeleven al iets ervaren worden van Gods schuldvergevende liefde in Christus: Dan mogen ze Hem omhelzen, alles in Hem zien en vinden en soms zelfs stamelen: 'Mijn Liefste' (citaat 8).
Deze schuldvergevende liefde is echter nog niet de schuldvergeving zelf. De vergeving der zonden is een weldaad die toegepast wordt in de bewuste rechtvaardigmaking. Vandaar dat men kan zeggen dat Gods kinderen die wel Christuskennis hebben maar nog voor de bewuste rechtvaardigmaking staan, nog over de wereld gaan met een onverzoende schuld (zie citaat 2, 7 en 13). Ten diepste is men nog vijand van het kruis van Christus, van een bespotte, verachte en bespuwde Middelaar (citaat 5). Men heeft voor de bevinding van de bewuste rechtvaardigmaking nog geen kennis aan een vernederde Christus (citaten 4, 5 en 10).
5. In prediking en pastoraat is er relatief veel aandacht voor de weg die aan de eerste openbaring van de Middelaar voorafgaat en weinig aandacht voor de Christuskennis op zich
Er wordt relatief veel nadruk gelegd op de eerste openbaring van Christus. Dit vaak in nauwe samenhang met het onder punt 1 genoemde aspect van afsnijding. Er is dus verhoudingsgewijs veel aandacht voor de wijze waarop de Heilige Geest plaats maakt voor de kennis van Christus. Deze wijze beschreef ik onder punt 1.
Veel minder aandacht is er voor de Christuskennis op zich. De beschrijving van de aard van de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking is veelal summier te noemen en blijft vaak beperkt tot algemene bewoordingen.14) Tekenend in dit verband is dat alleen het zevende citaat vrij uitvoerig ingaat op de aard van de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking. Citaat 16 gaat hier ook vrij gedetailleerd op in, maar het gaat hier om een citaat uit een stichtelijk boek en heeft dus minder uit te staan met prediking en pastoraat.
6. Gods volk dat Christuskennis heeft maar voor de bewuste rechtvaardigmaking staat, bevindt zich meestal in een toestand van geloofsonzekerheid
De stand in het geestelijke leven tussen toeleidende weg en bewuste rechtvaardigmaking heeft een eigenaardig karakter. Men heeft hier aan de ene kant enige kennis aan Christus en daarom (noodzakelijkerwijs) enige vastigheid. Deze vastigheid is echter sterk afhankelijk van de ervaring - namelijk een oog buiten zichzelf te mogen slaan op een Ander - en daardoor heel wankel. Als de heerlijkheid van Christus geopenbaard wordt aan de ziel kan het van binnen vol zijn en wordt iets ervaren van Gods schuldvergevende liefde in Christus. Het kan zelfs lijken of de schuld bedekt is. Is deze (gevoelige) ervaring echter voorbij dan wordt alles weer aangevochten en komt het betreffend kind van God weer in de bekommernis en geloofsonzekerheid terecht (zie o.a. citaat 8). Men leeft in deze stand dus tussen hoop en vrees. Meestal overheersen vrees en onzekerheid. Christusopenbaringen zijn namelijk bepaald geen dagelijks werk! (citaat 8, 13)
7. Gezien het voorgaande wordt het als schadelijk beschouwd als Gods volk in deze stand van het genadeleven tot rust komt
Wel bestaat soms het gevaar dat Gods kind in deze stand van het genadeleven gaat rusten op de ontvangen weldaden of openbaringen. In prediking en pastoraat wordt dit als schadelijk gezien. Het is noodzakelijk om steeds weer bij de onverzoende schuld bepaald te worden (citaat 2, 7 en 15), al hamert de ene predikant daar meer op dan de andere. Wat dit laatste betreft, is citaat 15 veelzeggend! Ds. Mallan keert zich hier onomwonden tegen predikanten die Gods kinderen rust geven buiten de bevinding van de bewuste rechtvaardigmaking om. Dat zijn gestaltelijke predikanten, dus predikers die meer op hebben met gestalten dan met heldere, bewuste en zakelijke Christuskennis. Dat kan ook niet anders omdat ze zelf de bewuste rechtvaardigmaking niet hebben beleefd. We mogen ds. Mallan echter niet te snel etiketteren als vierschaarprediker. Men leze dan nog maar eens citaat 14. Beide citaten komen uit hetzelfde boek!
8. Inzake de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking schenkt men niet alleen veel aandacht aan de afsnijdende weg die aan de openbaring van Christus voorafgaat (concl. 5), maar ook aan deze Christuskennis in relatie tot de bewuste rechtvaardigmaking
Het bovenstaande brengt met zich mee dat men in prediking en pastoraat niet alleen aandacht schenkt aan Christuskennis in relatie tot het afsnijdingsaspect, maar ook aan de Christuskennis in relatie tot de bewuste rechtvaardigmaking. Dit zien we onder andere bevestigd in de meeste hierboven weergegeven citaten.
9. Als men in de rechterflank spreekt over de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking, doet men dat hoofdzakelijk in beschrijvende zin.
Twee dingen vallen daarbij op: de onbekeerden worden er meestal niet bij betrokken en van enig appèl naar Gods volk toe is in deze meestal ook geen sprake. Ook dit wordt ondermeer bevestigd door de hierboven weergegeven citaten.
10. Kenmerken spelen daarbij een grote rol
Tot slot kunnen we stellen dat men ook inzake de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking werkt met kenmerken. Die dienen eveneens als middelen om te kunnen separeren tussen “het kostelijke en het snode”. En ook hierbij geldt dan dat aan dit separeren twee bedoelingen ten grondslag kunnen liggen. Anders gezegd, ook hier kan de separatie naar twee kanten werken:
1. men beoogt er Gods volk in deze stand van het genadeleven mee te troosten;
2. men probeert door middel van deze separatie de huichelaars in de gemeente te ontmaskeren.
(Vergelijk met wat ik hierover schreef in het stukje over de toeleidende weg.)
De weldaad van de vergeving der zonden
In de dogmatische toelichting op de vijf trappen van de rechtvaardigmaking (hoofdstuk twee) werd duidelijk dat men in de rechterflank kan stellen dat de staat van een kind van God van Gods zijde vast ligt voor hij zekerheid heeft over zijn aandeel aan Christus. Dit op grond van de rechtvaardigmaking van eeuwigheid, de rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus en de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof in de wedergeboorte.
Christus’ gerechtigheid wordt door God de Vader aan de uitverkoren zondaar toegerekend of toegeëigend voor er sprake is van geloof. De aanneming volgt op de toerekening en gaat er niet aan vooraf.
In hoofdstuk twee zagen we verder dat Christus in de wedergeboorte in engere zin - in de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof - wordt toegerekend aan de uitverkoren zondaar. Deze wordt door God bekleed met Christus’ gerechtigheid als de Heilige Geest het geloof in zijn hart plant (habitus fidei!). Deze werking van Gods Geest heeft tot gevolg dat de zondaar in Christus rechtvaardig wordt voor God.15)
God spreekt de zondaar vrij van schuld en straf en schenkt de uitverkoren zondaar een recht tot het eeuwige leven.16) Deze daad werpt rijke vruchten af. Gods volk mag deze genieten. Het gaat daarbij om weldaden als:
- vrede met God (de Heilige Geest geeft hiervan getuigenis in het hart);
- de gemeenschap met de Vader in Christus;
- de inwoning van de Heilige Geest in het hart van Gods kinderen;
- de aanneming tot kinderen;
- de heiligmaking;
- de volharding;
- de vrijmoedige toegang tot Christus, etc.17)
Al deze weldaden zijn in bezit van Gods volk.18) Om van deze vruchten echter te kunnen profiteren, dadelijk te kunnen genieten, zijn ze echter volkomen afhankelijk van de werkingen en leidingen van Gods Geest.19)
Hierbij komt - en ik herhaal ook nu maar weer wat ik al eerder schreef - dat in de gelovige aanneming trappen zijn. Ten gevolge hiervan verkeren veel van Gods kinderen soms hun hele leven tussen hoop en vrees. Dit omdat ze niet zeker weten of hun schuld wel voldaan is en of ze God wel kunnen ontmoeten.20)
Daarom moet Gods volk er naar staan, aldus ds. G.H. Kersten, om gerechtvaardigd te worden “door in het bewustzijn hunner ziel, de vrijspraak des Vaders in Christus te ontvangen in de verzegelende kracht des Heiligen Geestes.”21) Als dit plaatsvindt, wordt de weldaad van de vergeving der zonden - die Gods volk in Christus al had ontvangen - daadwerkelijk toegepast in het leven van Gods kind. Als men in de rechterflank dus spreekt over de weldaad van de vergeving der zonden dan heeft men dus meestal het oog op dit gebeuren.
Men noemt dit over het algemeen de bewuste rechtvaardigmaking. Kenmerkend hiervoor is dat een kind van God heel bewust beleeft dat hij wordt vrijgesproken door God de Vader Zelf, op grond van het volbrachte werk van Christus.
Echter, als men in de rechterflank spreekt of schrijft over de bewuste rechtvaardigmaking dan heeft men niet alleen op het oog hetgeen wàt Gods kind daarin beleeft maar ook hoe hij dit beleeft. Onder de bewuste rechtvaardigmaking verstaat men namelijk een bepaalde uniforme bevinding. Dit betekent dat als God één van Zijn kinderen de vrijspraak bewust laat ervaren, dit kind van God dezelfde dingen beleeft of ervaart als andere bewust gerechtvaardigde kinderen van God. Men heeft in de rechterflank dus de wijze waarop een kind van God tot bewuste geloofszekerheid komt, theologisch-bevindelijk vastgelegd (Hoofdstuk drie, het pastorale motief). Al Gods kinderen die tot bewuste geloofszekerheid komen, maken dus overeenkomende zaken mee. Onder ‘zaken’ moeten we dan bepaalde bevindingen verstaan.
Ik zal proberen aan te geven door welke bevindingen de bewuste rechtvaardigmaking (en de weg die eraan vooraf gaat) gekenmerkt wordt. De volgende vier fragmenten uit de stichtelijke lectuur kunnen ons daarbij helpen.
1.
”Alles getuigde tegen mij. Maandenlang bleef ik in deze benauwde
toestand. De vader, als Rechter in de huishouding der genade, was mij als een
verterend vuur en een wreker van Zijn geschonden volmaaktheden, waarbij ik
sidderde. Christus was mij als verborgen. Innerlijk nam ik met welgevallen de
straf voor mijn ongerechtigheid aan, hoewel mijn ziel heilig bedroefd was bij de
gedachte God eeuwig te moeten missen. In die toestand hoorde ik met het oor der
ziel duidelijk deze woorden: Vader, Ik wil niet dat deze in het verderf
nederdale! Ik heb verzoening gevonden! Mijn zielsoog werd getrokken tot de
allergenadigste Middelaar en ik aanschouwde Hem, die als plaatsbekledende Borg
voor mij ingetreden was. Bij het woord ‘deze’ wees Hij op mij. Hij hield Zijn
doornagelde handen voor aan de Vader bij de woorden: Ik heb verzoening gevonden.
Mijn schuld en zonden werden aanstonds weggenomen en de liefde Gods in mijn hart
uitgestort. Mijn ziel was nu bevrijd en door het geschonken geloof mocht ik
kennelijk (lees: heel bewust, HvR) Christus’ verdiensten tot vergeving en
wegneming van de zonden omhelzen.
Later waren er nog wel diepgaande geestelijke ervaringen, die aan de ‘personele
rechtvaardigmaking’ doen denken, maar ze zijn als een bevestiging en niet als
een herhaling daarvan te beschouwen.”
[Eenvoudig verhaal van Gods menigvuldige reddingen uit de grootste nooden, H.H.
Middel, blz. 25-29, 120; Zie voor dit citaat ook Gerechtigheid als geschenk,
serie Bij-tijds geloven, dr. J. van Genderen, 86]
2.
”Toen ben ik weer verkeerd gaan doen. Onder de wet zocht ik uit de zelve
en uit mij zelf te leven. En nu onder de Evangelische bekendmaking ging ik mij
zelf aanbieden. En hier heb ik weer tien jaar in doorgebracht.
(...)
En zoo heb ik de laatste jaren doorgetobd en gewurmd en ben ten laatste zoo op
‘t droge gekomen en in ‘t dorre komen te zitten, alsof er nooit iets gebeurd
was. Ik kon niet vooruit en kon niet terug en heb als een werklooze mijn onmacht
uit mijn doodsstaat moeten leven. Er lag meer smart in mijn onmacht dan in mijn
werk. Toen is de wet weer krachtig terug gekomen in haar eisch en voldoening in
mijn consciëntie. Toen heb ik van mijn veertigste tot mijn twee en veertigste
jaar in de voorarrestzaal gezeten van de gerichtszaal. Wat ik hieronder beleefd
heb is met geen pen te beschrijven. Ik keek nergens anders in als in een
toegerekend oordeel en een goddelijk gezag. En wanneer de heilige eisch van de
wet toegerekend zou worden, was ‘t met mij voor eeuwig kwijt. Met al mijn vorige
bevinding lag ik gebonden onder den heiligen eisch van de wet en als die
voltrokken zou worden kwam ik in de hel terecht. En als er nog mogelijkheid
geopenbaard werd in die banden des doods, kwam ik weer moed te scheppen, omdat
‘t nog niet voltrokken was.
Op een avond was ik onder zware banden naar bed gegaan, niet om te gaan slapen,
want de dood en de vloek rustten zoo zwaar op mijn consciëntie, dat ik niet kon
of durfde te gaan slapen, daar ik anders in de hel zou wakker worden. Toen ik
een uur te bed lag, kwam de Heilige Geest de misdaden van mijn zonden toe te
rekenen, onder den heiligen eisch van de wet en onder wrekende gerechtigheid. O,
nooit te vergeten ogenblik. Ik wachtte onder een heilige beving niets anders
meer in als om dadelijk voor eeuwig om te komen. Toen viel ik onmiddellijk in de
handen van verzoenende en verlossende genade in Christus Jezus, die mij
onmiddellijk Zijn gezegende vruchten, gaven of heilgoederen schonk, welke Hij
door Zijn lijden gewrocht en verdiend had. De wet in zijn heiligen eisch en
wrekende gerechtigheid en den dood der verdoemenis verdwenen uit mijn
consciëntie en onmiddellijk kreeg ik vrede met God in Christus Jezus in mijn
hart, als een zegel van de rechtvaardigmaking mijner consciëntie. En dat alsof
ik nooit zonden gehad of gedaan had. Toen heb ik mogen verstaan en beleven, dat
de wet mij gebaard of de baarmoeder geweest is in Christus.
Toen ben ik in de bruiloftszaal terecht gekomen en ben ik mogen gaan leven in
geloofsgemeenschap en vereeniging met Hem, uit wien ik uitgevallen was.”
[Onderscheidene gangen des geestelijken levens van des Heeren volk, Pleun Kleijn,
102-104 ]
3.
”Dit duurde weder een vierendeels jaars, gedurig inwendig overhoop
liggende; dit was niet gemakkelijk...
(...)
Dit (namelijk de toestand van verlorenheid, HvR) duurde dag en nacht
(...) ‘t Was op een maandagmorgen als ik opstond...verliezen moet ik mijzelve,
zoo ik hiervan beginne te schrijven, hopende dat de Heere mij zal ondersteunen!
Wie dit zoo niet heeft ondervonden zooals ik, die kan zich niet begrijpen dat er
sterkte toe noodig is. In die weken was het of er een uit den hemel kwam, die
mij bij de hand vatte, en liet mij dingen zien, waarvoor ik tot nog toe blind
was. Zij werden mij echter zoo klaar uitgelegd dat ik mij nog verwonder en
verrukt ben ik gedachte, terwijl ik dit zal schrijven; maar kom, ik zal
beginnen. Het eerste wat ik zag, waren twee heel sierlijke menschen, over wier
sieraad ik mij verwonderde. Nadat ze verdwenen waren, zag ik die twee andere
wederom, hun sieraad was weg en zij waren veranderd in twee bedelaars. Ik moest
vragen: wat is dit? o Heere! wat is dit? Daarop werd het mij uitgelegd, ik moest
mij zelve verliezen, en roepen: “Heere, ondersteun mij toch!” Het was alsof
iemand zeide: “die twee die ik gezien had, zijn Adam en Eva, en dat sieraad dat
zij hadden, is Gods beeld, dat zij gedragen hebben voor den val, geschapen naar
Gods beeld. En dat ik hun naderhand zonder dat sieraad gezien had, waren
dezelfde personen na den val, toen hun het beeld Gods na de overtreding des
gebods ontnomen was. Aan wien dat beeld gegeven was, werd voor mij verborgen;
het gansche menschdom werd mij voorgesteld, maar ik kan niet beschrijven in
welk een gezicht ik daar stond. Het was alsof God in het midden stond als een
vrij God; vrij zonder schuld; en mijne moedwillige ongehoorzaamheid werd door
mij ingezien. Gods rechtvaardigheid vorderde nu het vervallen menschdom voor
eeuwig te straffen; het kon niet anders of God moest van Zijn recht afstaan;
geen ziel kon er in eeuwigheid behouden worden. Daar lagen wij van God
afgevallen! Op dien tijd wist ik even zoo veel van Jezus, als ik nu weet van den
dag waarop ik sterven zal, wel wetende, dat ik bij mijne geboorte reeds
verdoemelijk was voor God. Gods beeld miste ik en daarom was ik de eeuwige
straffe waardig. Gods rechtvaardigheid vorderde dat Hij mij strafte, of de Heere
moest van Zijn recht afstaan; dat kon echter niet en dat wilde ik ook niet; want
ik had Gods rechtvaardigheid zoo lief, en kon die zoo goed keuren. In dat
gezicht stond ik zoo drie dagen.
(...)
Gijlieden zult nu haast hooren hoe ik den Heere Jezus weder in het oog kreeg,
nadat de drie dagen voorbij waren en ik niets als Gods rechtvaardigheid gezien
had. Ik stond toen op de aarde en durfde niet naar den hemel opzien, want daar
zag ik niets dan een heilig en rechtvaardig God, die mij voor eeuwig straffen
moest, en zag naar beneden, hoe ik van de aarde was, waar ik op stond, niets
anders waardig dan dat de afgrond zich opende en mij deed verzinken, denkende,
ook daar zoude ik God moeten loven voor dat hij mij strafte. (...) Als ik dacht
te zinken, was het alsof er iemand achter mij stond, die mij deze woorden
toeriep: “Ziet eens, een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, men noemt
zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid en Vredevorst!”
Toen zag ik God wederom staan als te voren midden in dat vervallen menschdom, en
hoorde deze woorden: “alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen
eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet
verderve, maar het eeuwige leve hebbe. Even zoo lief heb ik u gehad, dat Ik
mijnen eeniggeboren Zoon voor u gegeven heb!” Mijne vrienden! het is mij niet
mogelijk u te beschrijven, de liefde Gods die er toen in mijn hart kwam; om die
uit te drukken, zoude een eeuwigheid noodig wezen. Dit was een liefde Gods des
Vaders, die alle verstand te boven gaat, ja die sterker is dan de dood en het
graf (...) ja, dat was een liefde Gods, waardoor mij alles een eeuwige vrede met
God door Christus toeriep, en ik bevredigend was met een drieënig God, Vader,
Zoon en Heilige Geest. Ik had ook vrede met de engelen in den hemel, die loofden
Hem over mijne ziele!”
[De weg, welken God gehouden heeft met Christina van den Brink geboren te
Vaassen, den 5 januari 1747 en overleden te Apeldoorn den 12 juli 1817, door
haar zelve opgetekend. 30-34]
4.
”Tenslotte gaat men in dat
tuchthuis ervaren, dat men niets meer tot stand kan brengen. Men gaat dan
inleven: “Uit deze boom geen vrucht meer in der eeuwigheid”. Waartoe worden ze
dan allengskens ingewonnen? Voor het rechthuis! Ze gaan van het lijkenhuis naar
het tuchthuis, en van het tuchthuis naar het rechthuis. Dan kan die arme
zondaar, met een geopenbaarde Christus, niet anders zien, dan dat hij voor
eeuwig om moet komen. Met een geopenbaarde Zaligmaker moet hij voor eeuwig
verloren gaan. Met geopenbaard bloed staat hij nog voor eigen rekening. Met een
geopenbaarde Christus is hij nog in een onverzoende staat (...)
Maar elke gerichtsonderhandeling wordt afgebroken door een Borgtochtelijke
waarheid. Als de Borg niet in uw ziel verklaard wordt, is het voor de Vader
onmogelijk u vrij te spreken; en voor de Zoon is het onmogelijk om u vrij te
maken. Nooit ontvangt de kerk een vreemde Borg, maar een geopenbaarde Borg
(...)
Allengskens wint God de Heilige Geest dus zo’n zondaar in voor al de
richterlijke zaken, die in Gods Woord verklaard liggen (...) Ze worden
aangetrokken op het recht, zodat ze soms meer van het recht houden dan van het
evangelie. Ja, het is een geheim, dat men meer houdt van de deugden Gods, dan
van zijn eigen leven; dat men niet anders wenst dan tot de ere Gods te leven,
want dat is alleen het heil der ziele. Men zoekt dan geen Christus, geen bloed
en geen Zaligmaker meer, want men komt daar aan het eind. Men gaat dan biddende
verloren en zoekende komt men om.
Ach, wat wordt dat in onze dagen weinig meer gehoord.
Nu volgt de gerichtspassering. Het woord zegt het al: Passering van het gericht.
U ziet dan uw Rechter klaarder dan u mij met uw natuurlijke ogen hier ziet
staan; u ziet uw Rechter met het oog des geloofs helderder dan dat u mij nu
ziet. Als dit plaats heeft in uw leven, dan bent u er zelf niet meer, de tijd en
de wereld zijn weg. U wordt neergelegd aan het hoogste gerechtshof, en u ligt
verslonden in de eeuwige deugden Gods. U zou daar eeuwig kunnen blijven liggen,
want aan de deugden Gods heeft men genoeg. Dus u hoeft daar nooit meer
weggehaald te worden, want u bent het eeuwig met God eens, eeuwig vereend zijnde
met Zijn doen.
(...)
Geliefden, van het lijkenhuis komen we in het tuchthuis; van het tuchthuis in
het rechthuis en nu gaan we van het rechthuis naar het Vaderhuis. Luister maar.
Die ziel ligt daar volkomen lijdelijk, want in de rechtvaardigmaking doet men
niets meer. In de bekommerde staat steekt men een hand uit en vraagt men om wat,
want een bekommerd mens zoekt altijd en het gaat er bij zo’n ziel om wat te
mogen ontvangen, omdat ze alles mist. In de daad der rechtvaardigmaking
(namelijk de lijdelijke rechtvaardigmaking in de vierschaar van het geweten,
HvR) zijt gij echter geheel uitgewerkt. Gij zijt er niet meer en gij doet niets
meer,. Gij ligt daar geheel lijdelijk. Gij ziet daar uw rechtvaardige Rechter
passeren en aanbidt Hem van ganser harte en van ganser ziele. Gij hebt geen
zucht meer en geen traan meer, geen woord meer en geen gebed meer. Ik kan niet
zeggen, hoe dat is; maar ik geloof, dat hierin verklaard ligt, dat er een half
uur stilzwijgen is in de hemel.
Terwijl gij daar dan nederligt, ziet gij die eeuwige Goddelijke Heere Jezus
(...) achter het recht tussen u en uw Rechter staan. O, Goddelijk mysterie! O,
Goddelijk wonder! (...) Als de Vader dat Lam ziet, dan ziet u Zijn aangezicht in
de dadelijkheid veranderen van een vergrimd in een verzoend aangezicht. En dan
hoort gij die Goddelijke Personen over u spreken. Dan hoort gij Christus spreken
tot de Vader: “Vader, ‘t is waar, deze zondaar heeft de eeuwige verdoemenis
verdiend; hij hoort in de eeuwige verdoemenis. Maar hebben wij samen niet een
Verbond gemaakt en heb Ik de eisen van dat Verbond niet aanvaard? Ik draag Uw
heilige wet, die Gij die doemeling zet, in het midden van Mijn ingewand.” Als
dit nu door het geloof gezien wordt, en gehoord wordt, heeft de vader, al heeft
hij dertien kinderen, geen één kind meer.
(...)
Ze mogen daar in de dadelijkheid bevinden, dat de Vader tot hen zegt op grond
van Zijn dood, Zijn bloed, Zijn gerechtigheid en Zijn offerande: “Dit zal Mij
zijn: Dit Offer, dit bloed, deze dood van Mijn lieve Zoon, deze verdienste van
Mijn Kind, dat ik in eeuwigheid niet meer op u toornen noch schelden zal.”
(...)
Van het rechthuis komen we in het Vaderhuis door de Geest der aanneming tot
kinderen Gods, door dewelke wij roepen: “Abba, lieve Vader!”
[Eerst lammeren, dan schapen, wijlen ds.
Joh. v.d. Poel, 49-54]
Na deze uitvoerige citaten is het niet moeilijk meer om aan te geven welke bevindingen de bewuste rechtvaardigmaking (en de weg die hieraan vooraf gaat) kenmerken. Ik geef ze puntsgewijs aan.
1.
De Heilige Geest overtuigt het betreffende kind van God van het feit dat
de schuld nog open staat en dat een geopenbaarde Middelaar nog geen geschonken
of toegepaste Middelaar is. God bepaalt hem hiertoe krachtig bij het recht dat
nog steeds roept om vervulling, dat genoegdoening of betaling eist. Het
betreffende kind van God ziet God de Vader als een vertoornd Rechter, als wreker
van Zijn geschonden deugden.
We zouden dit een verdieping van de ellendekennis kunnen noemen. Het kind Gods
in kwestie wordt opnieuw maar intenser voor Gods heilige wet geplaatst. Die wet
die eist volmaakte betaling. Zo niet, dan wacht hem de eeuwige dood. Want God
eist een volkomen genoegdoening. Hier helpen geen bevindingen. Die worden als
ongenoegzaam ervaren. Daarmee kan Gods kind niet voor God verschijnen. Hij gaat
met al zijn bevindingen, inclusief z’n Christuskennis, de dood in. Christus
heeft Zich verborgen, zo lijkt het. Er is slechts een vertoornd Rechter die naar
Zijn rechtvaardig oordeel niets anders kan dan hem in de eeuwige verdoemenis
werpen,
2. tenzij ... ja, tenzij God de Vader van Zijn recht af zou stappen. Dat wil eigenlijk zeggen dat de Vader dan van de deugden van Zijn heiligheid, volmaaktheid en rechtvaardigheid afstand zou doen! Het betreffende kind van God wordt in de weg naar de vrijspraak echter zo ingewonnen, zo heilig verliefd op dit recht (dus op de zojuist genoemde deugden Gods!) dat hij innerlijk een welgevallen of welbehagen krijgt in de straf voor zijn ongerechtigheid. De Heilige Geest leert hem zijn eeuwige doodvonnis goedkeuren, accepteren, billijken, en dat met een innerlijk welbehagen! Hij wordt er voor ingewonnen om naar de hel te gaan, als hij daar God maar zou kunnen loven. De wetenschap dat God in de hel alleen maar gevloekt wordt, doet het kind Gods in kwestie echter uitzien naar genade, hoewel hij niets meer in kan brengen tot zijn behoud.
3.
Werkte Gods kind voor de bewuste rechtvaardigmaking ten diepste nog aan
op zijn eigen zielsbehoud, God beoogt hem van eigen leven af te snijden. Vandaar
de krachtige confrontatie met Gods eisende, wraakvorderende gerechtigheid. Die
brengt Gods kind in de totale onmogelijkheid. Alle bevindingen worden hem
afgenomen. Hij komt voor God te staan zonder bevindingen, beloften of bekering,
als een aangeklaagde vanwege al zijn erf- en dadelijke zonden.
Dit leidt er uiteindelijk toe dat het betreffende kind van God zo krachtig wordt
geplaatst voor Gods eisende recht dat hij een moment meemaakt in zijn leven
waarin hij meent dat de hel als het ware onder hem wordt geopend en hij voor
eeuwig in de verdoemenis zinken moet. Dit kan hij trouwens niet anders dan
goedkeuren zoals al gezegd.
Op dat moment treedt de Heere Jezus - in de hoedanigheid van Advocaat aan het
Hemelse Gerechtshof - echter voor Hem in bij de Rechter. Deze tussentreding kan
op verschillende manieren worden beleefd. De bovenstaande tekstgedeelten laten
dit zien. De zondaar beleeft de tussentreding van de Middelaar in alle
gevallen echter heel bewust. Het is bovendien steeds deze onmiddellijke
tussentreding of Borgstelling van Christus die ertoe leidt dat God de Vader hem
voor eeuwig vrijspreekt van schuld en straf. Het directe gevolg hiervan is dat
eisende wet en “den dood der verdoemenis” (citaat 2) uit het hart verdwijnen.
In plaats daarvan wordt het hart vervuld met vrede met God de Vader in Jezus
Christus. Dit laatste is zogezegd het zegel dat de Heilige Geest zet op de
vrijspraak door de Vader.
Op deze wijze wordt de bewuste rechtvaardigmaking dus beleefd. Dit is de
weg waarin Gods kinderen tot bewuste geloofszekerheid komen. Ze worden
afgesneden van eigen leven, afgesneden ook van heel hun bekering en al hun
bevindingen. Als volstrekt doemwaardigen vanwege hun erf- en dadelijke zonden
worden ze voor de vierschaar van Gods recht geplaatst. Het oordeel der
verdoemenis wordt over hen uitgesproken. Omdat ze voor Gods recht zijn
ingewonnen, kunnen ze niet anders schrijven dan hieronder buigen. Ze hebben een
welbehagen gekregen in deze straf op hun ongerechtigheid. Ze hebben hun hoofd
gelegd op het blok van Gods heilig recht. Er breekt een tijdstip aan dat ze niet
anders kunnen dan de uitvoering van het eeuwige doodvonnis inwachten. De hel
opent zich onder hen om hen voor eeuwig te verzwelgen. Dan treedt Christus
echter voor hen in bij de Vader. Op grond van Zijn gerechtigheid worden ze dan
door de Vader voor eeuwig vrijgesproken. Hiervan verzekert de Heilige Geest hen
krachtig in het hart, zó, dat ze voortaan mogen weten in Wien ze geloofd hebben,
mogen weten dat hun Verlosser leeft. In die weg ontvangt Gods kind bewuste
geloofszekerheid.
In prediking en pastoraat binnen de rechterflank speelt de bewuste
rechtvaardigmaking direct of indirect een grote rol. Een aantal predikanten uit
de rechterflank geven de bewuste rechtvaardigmaking een grote, nadrukkelijke
plaats in hun prediking. Bij hen speelt de bewuste rechtvaardigmaking op directe
wijze een grote rol. Ik noem in dit verband ds. F. Mallan van de Ger. Gem. in
Nederland binnen verband. Deze is wars van een gestaltelijke prediking, dat wil
zeggen een prediking met een gemoedelijke inslag. Hierdoor worden mensen met
een geopenbaarde Middelaar in het zadel gezet. Men kan daardoor het leven steeds
in eigen hand houden.22) Ds. Mallan is
echter geen volgeling van ds. J.P. Paauwe. Laatstgenoemde leerde, zo is de
algemene maar onjuiste gedachte, dat er geen sprake is van geestelijk leven voor
de bewuste rechtvaardigmaking. Ds. Mallan leert dit volstrekt niet.23)
Andere predikanten zijn meer wedergeboortepredikers (zie het stukje over de toeleidende weg). Meer dan de ‘vierschaarpredikers’ beogen zij Gods volk in de bekommerde stand van het genadeleven te troosten. God krijgt zo ook de eer van de eerste beginselen van geestelijk leven (ds. Moerkerken). Op indirecte wijze speelt de bewuste rechtvaardigmaking ook bij hen echter een grote rol. Ook zij leren namelijk, alleen minder expliciet, dat Gods volk pas vaste grond onder de voeten krijgt via de bewuste rechtvaardigmaking. Dit komt vooral tot uiting in de wijze waarop men spreekt, denkt en schrijft over de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking. Ook een ‘wedergeboorteprediker’ leert dat een geopenbaarde Middelaar nog geen toegepaste Middelaar en een bedekte schuld nog geen vergeven schuld is. Ook zij wijzen Gods volk er daarom op dat de pijl verder ligt. Vandaar dat we het verschil tussen wedergeboortepredikers en vierschaarpredikers niet moeten opblazen. Beide ‘soorten’ predikers leggen de accenten wat anders. In theologisch opzicht is er echter geen verschil in deze. Aan de accentverschillen liggen vooral pastorale en existentiële motieven ten grondslag. Existentiële motieven spelen vooral een rol als een predikant de bewuste rechtvaardigmaking zelf heeft meegemaakt (of juist niet!). Het geldt binnen de rechterflank als not done wanneer een predikant zwaar aanzet in de prediking op de bewuste rechtvaardigmaking wanneer hij deze zelf niet heeft beleefd. Deze ‘stilzwijgende afspraak’ maakt het kerkgangers goed mogelijk het geestelijk leven van een predikant te keuren, iets wat ook veelvuldig gebeurt. Sterker nog: een predikant in de rechterflank ontleent niet zelden zijn autoriteit aan dat wat hij over eigen geestelijk leven kan vertellen.
De ene predikant preekt of schrijft dus meer over de bewuste rechtvaardigmaking dan de ander. Toch, als we de prediking binnen de rechterflank nauwkeurig bestuderen, kunnen we wel degelijk een aantal algemene conclusies trekken met betrekking tot de wijze waarop de bewuste rechtvaardigmaking een plaats krijgt in de prediking.
1. In de eerste plaats komt de bewuste rechtvaardigmaking meestal aan de orde bij het beschrijven van de leidingen die de Heere met Zijn volk houdt in de bekering. Men begint dan bij de wedergeboorte, bespreekt wat kenmerken van de toeleidende weg en zegt iets over de openbaring van Christus. Soms stopt men daar met de beschrijving. Vaak echter volgen nog een aantal opmerking met betrekking tot de bewuste rechtvaardigmaking. Dit is bijvoorbeeld heel duidelijk het geval in de zestien citaten uit de paragraaf De Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking (citaten 2, 4-10, 12-16). Leest u in dit verband ook nog eens conclusie 8 uit deze paragraaf.
2. U zult daarbij merken dat men dan relatief gezien vrij vaak spreekt over de noodzaak of wenselijkheid van de bewuste rechtvaardigmaking:
- zien is groot, maar bezitten is meer;
- dan ontvang je de geloofswetenschap, een geheiligd recht op de erfenis en gaat de Geest met onze geest getuigen dat wij kinderen Gods zijn;
- vergeving der zonden is een grote weldaad, die toegepast wordt in de bewuste rechtvaardigmaking;
- dan ontvang je de volle verzekerdheid dat je deel hebt aan het werk van Christus;
- dan ligt je leven vast in Christus.
- dan gaat dat beweeglijke, tastbare en gevoelige koninkrijkje eraan en ontvang je een onbeweeglijk koninkrijk.
(Zie de citaten 2, 6-10 uit De kennis van Christus voor de bewuste rechtvaardigmaking)
3. Verder krijgt ook de afsnijdende weg die aan de bewuste rechtvaardigmaking vooraf gaat vaak een plaats in de prediking. Bij het spreken over de bewuste rechtvaardigmaking betrekt men dus vaak het aspect van afsnijding. Ik verwijs in dit verband naar conclusie 2 uit de vorige paragraaf. Hier stelde ik dat men ook bij het spreken over de (eerste) openbaring van Christus aan de ziel het aspect van afsnijding betrekt. In de volgende paragraaf kom ik hierop terug.
4. De andere hierboven genoemde bevindingen komen relatief gezien veel minder aan de orde. Weinig hoor je in de prediking bijvoorbeeld spreken over het moment dat het betreffende kind van God de hel onder zich geopend voelde en dat toen Christus tussen trad als Middelaar, dus over de vrijspraak zelf. Waarschijnlijk functioneren deze kenmerken meer in het pastoraat en in gezelschappen.
Om nog overvloediger te illustreren hoe de bewuste rechtvaardigmaking naar voren komt in de prediking volgen hier tot slot opnieuw een aantal citaten. Met behulp van bovenstaande informatie zal het u niet moeilijk vallen deze te ‘verstaan’.
1.
De discipelen echter willen van een heengaan niet horen. Het brengt hen
in beroering. Ze hebben Hem zo innig lief. Ze kunnen Hem niet missen. En waarom
zou Hij hen verlaten?
Ach, ze verstaan des Heeren bedoeling niet. Zo is het ook met Gods kinderen, als
de Heere ze gaat stoten uit het gevoelige leven. Wat is dat toch een aangename
tijd, als ze des Heeren nabijheid mogen genieten en die gevoelige omgangen mogen
hebben met de Heere Jezus. Zij zouden wel willen dat dit altijd zo bleef. (...)
Hoe zoeken ze Hem vast te houden. Doch Hij gaat. Zij krijgen echter een rijkere
Jezus terug. Want wat hadden ze bij alle genietingen toch weinig geloofslicht.
Wat kenden ze weinig van Zijn Borgwerk en van het recht Gods, dat voldoening
vordert. En als Hij ze dat gaat leren, moeten soms diepe wegen bewandeld worden.
Ze moeten van alles afgebracht worden, ze moeten het leven uit eigen hand gaan
verliezen, om het terug te vinden in Hem, Die tot zonde gemaakt werd, opdat zij
zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
(...)
Hem hadden ze hartelijk lief gekregen (...) Welnu, zegt de Heere, gelooft ook in
Mij. Nee, dat is niet een ander geloof. Het is hetzelfde geloof, doch nu meer
gericht op Christus en Zijn werk. Christus wil hun geloof verdiepen. Immers,
hoeveel dieper en rijker wordt het geloof in God als Christus welbewust
omhelsd (cursivering van mij, HvR) mag worden.”
[De vreugde uws heils, wijlen ds. J. van Haaren, 84]
2.
”Daarom dat alles verkopen, dat alles loslaten, wat gaat dat tegen onze
natuur in. Het is voor Gods volk geen vreemde zaak, als de Heere dat praktijk
gaat maken, dat alles van mij er buiten moet vallen, ook die pareltjes, waarop
ik zo gesteld ben, dan komt de vijandschap in het hart naar boven.
Immers, zo’n weg begeren we niet. Als het van een mens afhankelijk zou zijn, dan
zou van dat alles nooit iets terecht komen, maar de Heere leert het door Zijn
Woord en Geest. En als de Heere dat gaat leren, dan komt er een tijd in het
leven dat we met de grote Rechter van hemel en aarde in aanraking komen, dan
word ik gebracht in het paradijs, waar Adams zonde mijn zonde wordt, en Adams
schuld mijn schuld. Dan is er een zondeschuld, die reikt tot de hemel toe, die
iedere dag weer meerder wordt en dat in het licht van de hemelse Rechter, Die
van Zijn recht niet kan afstaan, daar Hij anders zou ophouden God te zijn. Dan
kunnen we de Heere niet tegemoet treden omhangen met een halsketting bestaande
uit die kleine pareltjes. Er blijft dan alleen maar over een bankroet mens, in
geestelijk opzicht radicaal failliet. En toch moet er betaald worden. De Rechter
eist betaling. Ingewonnen en overwonnen moet en mag het Goddelijk vonnis als
rechtvaardig worden erkend.
God schenkt dan die Parel van grote waarde weg en de zondaar mag daar het van
God ontvangen geloof, die Parel van grote waarde, aannemen tot zijn eeuwig
eigendom.
(...)
Dan komt de zaligheid niet meer te liggen in de wankele gronden van allerlei
gemoedstoestanden der ziel, maar dan komt de zaligheid vast te liggen in de
onbegrepen liefde van een Drieënig God.”
[Saambinder, 13 februari 1992, 70e jaargang, nr. 20; uit meditatie van ds. L.
Blok]
3.
”Velen hebben wel eens iets van Zijn heerlijkheid aanschouwd maar kennen
Hem niet in de toepassing van Zijn gerechtigheid. Noodzakelijk is het te leren
dat in het omhelzen van Gods gerechtigheid, in het ondergaan met Hem in de dood
het leven in Hem zal worden verkregen. Ja, om uit Hem te mogen leven Die alleen
onze gerechtigheid voor God kon zijn om te ervaren dat ons leven met Christus
verborgen is in God.”
[Saambinder, 5 maart 1992, 70e jaargang, nr. 23; uit meditatie van ds. M.
Mondria]
4.
”Zij gevoelen dat God zeer vertoornd is, dat God hen niet zal sparen. Het
rechtvaardig oordeel achtervolgt hen. Alles roept hen toe: de wet, de
rechtvaardigheid van God, de zonde; hun geweten spaart hen niet. Daar wordt het
omkomen. Maar daar toont God dat Hij het vonnis waar zij eeuwig onder moesten
verzinken over Zijn Zoon heeft laten gaan. Daar zien ze dat Christus alles
draagt en dat daarom alles moet zwijgen. Daar zien ze dat alles moet zwijgen.
Daar zien ze dat het oordeel Gods is afgewend.”
[Saambinder, 2 april 1992, 70e jaargang 70e jaargang, nr. 27; uit meditatie van
ds. F. Harinck]
5.
”Tenzij we onder de persingen van Gods heilig recht van alle gronden
worden afgedreven. Dan worden we de doodschuldigen die in Adam zich de eeuwige
verdoemenis op de hals hebben gehaald. Daar worden we ook ingewonnen voor Gods
heilig recht en deugden. Waar wij de hel mogen aanvaarden, ons vonnis met ons
bloed wel willen onderschrijven en ook niet anders meer verwachten kunnen dan
onze eeuwige ondergang daar is er een Ander nl.. Jezus Christus die onze
twistzaak twisten zal en Zijn verdienste voordraagt aan de Vader. Oh, ‘t is op
grond van Jezus verdienste dat een doodschuldige vrijspraak ontvangt. God is het
Die rechtvaardigt en wie is het dan die verdoemt. Christus is het Die gestorven
is en dan volgt de gelovige toeëigening, ook voor mij. (...) Dan mag de zaligste
vrede onze ziel gaan vervullen en zal Jezus ons Een en ons Alles zijn.” (Merk op
dat het hier om een vrij complete beschrijving van de bewuste
rechtvaardigmaking gaat, iets wat niet zo vaak voor komt, HvR.)
[Saambinder, 16 april 1992, 70e jaargang, nr. 29; uit meditatie van ds. A.F.
Honkoop]
Drieërlei afsnijding en tweeërlei toevallen van Gods recht
In de vorige twee paragrafen constateerden wij dat zowel aan de eerste openbaring van Christuskennis als aan de bewuste rechtvaardigmaking een proces van afsnijding vooraf gaat. Daarnaast c.q. daarvoor is er echter nog een afsnijding. Deze vindt plaats in de wedergeboorte in engere zin, in de levendmaking dus. De uitverkoren zondaar wordt dan uit zijn geestelijke doodsstaat overgezet in de staat des levens. Hij wordt dan ingeplant in Christus. Zodoende is er dus sprake van drieërlei afsnijding:
“Hij is immers in de wedergeboorte afgesneden van zijn vorige leven. In de onderhandeling is hij afgesneden van zijn werkheilig leven. In de oefening van de afhandeling wordt hij afgesneden van zijn leven.”
[Standvastig, uitgave Gereformeerde Bijbel Stichting, maart 1993; uit Van de
voorzitter, door ds. P. Blok]
Wat de levendmaking aangaat, deze valt zo goed als samen met de afsnijding. Met betrekking tot de eerste openbaring van Christus en de bewuste rechtvaardigmaking ligt dat anders. Het gaat daar om méér dan een afsnijdingsmoment. Beter is het om met betrekking tot de Christuskennis en de bewuste rechtvaardigmaking te stellen dat het gaat om een afsnijdingsproces. De citaten uit de voorgaande twee paragrafen ondersteunen deze conclusie.
Zowel met betrekking tot de eerste Christuskennis en de bewuste rechtvaardigmaking leert men binnen de rechterflank dat men aan een einde moet komen. Aan een eind waarvan? Deze vraag wordt voor beide zaken verschillend beantwoord.
met betrekking tot de openbaring van Christus (de tiende ure)
Voor er sprake kan zijn van enige Christuskennis, wordt de ziel afgesneden van zijn werkheilig leven. Er komt dan een tijd in het leven van Gods kind dat geen zoete gestalten ons meer helpen kunnen. Meer dan ooit wordt verstaan dat we tegen God gezondigd hebben. Die eist volkomen genoegdoening. Helder wordt gezien en beleefd dat we uit en van onszelf geen enkele goede, voor God aangename vrucht kunnen voortbrengen. Op al het onze rust de vloek. In deze weg leert Gods kind uit te zien naar een middel ter ontkoming dat buiten hem ligt. Hij vindt er echter geen. In alles vindt hij slechts de dood. Hij komt om in zichzelf. Zo komt hij ... aan een eind. Aan een eind waarvan? Aan het eind van de wet. De Heilige Geest snijdt Gods kinderen af van de werken der wet om ze Christus te openbaren als de enige Weg ter ontkoming (citaat 9 uit De Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking). In Hem ziet Gods kind het middel ter ontkoming.
U begrijpt, bij deze afsnijding gaat het niet om een moment. Nee, trapsgewijs snijdt de Heere Zijn kinderen af van hun werkheiligheid. Dit gebeurt in de regel door ze steeds dieper in te leiden in hun totale verdorvenheid.
In de paragraaf over de Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking, maakte ik al duidelijk dat in prediking en pastoraat veel nadruk wordt gelegd op dit afsnijdingsproces. Gods kind moet omkomen in zichzelf, verloren gaan, Gods recht billijken en toevallen. De citaten maakten dit duidelijk.
met betrekking tot de bewuste rechtvaardigmaking
“In de oefening van de afhandeling wordt hij afgesneden van zijn leven”, schreef ds. P. Blok in Standvastig. Deze derde afsnijding gaat aan het komen tot bewuste geloofszekerheid vooraf. Ds. P. Blok merkt hierover in hetzelfde stuk uit het blad Standvastig op:
“De Heere voert de ziel naar Zijn welbehagen naar de noodzakelijkheid van de rechtshandeling. Maar hoe verborgen is deze in de uitvoering. Immers de prijsbetaling voert naar het Priesterlijk werk van de Middelaar en dat is wel gezien, maar voordien niet benodigd. In dit alles leefde de ziel naar zielsbehoud, terwijl de oefening van Gods rechtvaardigheid (later door hem de oefening van de afhandeling genoemd, HvR) voert naar de afsnijding (cursivering van mij, HvR). (...) In de oefening van de afhandeling wordt hij afgesneden van zijn leven. Dan is het vonnis van de dood onontkoombaar. Ingewonnen door het recht, aanvaardt de ziel zijn doodvonnis. Dan komt er plaats voor het Lam en Zijn bediening. Het geloofsoog wordt geopend voor de verdiensten van het Lam.”
Ds. Blok spreekt hier over de afsnijding als moment. Hij heeft daarbij het oog op dat punt in het leven van Gods kind, dat de bewuste rechtvaardigmaking mee mag maken, waarin het doodvonnis onafwendbaar is. De ziel kan niet anders dan dit aanvaarden. Hij meent voor eeuwig om te moeten komen: hij wordt van het leven afgesneden.
Inderdaad kun je op die manier spreken over de afsnijding als moment. Het proces dat hieraan vooraf gaat moet mijns inziens echter ook bij de afsnijding gerekend worden. Dit proces kwam ter sprake in de vorige paragraaf (zie onder andere punt 1). Als voorbeeld kunnen we denken aan het omhakken van een boom. Toegegeven, een dun boompje kan misschien in één slag geveld worden. Normaliter zijn er echter nogal wat slagen voor nodig om een boom geveld te krijgen. Wat ds. P. Blok nu doet, is alleen de laatste slag aanmerken als de afsnijding. Maar waren de voorgaande slagen dan geen pogingen om de boom ‘af te snijden’? Ik meen van wel. Ik denk in dit verband ook aan een gedeelte van een citaat van wijlen ds. Joh. v. d. Poel, weergegeven in de vorige paragraaf:
“Allengskens wint God de Heilige Geest dus zo’n zondaar in voor al de richterlijke zaken, die in Gods Woord verklaard liggen (...) Ze worden aangetrokken op het recht, zodat ze soms meer van het recht houden dan van het evangelie. Ja, het is een geheim, dat men meer houdt van de deugden Gods, dan van zijn eigen leven; dat men niet anders wenst dan tot de ere Gods te leven, want dat is alleen het heil der ziele. Men zoekt dan geen Christus, geen bloed en geen Zaligmaker meer, want men komt daar aan het eind. Men gaat dan biddende verloren en zoekende komt men om.”
Hierin komt heel goed het procesmatige karakter van de afsnijding naar voren. Het is echter niet mijn bedoeling om hierover strijd te voeren. Wel dacht ik dat het goed is de zaken zo correct mogelijk weer te geven.
In De weldaad van de vergeving der zonden concludeerde ik dat men in de prediking aan het benadrukken van dit afsnijdingsproces eveneens veel waarde hecht. En net als bij het afsnijdingsproces dat aan de openbaring van Christus vooraf gaat, beklemtoont men (binnen dit proces) vooral het omkomen in jezelf, het verloren gaan of het toevallen van Gods recht. Dit is natuurlijk ook het meest wezenlijke aspect van beide afsnijdingen.
Aan het benadrukken van deze twee afsnijdingsprocessen liggen verschillende motieven ten grondslag. In de eerste plaats hangt dit samen met de overtuiging dat nadere Godsopenbaringen steeds gepaard gaan met de ontdekking van een openstaande schuld en een onvervuld recht.24) Vandaar opmerkingen in de geest van: “Wat is het een uitnemend voorrecht als de Heere in het leven van de ware parelzoeker altijd maar weer terug brengt bij zijn onverzoende schuld voor God ...” (citaat 2 uit De Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking, ds. L. Blok; zie ook citaat 10 uit deze paragraaf). Vanuit deze overtuiging is het te verklaren dat men het niet ‘voldoende’ acht om eenmaal om te komen in jezelf maar een tweeërlei toevallen van Gods recht leert. Het laatste betekent overigens weer niet dat je er daarmee bent. Gods kind moet als het goed is z’n leven lang een bedelaar blijven!
Pastoraal gezien vormt het benadrukken van genoemde afsnijdingsprocessen uiteraard een belangrijke toetssteen voor hen die menen geestelijk leven te bezitten. Het benadrukken ervan heeft dan dus een separerende functie. Ook hier heeft deze functie weer twee kanten: Gods kinderen kunnen erdoor versterkt en bemoedigd worden en huichelaars kunnen hierdoor worden ontmaskerd.
De beide afsnijdingen functioneren tevens als ‘grenslijn’ tussen de ene en de andere stand in het genadeleven. Ook daarom hecht men grote waarde aan het benadrukken van de beide verschillende afsnijdingen. Ik kom op dit punt in het volgende onderdeel terug.
Het benadrukken van de verschillende afsnijdingsprocessen heeft tot slot nog een identiteitsbepalende functie. Men kan zich hierdoor onderscheiden van de ‘lichte godsdienst’. Die weet niet van een omkomen in zichzelf, van een zichzelf leren kennen als geheel doemwaardig. Die ‘nemen’ het Leven zonder hun leven te verliezen. Het benadrukken van de verschillende afsnijdingsprocessen staat dan dus in verband met de verdediging van het Bijbelse gegeven dat een goddeloze gerechtvaardigd wordt, een geheel doemwaardige. De afsnijdingen leiden ertoe dat een mens zichzelf inderdaad als zodanig gaat bevinden.
standen in het genadeleven: de gouden pastorale draad
Vele bladzijden lang houden we ons nu al bezig met de vraag hoe het onderscheid tussen de dadelijke rechtvaardigmaking door het geloof in de wedergeboorte en de lijdelijke rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie prediking en pastoraat beïnvloeden. Nu, alleen al het feit dat bijna de helft van dit hoofdstuk hierover gaat, geeft wel aan dat de invloed hiervan op prediking en pastoraat zeer verstrekkend is. Het is namelijk, zo bleek ons in de voorgaande paragrafen, dit onderscheid dat de grondtoon ervan bepaalt. Ik zou het onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking daarom de spil, het hart, het merg of het centrum van prediking en pastoraat willen noemen. Vandaar dat ik mij in het vervolg van deze studie hierop toespits.
Omdat mijn onderzoek vooral de praktische uitwerking van genoemde onderscheiding betreft, is het van groot belang om hier eerst nog na te gaan wat nu feitelijk de pastorale hoofdlijn is die voortvloeit uit het onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking. Als het goed is, kunnen we deze distilleren uit de vorige vijf paragrafen, waarin we de consequenties van genoemde onderverdeling behandelden.
Op zoek dus naar de gouden pastorale draad die hier doorheen loopt. Al te moeilijk is dat inmiddels niet meer. Heel duidelijk bleek uit de voorgaande paragrafen namelijk dat men het geestelijke leven onderverdeelt in standen of trappen. Essentieel hierbij is dat deze onderverdeling gebeurt op grond van bepaalde bevindingen, op grond van wat Gods kind wel of niet heeft meegemaakt. Deze visie vloeit regelrecht voort uit de gedachte dat er in de gelovige aanneming trappen zijn. Verhelderend in dit verband lijkt mij het volgende citaat.
“Het is een veelbesproken vraag, wat wij moeten verstaan onder de standen in het genadeleven. In grote lijnen kunnen we van twee standpunten spreken. Volgens sommigen is er in het geestelijke leven sprake van groei, geleidelijke groei, zoals ook een kind groeit. Een kind groeit niet schoksgewijs, maar zeer geleidelijk. Zo zou het ook beter zijn wat betreft het geestelijke leven niet van standen, maar van wasdom of groei te spreken. Volgens deze opvatting moet men ook maar liever niet zeggen, dat het ene kind van God voor een zaak staat en het andere er achter. ‘t Zou beter zijn te zeggen, dat Gods kinderen allen hetzelfde hebben ontvangen, maar dat de een er meer van zien mag dan de ander, of ook dat in het leven van een en hetzelfde kind des Heeren de ene dag het geloof krachtiger is dan de andere dag. Hoewel ik graag wil erkennen, dat deze gedachte waarheidselementen bevat, is naar mijn mening hiermee echter het laatste woord niet gezegd. Leert Gods Woord ons niet heel duidelijk, dat er zaken kunnen gebeuren in het leven van Gods kinderen, waardoor de zaligheid hun nu nader is geworden, dan toen zij eerst geloofd hebben? Zaken ook, waar het ene kind Gods nog voor staat en het andere weet van heeft, dat het in zijn leven is geschied? Dit tweede standpunt lijkt mij daarom meer naar de Schrift en naar de praktijk der vromen te zijn dan het eerste.”
[Saambinder, 5 september 1991, 69e jaargang, nr. 48; uit artikel 1 van ds. A. Moerkerken over Bethel en Pniël]
Ook in het boekje Mystiek en bevinding spreekt ds. Moerkerken zich met betrekking tot de standen in het genadeleven duidelijk uit:
“Er is een opwas in het geloof mogelijk en wenselijk; er bestaan standen in het geestelijk leven, die samenhangen met een onderscheiden kennen van de drie goddelijke Personen.
(...)
“Het woord “trap” suggereert fasen, die men passeren kan en die dan ook hebben afgedaan. Zo ligt het in de bevinding der heiligen nooit. Wél kunnen er echter “zaken” in het leven van Gods kinderen geschieden, waardoor de zaligheid hun nu nader is, dan toen zij eerst geloofd hebben. (...)
Wij willen dan graag globaal vasthouden aan de drie stadia, die ook à Brakel noemt (Theodorus, niet Wilhelmus, HvR). Onder kinderkens verstaan wij dan zondaren, die weten wat zonde en schuld is. Zij leerden de droefheid naar (Grieks: kata, d.w.z. volgens, overeenkomstig) God kennen, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Zij verstaan de noodzakelijkheid om met God verzoend te worden; zij hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; Christus heeft als Profeet hun harten verlicht en heeft hen doen slaan op hun borst en kloppen op hun heup van smart (Jeremia 31:19). Onder de jongelingen verstaan wij die zondaren, voor wie de Zonne der gerechtigheid is opgegaan (Maleachi 4:2). Christus is aan hun ziel geopenbaard als het Lam Gods, Die de zonden der wereld wegneemt. Zij zijn als de discipelen ná Pasen en vóór Pinksteren.25) In Christus’ wonden vinden zij allerlei vertroosting; Hij is hun een geopende Fontein. (...) Onder de vaders verstaan wij die zondaren, die verzekerd werden van hun aandeel aan Christus. Zij zijn als de discipelen na Pinksteren. Zij zijn in Christus, nadat (!) zij geloofd hebben, verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte, Die het onderpand is van hun erfenis.
(...)
Het is een grote weldaad wanneer de Heere ons geloven doet, dat Hij ons een verzoend Rechter geworden is. Het is een nog grotere weldaad, wanneer wij deze Rechter onze “lieve” Vader mogen noemen. Wanneer het nu Pinksteren wordt in de ziel, dan wordt in Christus ook de Geest van Christus gekend. Deze kennis van de Heilige Geest staat niet op zichzelf, maar wortelt in de kennis van Christus. Hij wordt gekend als Degene, Die het werk Gods in de ziel verzekert en verzegelt.”
[Mystiek en bevinding; uit de bijdrage van ds. A. Moerkerken, 74-79]
Veel hoeven we niet aan deze vrij duidelijke taal toe te voegen: men onderscheidt standen in het geestelijke leven, waarbij elke stand gekoppeld wordt aan het al dan niet meegemaakt hebben van bepaalde geestelijke ervaringen. Per stand kan men daarbij heel goed benoemen om wat voor geestelijke ervaringen het gaat. Het geestelijk leven is aldus een vrij ‘meetbaar’, zo u wilt analyseerbaar proces.
Wat ook opvalt, is dat het steeds gaat om bevindelijke kennis met betrekking tot de drie Goddelijke Personen. In de rechterflank leert men in deze dat er een onderscheiden kennis is van Vader, Zoon en Heilige Geest. We onderscheiden daarin een vijftal zaken.
1. Op de toeleidende weg is er nog geen onderscheiden kennis. Wel ligt er een betrekking in het hart op God Drieënig. God de Vader wordt in deze stand gezien als vertoornd Rechter.
2. Als de Heilige Geest de ogen opent voor Christus komt er enige onderscheiden kennis van Christus.
3. Tengevolge van de bewuste rechtvaardigmaking leert Gods kind God de Vader kennen als een verzoend Rechter.
4. Een nadere weldaad is het dan om God de Vader ook daadwerkelijk als Vader aan te mogen roepen.
5. Met Pinksteren komt er ook onderscheiden kennis van God de Heilige Geest.
Voor het doel van deze studie is het vooral van belang om te weten dat men in prediking en pastoraat drie hoofdgroepen of hoofdstanden onderscheidt:
1. kinderen Gods op de toeleidende weg;
2. kinderen Gods die enige openbaring hebben ontvangen van de Middelaar;
3. kinderen Gods die de weldaad van de vergeving der zonden hebben ontvangen.
Merk hierbij op dat aan elk van deze drie standen een afsnijding(sproces) vooraf gaat! De verschillende standen worden hierdoor zogezegd van elkaar afgebakend. Ook moet hierbij opgemerkt worden dat Gods volk in zowel de eerste als in de tweede stand van het geestelijke leven tot de bekommerden gerekend worden. Dit omdat men in beide standen geen geloofszekerheid heeft.
Mijns inziens hebben we met bovenstaande gegevens voldoende zicht gekregen op de gouden pastorale draad die voortvloeit uit het onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking. Deze gouden draad wordt gevormd door de indeling van Gods volk in verschillende standen, naar de mate van de onderscheiden bevinding van de drie goddelijke personen. Deze indeling heeft dan weer alles te maken met de gedachte dat in de gelovige aanneming trappen zijn.
In prediking en pastoraat ligt de grootste nadruk op de gevoelige zondaren (eerste stand), op de mensen die enige Christuskennis hebben ontvangen (tweede stand) en op hen die achter de zaak staan en dus bewuste geloofszekerheid hebben ontvangen (derde stand). Dat juist deze standen in het geestelijke leven de meeste aandacht krijgen in prediking en pastoraat, komt omdat ze in zeer nauwe relatie staan tot de dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking door het geloof. Bij de overige standen in het genadeleven speelt de rechtvaardigmaking door het geloof een minder directe rol. In het algemeen kunnen we trouwens stellen dat naarmate een bepaalde geestelijke stand verder afstaat van de dadelijke rechtvaardigmaking, er in prediking en pastoraat minder aandacht aan wordt geschonken .
Tot slot merk ik hier nog op dat de drie genoemde hoofdstanden weer onderverdeeld kunnen worden in twee categorieën, namelijk onverzekerden en verzekerden. Tot de onverzekerden behoren zij die wel wedergeboren zijn maar nog voor de lijdelijke of bewuste rechtvaardigmaking staan. De verzekerden hebben zowel de dadelijke als de lijdelijke rechtvaardigmaking door het geloof meegemaakt. Omdat de meesten van Gods kinderen dit laatste niet beleven en men Christuskennis toch noodzakelijk acht om te kunnen sterven, staat tussen de dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking de openbaring van Christus. Ofschoon de wedergeboorte beslissend is voor iemands eeuwig wel of wee is enige openbaring van de Middelaar noodzakelijk om te kunnen sterven. Wie zonder enige Christuskennis sterft, is dus niet wedergeboren. Die “enige Christuskennis” bestaat dan vooral in een hongeren en dorsten naar Christus.
De standenleer in haar essentie
Er is opwas in het genadeleven. Ik kan me moeilijk indenken dat er mensen in de gereformeerde gezindte zijn die dit willen aanvechten. De wegen gaan echter uiteen als het gaat om de vraag hoe deze opwas toegaat. Dit zal u nog wel duidelijk worden in deel twee. In de rechterflank onderschrijft men in elk geval niet de opvatting dat opwas in de genade een geleidelijke groei in een middellijke weg is. Integendeel. Met de gelovige heeft een aantal keren een bijzondere gebeurtenis plaats. Door een bijzondere ervaring, een specifieke bevinding, gaat de gelovige over van de ene stand in de andere. Ds. Moerkerken gebruikt dan de term kruispunten.26) Het begint natuurlijk met de wedergeboorte. De Heere Jezus is voor deze levendgemaakte zielen eerst nog een verborgen Persoon in deze kruispuntenleer. Zij zien zich slechts geplaatst voor de wet in haar eisende en verdoemende kracht. Door een eerste ontsluiting van de wet wordt men verder geleid. Daarmee is men er natuurlijk nog niet: zien is nog geen hebben! Een volgende weldaad is de openbaring van Christus, de bekende tiende ure. Echter, een geopenbaarde Middelaar is nog geen toegepaste Middelaar. Volgens de ‘kruispuntenleer’ ontvangt de pasbegonnen gelovige ook dan nog geen werkelijke, structurele troost uit de leer van de rechtvaardigmaking. Bij zijn levendmaking vond weliswaar de toerekening plaats, maar daarvan ontvangt hij niet direct de troost. Iemand kan bestaan in een verloste, maar ongerechtvaardigde toestand. Ze mogen (soms) geloven wel wederomgeboren maar niet gerechtvaardigd te zijn.27) Anders is er sprake van een aanmatigend vertrouwen en loopt men bij hoog water vast. Er moet nog een afhandeling plaatsvinden. In die weg beleeft hij de rechtvaardigmaking bewust en weet hij zich verzekerd van de vrijspraak. Ik heb begrepen dat men in deze weleens het voorbeeld van de giro-overschrijving gebruikt. Het bedrag is reeds overgemaakt in de levendmaking (door God), maar dit wordt pas bekend als het dagafschrift wordt thuisbezorgd (de bewuste rechtvaardigmaking). In het begin heeft de gelovige nog een gemoedelijke godsdienst. ten diepste is hij nog vijand van vrije genade en van een lijdende Borg. Hij moet in de reeds genoemde weg, die aan de ene kant soms bemoedigend en vertroostend is, maar aan de andere kant afsnijdend, volledig ontbloot worden en leren wanhopen aan alle eigen gerechtigheid. Is de levendgemaakte in die toestand, dan ontvangt hij de bewuste rechtvaardigmaking. Pas vanaf dat moment is God een verzoend Rechter. Eerst als de zondaar zijn eigen doodsvonnis rechtvaardigt, wordt God veronderstelt de volledige weldaden van de verlossing door Christus toe te passen.Maar de gelovige kent Hem dan nog niet als liefdevol Vader. Dit is weer een nadere weldaad.
In deze kruispuntenleer horen geloof, rechtvaardigmaking en het kennen van God als Vader niet onlosmakelijk bij elkaar, zo bleek. In de tijd worden deze zaken van elkaar gescheiden en uiteen gehaald. Het een betekent niet vanzelfsprekend het andere: een gelovige is niet per definitie een (bewust) gerechtvaardigde. Er zijn nu bekommerden en bevestigden. Steeds opnieuw moet een nieuwe weldaad worden geschonken. Steeds opnieuw moeten nieuwe ‘daadzaken’ plaats vinden.
Opmerkelijk is ook de terminologie die aan deze leer verwant is. Deze is bepaald niet eenvoudig en doorzichtig te noemen. Ik wil u wel wat voorbeelden geven. We moeten onderscheiden tussen een dadelijke en een lijdelijke rechtvaardigmaking. De inplanting in Christus is heel iets anders dan de omhelzing van Christus. Verschil is er ook tussen Woordopenbaring en Persoonsopenbaring. Het door geloof Christus omhelzen moet vooral niet verward worden met het door geloof omhelzen van de vrijspraak des Vaders. Er moet onderscheiden worden tussen een toevluchtnemen tot Christus of een openbaring van Christus en de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie. Dit is nog maar een kleine greep uit de terminologie die met de kruispuntenleer verbonden is. We kunnen ook nog denken aan termen als hebbelijkheid en dadelijkheid, het recht toevallen, onder het recht komen, achter het recht blikken, staatsverwisseling, staatszekerheid, standszekerheid, schuldbedekking, schuldoverneming, gezichtelijke rechtvaardiging, gerichtelijke rechtvaardiging enzovoort enzovoort.
Deze visie op het opwassen in de genade leidt noodzakelijkerwijs tot een overwegend beschouwend pastoraat. Wil Gods kind namelijk op kunnen wassen in de genade dan is het nodig dat hem (ter bemoediging) enerzijds wordt gewezen op wat hij al mocht ontvangen, maar dat hem anderzijds ook wordt voorgehouden wat hij nog mist en waar hij naar moet staan. Vandaar het grote belang dat men in prediking en pastoraat hecht aan het beschrijven van de de standen op de heilsordelijke weg. Dit nu acht men de juiste manier om Gods volk, in de onderscheiden standen van het genadeleven, te voeden en te laven.
Voetnoten
1) Ds. F. Mallan, Uit het zieleleven, 78.
2) De bewering van J. Zwemer dat de “sinds het midden van de eeuw prominenter geworden theologie van de uitverkiezing van eeuwigheid” de reden was van geloofsonzekerheid bij velen “in het laatste kwart van deze eeuw”, is echter ongerijmd. Zie J. Zwemer, In conflict met de cultuur, 112 onderaan. Dit is ook de visie van C. Graafland. Deze benadert het probleem echter genuanceerder omdat hij verband legt tussen de verzelfstandiging van de verkiezing en de rechtvaardiging ten opzichte van elkaar, waarbij de rechtvaardiging plaats moest maken voor de wedergeboorte. Bovendien speelt dit niet pas in het laatste kwart van deze eeuw, maar veel eerder. Het gaat volgens Graafland in deze om een historisch groeiproces, iets waar Zwemer geen oog voor heeft. Van Calvijn tot Barth, 602. Zie ook A. De Reuver, Bedelen bij de bron, 127, 128.
3) Dit was bijvoorbeeld het geval in de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (binnen verband). Woensdag 16 juni 1993 besloot de particuliere synode om hun (enige) student aan de Theologische School, dhr. J.C. van der Kuijl, definitief niet toe te laten tot het predikambt. De belangrijkste redenen voor dit besluit waren “het te weinig benadrukken van de verkiezing en het te zeer ontbreken van de bevindelijke gangen van Gods volk”. Op de desbetreffende particuliere synode maakte ouderling H. Roelofsen de staat van Van der Kuijl verdacht door op te merken dat “wat er niet in zit, er ook niet uit kan komen. ‘t Is allemaal te hoog door de wetenschap.” Zie Reformatorisch Dagblad, 17 juni 1993.
4) Dit is natuurlijk een verkeerde uitdrukking, omdat geloofszekerheid de bewustheid hiervan veronderstelt. Ik moet deze ongelukkige term echter gebruiken, omdat we in de theologie van de rechterflank het begrip geloofszekerheid ook kunnen beschouwen in de zin van ‘geloofszekerheidsvermogen’. Zie Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, 162, 6e zin van boven.
5) Ibid., 162-163 en 192-193
6) Ibid., 162
7) J. Zwemer, In conflict met de cultuur, 112 en 113.
8) H. Florijn, De ledeboerianen; zie bijv. 54 ev. en 167 ev.
9) De Saambinder, 19 juli 1984.
10) J. Zwemer, In conflict met de cultuur, 109.
11) Zie bijv. ds. F. Mallan, Uit het zieleleven, 45 en 46.
12) Ik hoop hier nog nader op in te gaan.
13) Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, 162.
14) In zowel het historische als in het toetsende deel kom ik hierop nog terug.
15) Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, 191.
16) Ibid., 195
17) Ibid., 195-196
18) Ibid., 195: “Deze juridische daad werpt echter de rijke vruchten af, die in het Verbond der Genade Gods volk in Christus vermaakt zijn...”
19) Ibid., 192
20) Ibid.
21) Ibid.
22) Zie o.a. ds. F. Mallan, Uit het zieleleven, 25 (vanaf: “Dat wordt wat in het leven...”), 45-46 (zie hiervoor citaat 15 uit de paragraaf over De kennis van Christus voor de bewuste rechtvaardigmaking), 49-50, 69 (vanaf: “En zo is er een volk, dat als door de schaduwen...”), 73 (vanaf: “Zolang de ziel daar niet komen kan, geniet ze ook geen volkomen rust. Dan is ze dienstbaar onder de wet.”), etc.
23) Zie o.a. citaat 13 en 14 uit de paragraaf over De kennis van Christus voor de bewuste rechtvaardigmaking en ds. F. Mallan, Uit het zieleleven, 49 (vanaf: “De vrucht van de openbaring van de Persoon des Middelaars...”). Dat ds. Paauwe geen leven leerde voor de bewuste rechtvaardigmaking is een algemeen verbreide maar onjuiste opvatting. Ds. Paauwe was in theologisch opzicht vooral een volgeling van Van der Groe. Deze leerde dat evenmin. Duidelijk blijkt dat uit diens Toetssteen van ware en valse genade of uit zijn Beschrijving van het oprecht en zielzaligend geloof. Wat Paauwe's rechtvaardigingstheologie betreft, is het nuttig te rade te gaan bij L.F. Dros en N.J.P. Sjoer, Als een eenzame mus op het dak; Jan Pieter Paauwe [1872-1956], zijn leven, zijn werk en volgelingen, pag. 72-85.
24) Standvastig, uitgave van GBS, nr. van maart 1993, uit Van de voorzitter, door ds. P. Blok.
25) Dit is eigenlijk niet juist. Mensen met Christuskennis voor de bewuste rechtvaardigmaking staan nog vóór Pasen. Pasen staat namelijk voor de bewuste rechtvaardigmaking. Dan mag God de Vader gekend worden als verzoend Rechter. Hemelvaart staat voor het geborgen worden in het Vaderhart van God. Dan mag God als verzoend Vader gekend worden. Pinksteren staat voor de verzegeling met de Heilige Geest. Dan mag in Christus de Heilige Geest als Persoon gekend worden. Pinksteren staat dus voor de vereniging met een Drieënig God. Ik neem aan dat ds. Moerkerken zich hier heeft vergist.
26) A. Moerkerken, Genadeleven en genadeverbond.
27) Zie ds. E.J. Knight, Wat is het dat de zondaar zalig maakt; fragementen uit The justification of the ungodly; vert. C. van Waveren, pag. 12-14. Ds. Knight behoort tot de Strict Baptists in Engeland. Hij hoorde en las over de kruispuntenleer en vond deze visie zo ongerijmd, dat hij er een boekje over schreef.. Zie ook F.A. van Lieburg (red.), De stille luyden; bevindelijk gereformeerden in de 19e eeuw, pag. 35, waar C. Graafland opmerkt dat men er ondanks alle twijfel kennelijk zeker van is, dat God het is die deze weg met hen gaat, iets wat me zelf ook meermalen is opgevallen. Mijns inziens heeft dit voor een belangrijk deel te maken met de grote plaats die de toeleidende weg en haar kenmerken in de prediking heeft.
- 5 -
Waar halen ze het vandaan?
Hoe men in de
rechterflank de leer van de
dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking beargumenteert
vanuit Schrift en belijdenis
Inleiding
In het vorige hoofdstuk zagen we dat het binnen de rechterflank gehanteerde onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking door het geloof, de spil vormt van prediking en pastoraat. Er vloeien namelijk vele zaken uit voort die van groot belang zijn voor het geestelijke leven. Zo heeft het onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking alles te maken met een bepaalde visie op het verkrijgen van heilszekerheid. In prediking en pastoraat krijgen deze zaken daarom zeer veel aandacht. Het belangrijkste is daarbij dat men dankzij dit onderscheid in staat is Gods volk in te delen in verschillende standen, afhankelijk van de mate waarin men zekerheid heeft over het aandeel aan Christus (zie laatste paragraaf van hoofdstuk vier). Deze zekerheid hangt daarbij nauw samen met de mate waarin er onderscheiden kennis is van de drie goddelijke personen. Ook dit aspect vloeit rechtstreeks voort uit het onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking.
Door het indelen van Gods volk in bepaalde standen is men in staat om aan te sluiten bij een ‘geloofspraktijk’ die overwegend gekenmerkt wordt door geloofsonzekerheid. Deze praktijk weet men theologisch te funderen door de rechtvaardigmaking door het geloof te onderscheiden in een dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking (Hoofdstuk 3). Door middel van dit onderscheid heeft men tevens de wijze waarop iemand tot bestendige geloofszekerheid komt, vastgelegd.
De tweedeling dadelijke-lijdelijke rechtvaardigmaking leidt dus tot een zeer karakteristieke kijk op het geestelijke leven en een al even karakteristieke pastorale benadering van Gods kinderen (Hoofdstuk 4).
Hoe meent men binnen de rechterflank nu deze zaken te kunnen onderbouwen vanuit Schrift en belijdenis? Dat is wat we in dit hoofdstuk met u willen gaan onderzoeken.
Onderbouwing
schriftuurlijke onderbouwing van de dadelijke rechtvaardigmaking
Wat we onder de dadelijke rechtvaardigmaking moeten verstaan, kwam al aan de orde in hoofdstuk twee. In de dadelijke rechtvaardigmaking of wedergeboorte in engere zin brengt de Heilige Geest het geloof in het hart van de uitverkoren zondaar. Het gaat hier niet om het dadelijke geloof, dus dat geloof dat de Heere Jezus en al Zijn weldaden aanneemt, maar om het geloofsvermogen. De Heilige Geest plant de hebbelijkheid van het geloof in. Deze bevat alles wat nodig is om het geloof als daad te beoefenen: kennis, toestemming en vertrouwen. De dadelijke rechtvaardigmaking of wedergeboorte in engere zin is dus de instorting van het beginsel van het nieuwe leven. Ze gaat aan het dadelijke geloven steeds vooraf.
De terminologie die hier gebruikt wordt, treffen we niet aan in de Schrift. Dat is op zich echter geen reden om de dadelijke rechtvaardigmaking als leerstuk te verwerpen. Zakelijk gezien komt dit leerstuk namelijk wel degelijk overeen met Gods Woord, volgens de rechterflank.
In de eerste plaats spreken sommige Bijbelteksten vrij duidelijk over de wedergeboorte in engere zin. Men noemt dan vaak Joh. 3:3: Tenzij dat iemand wederomgeboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Ook Ezech. 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u, wordt in dit verband nogal eens aangehaald. Een enkeling binnen de rechterflank wijst ook nog op Matth. 19:28. Het woord wedergeboorte in deze tekst zou slaan op de levendmaking.1) Joh. 5:25: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven, heeft eveneens betrekking op de wedergeboorte in engere zin. De mens blijkt geestelijk dood te zijn.2) Voor iemand geestelijke werkzaamheden kan verrichten, moet hij eerst door God uit Zijn geestelijke doodsstaat opgewekt worden. Het gaat hier in Joh. 5:25 dus duidelijk om de noodzakelijkheid van een staatsverwisseling. Joh. 6:63: De Geest is het, Die levend maakt, wijst hier ook min of meer op. Wat te denken bovendien van de geschiedenis van Jozef, wanneer hij onderkoning is van Egypte? Zijn broers komen bij hem. Ze kennen hem echter niet. Toch bewijst hij ze wel allerlei weldaden. Ook als hij ze later streng behandelt, heeft hij hen toch hartelijk lief. Welnu, kan dit niet zeer goed overgezet worden op het geestelijke leven? Ook al kent de bekommerde zondaar Christus nog niet, ook al heeft hij Hem nog nooit aanschouwd in Zijn schoonheid, toch wordt hij reeds bediend uit Zijn volheid. De gemeenschap aan Christus is er dus al voor de persoonlijke Christuskennis. Verder wijst ook Job 19:28, waar gesproken wordt over de wortel der zaak op een wedergeboorte in engere zin, op een habitus fidei.
Om het verschil tussen geloofshebbelijkheid en geloofsdadelijkheid te illustreren, wijst men vaak op Matth. 14:22-33. Als Petrus wandelt op de golven oefent hij dadelijk het geloof. Weldra zien we hem echter neerzinken in de golven. Het is duidelijk dat het geloof hier niet in de beoefening is. Is daarmee tegelijkertijd zijn hele geloof verdwenen? Is Petrus van het ene op het andere moment een ongelovige geworden? Nee, want al is het geloof hier niet in oefening, al uit het zich nu niet in daden, toch is het in de hebbelijkheid aanwezig. Als dit niet het geval zou zijn, zou de staat van een kind van God nooit vast zijn. Zijn geestelijke staat zou dan afhangen van het al dan niet beoefenen van het geloof. Hij zou dan de ene keer wel en de andere keer geen kind van God zijn. Dat dit echter niet het geval is, bewijst ondermeer Psalm 51. David heeft zwaar gezondigd. Geruime tijd ontbraken in zijn leven de geloofsoefeningen3). Ver leefde hij van de Heere af. Was David in die tijd een ongelovige en dus een onbekeerde? Het antwoord vindt u in vs. 13: neem Uw Heiligen Geest niet van mij. Ook in die tijd waarin hij zover van de Heere leefde, zo zelfs dat de oefeningen van het geloof ontbraken in zijn leven, woonde toch Gods Geest in Davids hart. Ook toen bezat David toch genade. De daden des geloofs ontbraken, maar de hebbelijkheid van het geloof bleef.
We zagen dat de dadelijke rechtvaardigmaking de instorting is van het nieuwe leven en aan het dadelijke geloven vooraf gaat. Moet ik me in eenvoudig(er) Nederlands uitdrukken? De wedergeboorte in engere zin gaat altijd vooraf aan het leren kennen van Christus. In het leven van Gods kinderen ligt tussen deze twee zaken meestal een bepaalde tijdsduur. Het nieuwe leven komt in principe niet direct openbaar in het leren kennen van de Middelaar. Integendeel, uit de wedergeboorte vloeien allereerst zodanige geestelijke werkzaamheden voort die de uitverkoren zondaar geschikt maken voor Jezus. Let wel, deze werkzaamheden plaatst men uitdrukkelijk na en niet voor de levendmaking. Men wil namelijk, zoals ik al schreef in hoofdstuk 3, niet weten van zogenaamde voorbereidende werkzaamheden.
Ook wat dit betreft, meent men te spreken naar de Heilige Schrift. In Matth. 5:4 staat niet dat zij die treuren zalig worden maar zijn, al is tegelijkertijd waar dat de over hun zonden treurende zondaren niet vertroost zijn maar worden (eveneens Matth. 5:4). Hetzelfde geldt voor Matth. 5:6: Zalig [zijn] die hongeren en dorsten [naar] de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Handelingen 16:14 ziet men eveneens als een bewijs hiervoor. Eerst opent de Heere het hart van Lydia. Daarna nam zij acht op hetgeen door Paulus gesproken werd. Voor die tijd was Lydia geestelijk dood. Ze was niet in staat om Gods Woord te verstaan. Ze had geen geestelijke oren, al was ze dan ook godsdienstig. De Heere maakt haar echter levend. Hij vernieuwt haar. Lydia wordt een geestelijk mens. Hierdoor - maar pas ook dan - is ze in staat om Gods Woord geestelijk te verstaan. Eerst nu dringt Gods Woord tot haar oren door. De Christuskennis volgde hierop. Daarbij gaat men er vanuit dat Lydia tussentijds overtuigd werd van haar zonden
Confessionele onderbouwing van de dadelijke rechtvaardigmaking
de Heidelbergse catechismus
We beginnen maar bij de Heidelberger catechismus. We kunnen het leerstuk van de dadelijke rechtvaardigmaking niet expliciet in dit belijdenisgeschrift terugvinden. Zowel zondag 7 als zondag 23 handelen duidelijk over het dadelijke geloof in de Heere Jezus. Toch spreekt de catechismus over de wedergeboorte in engere zin, zo meent men binnen de rechterflank. De inlijving waar zondag 7, antw. 20, over spreekt, wordt betrokken op de levendmaking, ja meestal daarmee gelijk gesteld. Bij de bespreking van vraag en antwoord 21 vat men het vaste vertrouwen dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid, van God geschonken is, uit louter genade... vooral op als geloofsvermogen. De opstellers van de Heidelberger catechismus spreken hier dus niet in de eerste plaats over het vertrouwen als geloofsdaad, laat staan over het ‘verzekerde vertrouwen’. Dan immers zou ‘de bekommerde’ of onverzekerde geen geloof hebben en dus nog vreemdeling zijn van de genade, zo meent men. Het gaat in zondag 7 daarom niet zozeer om de daad van het vertrouwen, maar om het vertrouwen als geloofsvermogen. In dat geval heeft zelfs de kleinste in de genade, ja zelfs die bekommerde ziel die Christus nog niet kent, vertrouwen. In aanleg is het er, denk maar aan het voorbeeld van het beukennootje (hoofdstuk 2). De uiting ervan kan echter zeer zwak zijn. Ik herinner me in dit verband een predikatie van ds. A. Moerkerken over zondag 7. Deze stelde Gods bekommerde volk in dit verband toen de vraag of ze ooit weleens hadden mogen geloven, al was het maar een ogenblik, dat het ook voor hen was. Zo ja, dan hadden zij dat geloof waar zondag 7 over sprak.
de Nederlandse geloofsbelijdenis
Ook de Nederlandse geloofsbelijdenis spreekt niet over de dadelijke rechtvaardigmaking. Het artikel dat handelt over de rechtvaardiging door het geloof (art. 22) spreekt nergens over het geloof als hebbelijkheid, noch over het vertrouwen als geloofsvermogen. Een oprecht geloof heb je volgens de Nederlandse geloofsbelijdenis als je Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt, en niets anders meer buiten Hem zoekt. Dit is wel zulk een heldere taal dat het op geen enkel wijze mogelijk is er iets in te lezen wat er niet staat. Het bevreemdt ons daarom niet dat men binnen de rechterflank dit belijdenisgeschrift nooit aanhaalt als het gaat over de dadelijke rechtvaardigmaking.
De Dordtse Leerregels
Om de leer van de dadelijke rechtvaardigmaking te bewijzen, grijpt men zeer vaak naar de Dordtse Leerregels. Kennelijk is men in de rechterflank van mening deze leer daar wèl te kunnen terugvinden. Verschillende plaatsen geven aan dat men het geloof als habitus ziet, dus als een blijvende hoedanigheid. De uitverkoren zondaar ontvangt deze in de levendmaking. Daarna en op grond van deze habitus gaat hij werkelijk geloven. Te denken valt dan allereerst aan hoofdst. 3 en 4, art. 12. Hier wordt een omschrijving gegeven van de wedergeboorte. Het is duidelijk dat de opstellers daarbij het oog hadden op de wedergeboorte in engere zin. In de levendmaking vernieuwt, drijft en beweegt God zeer krachtig en onwederstandelijk de wil. Op grond hiervan gaat ze dan ook zelf werken, waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mens door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert. Uit dit artikel blijkt ook dat de opstellers van mening zijn dat het dadelijke (lees: daadwerkelijke) geloof volgt op de wedergeboorte: alzo dat al diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden en metterdaad geloven.
De Dordtse Leerregels bevatten nog meer passages met betrekking tot de dadelijke rechtvaardigmaking. In artikel 11 van hoofdstuk 3 en 4 lezen we dat God in de wil nieuwe hoedanigheden stort. Hier vinden men opnieuw de habitusgedachte. Diezelfde gedachte meent men ook aan te treffen in artikel 14 van dit hoofdstuk: Zoo is dan het geloof een gave Gods; niet omdat het aan den vrijen wil des mensen van God wordt aangeboden, maar omdat het den mens metterdaad wordt medegedeeld, ingegeven, en ingestort. Wordt hier niet duidelijk over het geloof gesproken als geloofsvermogen of -hebbelijkheid? Dit blijkt wel uit het vervolg op de zojuist aangehaalde woorden. Men maakt in dit artikel duidelijk onderscheid tussen de macht of wil om te geloven en het daadwerkelijke geloof zelf. Van dit daadwerkelijke geloof vinden we een beschrijving in artikel 13 van hoofdstuk 3 en 4. Artikel 14 leert ons vervolgens dat dit dadelijke geloof voortvloeit uit de hebbelijkheid van het geloof, door God ingeplant in de wedergeboorte in engere zin. In de Verwerping der dwalingen bij genoemd hoofdstuk komen deze zaken ook aan de orde, namelijk in artikel 6 en 8. Tot slot noemen we hier ook nog artikel 8 uit de Verwerping der dwalingen bij hoofdstuk 5. Hier wordt gesproken over het zaad Gods. Door dit zaad wordt een mens wedergeboren. Dit zaad is onverderfelijk. Daarom is de genade onverliesbaar. Ook in dit artikel komt de habitusgedachte naar voren, zo meent men. Geen wonder dus dat men zich in deze zo graag beroept op de Canones.
Onderbouwing van de lijdelijke rechtvaardigmaking
even alles op een rijtje
De lijdelijke of bewuste rechtvaardigmaking kwam in de voorgaande hoofdstukken uitgebreid aan de orde. Voor de goede orde vat ik hier de belangrijkste punten met betrekking tot deze rechtvaardigmaking samen:
1. Door middel van de lijdelijke of bewuste rechtvaardigmaking ontvangt de uitverkoren zondaar zekerheid over zijn aandeel aan Christus, over zijn staat. De weldaad van de vergeving der zondaar wordt hier daadwerkelijk toegepast.
2. Deze verzekering volgt op de dadelijke rechtvaardigmaking. Meestal ligt er lange tijd tussen de dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking. Veel van Gods kinderen maken deze laatste echter nooit mee en verkeren meestal in een toestand tussen hoop en vrees.
3. Onder de bewuste rechtvaardigmaking verstaat men tevens een bepaalde, uniforme bevinding. In de dogmatiek van de rechterflank heeft men dus de wijze waarop Gods kind tot verzekering van zijn staat komt, vastgelegd.
de schriftuurlijke onderbouwing van de lijdelijke rechtvaardigmaking
Ook ten aanzien van deze rechtvaardigmaking door het geloof willen we nu de vraag stellen welke schriftuurlijke en confessionele bewijzen men aanvoert. Allereerst zijn we benieuwd naar de Schriftuurlijke bewijsplaatsen hiervoor.
In de eerste plaats beroept men zich dan op een aantal geschiedenissen uit het Oude Testament. We zullen de voornaamste geschiedenissen in dit verband nagaan.
Gen. 15, waar Abraham “bewust” overgaat in het verbond
Verschillende predikanten binnen de rechterflank wijzen, om de bewuste rechtvaardigmaking te bewijzen vanuit Gods Woord, naar deze geschiedenis. Abraham zou hier bewust overgaan in het verbond. Eerst had de Heere Abraham geroepen uit Ur der Chaldeeën. Dit was het tijdstip van de Goddelijke roeping, dus van de wedergeboorte. God zette Abraham daarmee over in het genadeverbond. Was Abraham er nu? Nee! O zeker, de roeping is een weldaad van het genadeverbond. U kunt echter weldaden ontvangen vanuit dit verbond, zonder met medewetenschap ingeplant te zijn in dit verbond. En dat is nu wat Abraham hier mag beleven. Wijzen het offer en de vurige fakkel niet treffend op Gods eisende gerechtigheid, die slechts door Christus, dat meerdere offer, volbracht kon worden? En wordt juist dat niet beleefd in de bewuste rechtvaardigmaking? Genesis 15 staat dus duidelijk voor een ‘kruispunt’ in het leven van Gods kind.4)
Jakob bij Bethel (Gen. 28) en Pniël (Gen. 32)
De geschiedenis van Jakob bij Bethel en Pniël is binnen de rechterflank erg geliefd. In prediking en pastoraat wordt hier relatief zeer vaak naar verwezen. Dat verwondert ons niets. Deze geschiedenis is één van de krachtigste argumenten voor het bestaan van onder andere de bewuste rechtvaardigmaking. Bethel staat symbool voor de openbaring van Christus aan de ziel (de tiende ure) en Pniël voor de bewuste rechtvaardigmaking. Dit laatste meent men vooral te kunnen stellen op grond van Genesis 32:30: En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, [zeide hij], ik heb God gezien [van] aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. Met andere woorden: Pniël is de plaats waar Jakob bewust ervaart dat zijn ziel gered is. Dit veronderstelt dat hij voor Pniël hier geen zekerheid over had. Ook de wijze waarop de bewuste rechtvaardigmaking (bevindelijk) beleefd wordt, meent men goed te kunnen illustreren aan de hand van deze geschiedenis. Ds. Moerkerken heeft dit destijds uitgebreid gedaan in de Saambinder5). Hij wijdde maar liefst acht artikelen aan de geschiedenis van Jakob bij Bethel en Pniël. Hierdoor wilde hij vanuit Gods Woord aantonen dat er standen zijn in het geestelijke leven: “Leert Gods Woord ons toch niet heel duidelijk, dat er zaken kunnen gebeuren in het leven van Gods kinderen, waardoor de zaligheid hun nu nader is geworden dan toen zij eerst geloofd hebben? Zaken ook, waar het ene kind Gods nog voor staat en het andere weet van heeft, dat het in zijn leven is geschied?”6) Ons interesseren nu vooral artikel 5, 6 en 7 omdat die in verband staan met hetgeen Jakob beleeft te Pniël. Een samenvatting hiervan geeft ons een helder inzicht in de wijze waarop men de bewuste rechtvaardigmaking probeert te bewijzen vanuit de Schrift.
In het vijfde artikel bespreekt ds. Moerkerken kort de periode tussen Bethel en Pniël. Hij constateert dat het na Bethel gaandeweg steeds donkerder wordt in Jakobs leven. “De zoete nasmaak van Bethel verdwijnt.” Het aardse gaat een steeds belangrijker rol spelen in Jakobs leven. Twintig jaar lang spreekt de Heere niet meer tot hem. In geestelijk opzicht leidt Jakob een kwijnend bestaan. De Heere komt echter weer terug op Zijn eigen werk. Na twintig jaar zoekt God Jakob weer op, Zich bekend makende als de God van Bethel. Jakob vertrekt op Gods roepstem weer terug naar het land van zijn vaderen. Naarmate hij echter dichter bij zijn doel komt, wordt hij steeds onrustiger. Zelfs de ontmoeting met de twee legers engelen kunnen zijn onrust niet wegnemen.
In het zesde artikel gaat ds. Moerkerken in op de vraag “wat de diepste wortel van die vrees en onrust was”. Het was met God namelijk niet in orde. Als hij dan het onheilspellende bericht van zijn boodschappers verneemt, die Ezau hebben opgezocht, slaat de schrik hem om het hart (Gen 32:7). Hij verdeelt zijn bezittingen in twee onderdelen, maar knielt dan vervolgens neer en bidt God om hem uit de hand van Ezau te rukken. Hierbij merkt ds. Moerkerken op dat Jakobs gebed weliswaar ootmoedig is, maar dat hij ten diepste nog steeds aan het vechten is voor zijn leven. Hij erkent hier namelijk nog niet dat hij waard is om door Ezau gedood en voor Gods aangezicht verdelgd te worden. Met andere woorden: het is nog geen afgesneden zaak in het leven van Jakob. In het vorige hoofdstuk zagen we dat deze afsnijding altijd vooraf gaat aan het bewust beleven van de vrijspraak. Geen wonder daarom dat ds. Moerkerken hier aandacht aan schenkt. Dat het nog geen afgesneden zaak is in Jakobs leven, blijkt volgens hem ook hieruit, dat hij na zijn gebed nog alles in het werk stelt om Ezaus toorn te ontgaan. Na al deze pogingen blijft hij echter alleen over (vs. 24a). Dit staat er volgens ds. Moerkerken zo vol betekenis. Het is Jakob namelijk onuitsprekelijk bang geworden. “De dood staat hem voor ogen. De schuld staat open. De Heere heeft hem op zijn ootmoedig smeekgebed geen enkel woord geantwoord, en dat is het benauwdste van alles. Niets kan hij nu meer beginnen met zijn ontvangen zegen. (...) Geen kracht kan hij meer putten uit Bethel. Dat ligt twintig jaren achter hem. Zal hij nu een ellendige dood moeten sterven bij de grenzen van het land dat God hem eens beloofde? Zullen Gods beloftenissen verder altoos hun vervulling missen?” Dan grijpt een Man hem aan en worstelde met Jakob. Maar waarom? Wel, volgens ds. Moerkerken gaat het in de worsteling om de grote zegen des verbonds. Deze heeft Christus tot hart en middelpunt. Jakob kreeg deze eenmaal, maar in een kromme weg, van zijn vader Izak. Deze worsteling nu beoogt om Jakob nogmaals die zegen te geven, maar nu in een rechte weg en van de HEERE Zelf. Er is in het leven van Jakob echter een openstaande schuld. Daar kan God niet overheen werken. Jakob moet dat in deze worsteling inleven. “Vandaar dat Jakob zich aangegrepen voelt door een ontzaglijke, goddelijke kracht, die hem dreigt te doden. God is volmaakt rechtvaardig!” Jakob wordt eerst hier ten volle geconfronteerd met Gods eisende gerechtigheid. Dit is een wezenlijk aspect met betrekking tot de bewuste rechtvaardigmaking. Dit gaat er namelijk altijd aan vooraf. Deze confrontatie leidt ertoe dat Jakob met al het zijne volledig verloren gaat, dat hij Gods rechtvaardigheid gaat toevallen.
Ds. Moerkerken zegt het zo in het zevende artikel, dat de HEERE nu gaat afhandelen met Zijn kind. “Jakob zal straks Kanaän betreden met een nieuwe naam, met een geredde ziel en met een vergeven schuld.” Dat is dus het doel van de afhandeling of afsnijding7). In het vorige hoofdstuk merkten we reeds op dat aan de bewuste rechtvaardigmaking altijd een afsnijdingsproces of afhandeling vooraf gaat. Ook concludeerden we toen dat men hierop grote nadruk legt in prediking en pastoraat. Ds. Moerkerken probeert dit hier heel duidelijk te onderbouwen vanuit Gods Woord. In dit zevende artikel over Bethel en Pniël zijn er relatief veel passages die aandacht schenken aan wat wij eerder het afsnijdingsproces noemden. Daarentegen wordt er aan de zogenaamde bewuste vrijspraak zèlf, dus aan de weldaad van de vergeving der zonden, nauwelijks aandacht geschonken. Wat hieraan in bevindelijk opzicht vooraf gaat, lijkt daardoor belangrijker te zijn. Dit is op z’n minst opmerkelijk. We dienen ons hier af te vragen welke aanleiding de geschiedenis van Jakob bij Pniël geeft om meer aandacht te schenken aan “de afhandeling” dan aan de vrijspraak zelf. Of wordt deze ‘aanpak’ ingegeven door andere dan exegetische motieven? Dat zou natuurlijk een bedenkelijke zaak zijn, omdat deze artikelenserie de pretentie heeft om een aantal heilsordelijke zaken Bijbels te funderen (zie artikel één).
Dit zevende artikel legt dus grote nadruk op de afhandeling. Hierdoor probeert ds. Moerkerken ons duidelijk te maken dat “geen lieve, goedbedoelende en Godzoekende mensen, maar goddelozen” door God worden “vrijgesproken van schuld en straf.” De toepassing is duidelijk: “Is het zover in ons leven al eens gekomen?”. Hierna gaat ds. Moerkerken verder met het beschrijven van hetgeen Jakob beleefde voor zijn vrijspraak. Als de ochtendschemering nadert, is Jakob dodelijk vermoeid en vreest om te moeten komen in de worsteling met de Engel. Hierbij is opmerkelijk dat de worsteling uitgaat van de Engel. De les hieruit is dat Jakob zelf alleen maar probeerde op de been te blijven zolang hij kon. Plots valt echter de beslissing, want als de Engel het gewricht van Jakobs heup aanraakt, gaat Jakob door de knieën. “Hij kan zich niet meer staande houden.” Dit betekent volgens ds. Moerkerken dat het omkomen wordt in Jakobs leven. Maar dan het wonder. Jakob komt niet om. “Mogen we het ons zo voorstellen, dat Jakob op het ogenblik waarop hij gevoelt dat alle kracht hem ontvalt en hij door de knieën zinkt, zich laat vallen in de armen van de Engel? Wonderlijk: hij valt niet bij de HEERE vandaan. Hij valt de HEERE toe, ja, hij omhelst Hem die om Zijn heilig recht komt, al wordt het nu in Jakobs waarneming sterven en omkomen...” (cursivering van mij, HvR). Ziehier een Bijbelse weergave van de wijze waarop Gods kind de bewuste rechtvaardigmaking beleeft. Ds. Moerkerken besluit dit artikel met een korte behandeling van vers 27, waar de Engel Jakobs naam vraagt. Het is alsof de Engel hier vraagt: “Voor Ik u de zegen schenk, nog één vraag, o mensenkind: wie zijt gij nu? Zeg nu eens in één woord, wie je bent?” Zoals we hiervoor zagen, komt een mens hier niet uit zichzelf toe. God moet zo’n mens dan eerst om laten komen in zichzelf. Dat is een hele weg. Deze geschiedenis leert ons dat duidelijk. Voor Jakob was het echter niet moeilijk meer om zijn naam te zeggen, om met zijn hele naaktheid en ellende openbaar te komen. Hij was door God zover gebracht dat hij niet te goed meer was om verloren te gaan, “niet te goed meer voor de hel”. In die weg kreeg Jakob de zegen en een nieuwe naam. “Gelukkig, wie zo zijn leven, zijn bekering en zichzelf verliezen mag.”
Sprekend over de bewuste rechtvaardigmaking verwijst ds. G.H. Kersten in zijn dogmatiek eveneens naar deze geschiedenis. Hij constateert dat Jakob voor het gebeuren bij Pniël de Heere niet zijn God noemt. In plaats daarvan heeft Jakob het bijvoorbeeld over de God van zijn vader Abraham of Izaäk. Na Pniël spreekt Jakob echter over de God Israëls. Ds. Kersten trekt hieruit de conclusie dat Jakob voor het gebeuren bij Pniël niet verzekerd was van zijn aandeel aan Christus.8)
de overtocht van het volk Israël door de Jordaan (Num. 33, Jozua 3);
Een enkele keer verwijst men binnen de rechterflank naar déze geschiedenis om de leer van de lijdelijke rechtvaardigmaking te bewijzen. De overtocht staat daarbij symbool voor de bewuste rechtvaardigmaking. Tot deze gedachte komt men door de woestijnreis van Israël te beschouwen als de heilsordelijke weg van Gods kinderen. De woestijnreis der kinderen Israëls van wijlen ds. G. van Reenen wordt bijvoorbeeld geheel door deze ‘exegetische sleutel’ beheerst.9) Samenspraak 42 (lees: twee en veertigste legering) handelt over de doorgang door de Jordaan.10) Ds. van Reenen beschouwt deze twee en veertigste legerplaats als één van de belangrijkste. Roept Micha 6:5 Israël niet uitdrukkelijk op om te gedenken aan wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat het de gerechtigheden des HEEREN kent? Sittim was daarbij het laatste station van de Israëlieten aan de oostzijde van de Jordaan en Gilgal was het eerste station in Kanaän. Hier tussenin lag de doorgang door de Jordaan. Hier gebeurde volgens ds. Van Reenen zoveel wat Gods deugden verkondigde - namelijk “Zijn genade, rechtvaardigheid en wijsheid in het verlossen van Zijn volk” - dat de Heere wilde dat juist deze gebeurtenis in hun herinnering zou voortleven. Hier bracht de Heere Zijn volk tot geloofsbewustheid. Maar hoe komt ds. Van Reenen eigenlijk tot deze conclusie? Wel, door deze geschiedenis te allegoriseren. De afdaling van Israël van de bergen van Abarim naar de vlakke velden van de Moabieten aan de Jordaan bij Jericho (Num. 33:48) is volgens ds. Van Reenen “een angstwekkende vernedering”11). Ze komen dicht bij de dood. Waarom? Omdat, als de rivier zich zou verheffen, het met hen afgelopen was en ze zouden verdrinken. Toch moesten ze deze rivier doortrekken om in “dat heerlijke land der vrijheid” te kunnen komen. Zo is het ook in het geestelijke. Voor Gods kind komen mag tot “geloofsbewustheid”, moet hij eerst door de stroom van Gods gericht. Dan moet hij zijn hoogten verlaten om te komen in het vlakke veld van het gericht. Op deze plaats wordt het omkomen. Als die stroom van Gods gericht zich verheft, is het met hem gedaan. Maar hoe anders loopt het af. Op het moment dat de priesters die de ark (type van Christus) dragen de rivier instappen, blijven de bovenwateren staan en vloeit het benedenwater weg. Er ontstaat zodoende een breed pad. Ook dit meent ds. Van Reenen toe te kunnen passen op het geestelijke leven. Zo immers gaat het ook in de rechtvaardiging van de ziel. Op het alleronverwachtst is het de Hogepriester Jezus die Zich plaatst in de stroom van het gericht. De uitwerking hiervan is verrassend. “Daar ontsluit zich, voor die gans verloren zondaar, de stroom van Gods gerechtigheid.” Hij komt niet om, zoals hij had verwacht, maar behouden. Nu mag de ziel zeggen: Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus” (Rom. 5:11).
de instelling van de vrijsteden (zie o.a. Num. 35 en Deut. 19);
Om de leer van de bewuste rechtvaardigmaking te bewijzen vanuit de Bijbel haalt men vaak ook deze geschiedenis aan. De doodslager is veilig zolang hij in de vrijstad blijft. Verlaat hij de vrijstad dan mag hij echter gedood worden door de bloedwreker. Pas na de dood van de Hogepriester kan de doodslager ongestoord en onbevreesd terugkeren tot zijn eigen bezittingen (Num. 35:26-28). Men interpreteert deze geschiedenis als volgt. De vlucht van de doodslager naar de vrijstad tekent de toestand van de wedergeboren ziel op de toeleidende weg. De doodslager in de vrijstad staat symbool voor de wedergeboren ziel die de ruimte om zalig te kunnen worden heeft mogen zien in een Ander. Zien is echter geen hebben. Vaak wordt zo’n ziel nog verontrust door het zien van de bloedwreker. Deze heeft, zolang de hogepriester nog niet is gestorven, het recht om hem te doden als hij buiten de vrijstad komt. De dood van de hogepriester staat dan symbool voor de bewuste rechtvaardigmaking. Nu heeft de wet (de bloedwreker) geen macht meer over de doodslager. Hij is in de vrijheid gebracht. U merkt wel dat men tot deze conclusies komt door de geschiedenis te allegoriseren.
de lossing van Ruth in de poort (Ruth 4);
Deze geschiedenis wordt eveneens vergeestelijkt. Op die manier is men in staat om ook hier de leer van de bewuste rechtvaardigmaking te bewijzen. Voor de lossing in de poort kent en bemint Ruth Boaz al wel, heeft ze zelfs de toevlucht genomen onder Zijn vleugelen, maar met dat al kan ze hem nog niet de hare noemen. Ze moet nog gelost worden. Er is nog een andere losser, de wet. Die moet voldaan worden. Eerst dan kan op goede gronden het huwelijk gesloten worden. Hier liggen duidelijk geestelijke lessen in. U kunt veel van Christus ontvangen hebben. U kunt een hartelijke betrekking op Hem hebben. Mogelijk heeft u zelfs de toevlucht tot Hem genomen. Met dat alles heeft u echter nog niet de zekerheid dat Hij uw eigendom is en andersom. Daar is, zo blijkt uit deze geschiedenis, een nadere weldaad voor nodig. Je moet nog gelost worden. Dat gebeurt in de poort. Daarbij moet aan de andere losser voldoening worden gegeven. Anders gezegd: er moet betaald worden, want God kan van Zijn heilig recht geen afstand doen. Eerder kan er geen sprake zijn van een huwelijk tussen Christus en de ziel. Eerder kan er nog geen zekerheid zijn dat Hij de mijne en ik de Zijne ben.
de genezing van Hizkia (2 Kon. 20, 2 Kron. 32 en Jes. 38);
Hizkia roept in Jes. 38:14 uit of de HEERE Zijn Borg wil zijn. Dit wordt in de rechterflank zo geïnterpreteerd dat hij, die vrome en godzalige Hizkia, wel een lief kind des Heeren was, maar ten diepste nog voor de grote zaak (de bewuste vrijspraak) stond. Uit dit vers zou blijken dat Hizkia nog geen zekerheid had over zijn aandeel in Christus. Hij had bij tijden en ogenblikken wel de mogelijkheid gezien om zalig te worden in een Ander. Door zijn ziekte - die dan vaak in geestelijke zin wordt uitgelegd als de nadere ontdekking van de ellendestaat, als “de afhandeling”12) - komt de dood hem echter voor ogen te staan. Al die vorige dingen vallen weg. Ze blijken zo ongenoegzaam. Een bedekte schuld is immers geen vergeven schuld. Vandaar de angstkreet in vers 14: wees Gij mijn Borg. Hier komt dus naar voren, dat de geloofsbewustheid een speciale, specifieke weldaad is, en dat je hier als kind van God nog voor kan staan.
het gezicht van de hogepriester Jozua (Zach. 3:1-5).
In dit vierde nachtgezicht van Zacharia staat Josua in vuile kleren voor de Engel des HEEREN (Christus). Er is sprake van een soort rechtszaak. Immers, de duivel klaagt Josua aan; hij wederstaat hem. Als in elke rechtszaak zijn er vier partijen aanwezig: God de Vader, God de Zoon, Josua en de satan. Josua zit dus in de beklaagdenbank. God de Vader is hier de Rechter (vs. 2). De Engel des HEEREN is hier de hemelse Advocaat (vs. 4). Binnen de rechterflank haalt men dit gezicht daarom aan om de lijdelijke rechtvaardigmaking te bewijzen. Ook daarbij gaat het namelijk om een vierschaarervaring: God dagvaardt de zondaar voor Zijn rechterstoel, de duivel (alsook de wet en het geweten) klaagt hem aan, maar God spreekt de zondaar vrij door de tussenkomst van de hemelse Advocaat Jezus Christus. Deze vrijspraak wordt, net als in dit gezicht, bewust ervaren (vs. 2, 4 en 5). De vierschaarbeleving komt dus overeen met Gods Woord. Zacharia 3:1-5 illustreert dit duidelijk.
de grote lijn van het Oude Testament
Het Oude Testament laat ons doorgaans zien dat de HEERE Zijn genadewerk in de regel volvoert door de onmogelijkheid heen. Dit zien we bijvoorbeeld in het leven van Abraham. De HEERE geeft hem een rijke belofte. De vervulling ervan laat lang op zich wachten. Steeds meer lijkt het er op dat Gods beloftenissen haar vervulling zullen missen. Hij en zijn vrouw worden ouder en ouder. Sarah bereikt een leeftijd waarop het menselijkerwijs onmogelijk is dat ze zwanger kan worden. Naar het vlees, dat wil zeggen menselijke begrippen en verwachtingen, wordt het steeds onmogelijker. Het is echter door die onmogelijkheid heen dat God Zijn genadige beloften gaat volvoeren. De ballingschap van het volk Israël laat dit ook zien. God had van tevoren reeds beloofd na 70 jaar uitkomst te zullen geven. De omstandigheden zijn echter zodanig dat men de hoop op verlossing meer en meer verliest. Die omstandigheden zeggen als het ware elke dag: God liegt! Kijk maar om je heen; er komt niets terecht van Gods werk. Ze verdonkeren dus het zicht op de belovende God. Met die heerlijke belofte Gods komt men in de totale onmogelijkheid van ‘s mensen zijde. Op het moment dat alle hoop echter ontvalt en Gods volk geen enkele verwachting meer heeft, grijpt God reddend en uithelpend in. Hoe duidelijk zien we dit ook met betrekking tot de belofte van de Messias. Elke keer lijkt het weer uitgesloten te zijn dat er nog iets terecht komt van deze belofte. Het huis van David staat meer dan eens op het punt uit te sterven. Als de nood het hoogst is, is de redding echter steeds nabij. God voert Zijn volk dus steeds weer de dood in, ondanks alle rijke beloften.
Handelde God toen zo met Zijn volk, vandaag handelt Hij niet anders met hen. Om tot het leven te komen, moet Gods volk de dood in. Het moet daarom een onmogelijke, afgesneden zaak worden in het leven van Gods volk. Staat er ook niet in Rom. 9:28 dat de Heere een zaak voleindt, afsnijdt in rechtvaardigheid, ja een afgesneden zaak zal doen op aarde? Op grond hiervan is het dus Schriftuurlijk om in prediking en pastoraat aandacht te besteden aan de afhandeling, aan het afsnijdingsproces. Het is naar de Schrift om te zeggen dat Gods kind de bewuste vrijspraak ontvangt in een weg van totale afsnijding.
Het Nieuwe Testament geeft verhoudingsgewijs veel minder bewijsplaatsen voor de leer van de lijdelijke rechtvaardigmaking. Het is met name de gang die de Heere Jezus hield met Zijn discipelen die als bewijs moet dienen voor deze leer. Ook de gelijkenis van de schat in de akker en de parel van grote waarde functioneren in dit verband als bewijs (Matth. 13:44-46). Bij elk een toelichting.
de gangen van de Borg met Zijn discipelen
De gangen van de Borg zijn de gangen van Gods Kerk. Wie geen vreemdeling is in de rechterflank van de gereformeerde gezindte, klinkt deze uitspraak bekend in de oren. Bij velen is dit een geliefde uitdrukking. In de gang die de Heere Jezus maakt op aarde, ziet men op zo’n uitnemende wijze de weg getekend die de Heere houdt met Zijn kinderen. De heilsfeiten - Kerst, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren - typeren de heilsordelijke weg. Laten we Kerst als voorbeeld nemen. Toen werd de Heere Jezus geboren. Dit heilsfeit vond plaats in de nacht, letterlijk en figuurlijk. Hoe donker immers was de geestelijke toestand van Israël. Met alle beloften die ze ontvangen hadden van de Heere, kwamen ze steeds meer terecht in de onmogelijkheid. Honderden jaren lang had de stem van de profeten gezwegen. Het huis van David leek uitgestorven. Juist in deze diepste duisternis wordt Christus echter geboren. Gaat dit ook niet op voor het geestelijke leven? Gods kinderen op de toeleidende weg moeten steeds meer de onmogelijkheid van zalig worden inleven. Het wordt al donkerder en donkerder in hun leven. Al hun hoop en verwachting vergaat. Dan echter opent de Heere de ogen voor Immanuël. De Weg ter ontkoming wordt geopend. Ze mogen een blik slaan in de weg der verlossing. Jezus gaat voor hun ogen schitteren. Ze zien iets van Zijn weergaloze schoonheid.
We zien dus dat de heilsfeiten ook belevingsfeiten zijn. Ze verwijzen naar bepaalde bevindingen. Gods Woord laat ons daarbij tevens zien welke weg of gang aan een bepaald heilsfeit vooraf gaat. Dit zien we in het leven van de Heere Jezus, maar ook in het leven van de discipelen.
Het leven van de Heere Jezus is menselijkerwijs een neergaande lijn. Zijn leven op aarde kunnen we in één woord karakteriseren: afbraak. Het is echter in die weg van afbraak dat Hij triomfeert en verheerlijkt wordt. Het lijden gaat aan de heerlijkheid vooraf. Dit geldt in het algemeen nu ook voor het geestelijke leven. Aan Pasen (de bewuste rechtvaardigmaking) gaat Goede Vrijdag (de afhandeling) vooraf. Voordat een kind van God bij bewustheid de verlossing of vrijspraak mag beleven, gaat hij eerst de dood in.
De weg die de Heere Jezus hield met Zijn discipelen - die al de genoemde heilsfeiten mochten beleven - geldt eveneens als ‘blauwdruk’ voor het geestelijke leven. Duidelijk blijkt uit de gangen van de discipelen dat er standen zijn in het genadeleven. De Middelaar wordt hen geopenbaard en ze krijgen een hartelijke betrekking op de Heiland. Johannes spreekt in Joh. 1 in deze van een ‘tiende ure’. Johannes heeft een nieuwe zaak beleefd. Dat vergeet je nooit. Op 90-jarige leeftijd weet hij nog precies, zelfs de tijd. In deze stand van het geestelijke leven gebracht, “benodigen” de discipelen Hem vooral als Profeet. Ze hangen aan Zijn lippen. Heeft Jezus niet de woorden des eeuwigen levens? Als Priester kennen ze Hem echter nog nauwelijks. Ze zijn zo ontzettend blind voor Zijn Middelaarsarbeid. De discipelen zijn daar zelfs vijandig, afkerig van. Ze verwachten dat hun weg met Jezus een opwaartse weg is. Een lijdende, stervende Borg strookt volstrekt niet met zulke verwachtingen. Hun ogen zijn namelijk nog niet geopend voor de noodzakelijkheid van Jezus’ Middelaarsarbeid. Ze hebben meer behoefte aan Jezus als Profeet dan aan Jezus als Priester (en Koning). Een diepe weg blijkt nodig om ze hierin nader te onderwijzen. Dit is een weg waarin alle hoop hen ontvalt. Ze dachten dat Jezus Israël verlossen zou, maar het loopt allemaal heel anders af. Hun Heere, hun meester overlijdt, na een smadelijke kruisdood te zijn gestorven! Nu zijn ze geheel teruggeworpen op zichzelf. De woorden van het eeuwige leven hebben ze nog wel in hun geheugen, maar het eeuwige Leven Zelf is er niet meer. U begrijpt, dan staat de hele zaligheid op losse schroeven. Zo wordt het nacht in het leven van de discipelen. De weg met Jezus eindigde in de dood. Alle verwachting is afgesneden. Het lieve, aangename leven met Jezus is voorgoed voorbij. Pasen brengt echter een ommekeer teweeg in hun ‘afgesneden’ leven. Ze mogen de Heiland nu leren kennen als de Opgestane Levensvorst, die door Zijn dood de dood heeft overwonnen. Met deze nieuwe kennis komt er weer een andere gang in het leven van de discipelen. Ze mogen weten dat Hij zelfs in de donkerste nacht hun Heere en hun God is. Hun zaligheid komt vast te liggen in Hem en niet meer in de wankele gronden van hun gestalten en gevoelens.
Zo leren de discipelen ons:
1. dat er standen zijn in het genadeleven;
2. dat het groot is om de Heere Jezus te benodigen en aan te hangen als Profeet, dat het zoet en lieflijk is om woorden des eeuwigen levens van Zijn lippen te mogen vernemen,
3. maar dat we nu met dat alles de dood in moeten, willen we vaste grond onder onze voeten krijgen. Eerst met Pasen ontvangt Gods kind bewuste geloofszekerheid. Deze bewuste geloofszekerheid hangt onlosmakelijk maken met een onderscheiden kennis van God de Zoon,
4. dus leren de discipelen ons ook dat de mate van geloofszekerheid afhankelijk is van de onderscheiden, bevindelijke kennis van de drie Goddelijke Personen.
Gods kind is er namelijk nog niet met Pasen. Want al is het Pasen in uw leven geworden, dan staat u nog voor Hemelvaart en Pinksteren. Mag u met Pasen weten dat uw Verlosser leeft (Job 19:25), met Hemelvaart wordt u teruggebracht in het Vaderhart van God. Dan ontvangt u die Geest der aanneming tot kinderen, waardoor u uit leert roepen: Abba, Vader (Rom 8:15). U heeft dan niet alleen onderscheiden kennis van God de Zoon, maar ook van God de Vader. De Persoon van de Heilige Geest leren we nader kennen als het Pinksteren wordt in ons leven. Dan worden we verzoend met een Drieënig God. De heilsfeiten ziet men in deze visie dus tevens als bepaalde bevindingen of “zaken”. De verschillende standen in het geestelijke leven worden hieraan gekoppeld.
Gelijkenis van de schat in de akker; de parel van grote waarde (Matth. 13:44-46)
De schat in de akker staat symbool voor Christus. Uit de gelijkenis blijkt dat er onderscheid bestaat tussen het vinden van de schat en de wettige koop hiervan. De geestelijke les hieruit ligt voor de hand: de Heere Jezus kan Zich aan u hebben geopenbaard, maar daarmee heeft u Hem nog niet als uw wettig eigendom. Dit zijn twee verschillende “zaken”, zo blijkt uit deze gelijkenis. Dit pleit dus voor de leer van de bewuste rechtvaardigmaking (de wettige koop; vergelijk met het huwelijk tussen Ruth en Boaz).
De gelijkenis van de koopman die schone parels zoekt, leert iets soortgelijks. Ook hierin wordt verschil gemaakt tussen het zien of vinden van de parel van grote waarde en het kopen hiervan. De parel van grote waarde is natuurlijk de Heere Jezus.
Beide gelijkenissen leren ons bovendien dat het niet gelijk vinden en kopen is. Voor de koop van de gevonden schat of parel is nodig dat de vinder eerst al het zijne verkoopt. Dit wijst nadrukkelijk op de ontlediging of afhandeling die aan de bewuste rechtvaardigmaking vooraf gaat.
confessionele basis van de lijdelijke rechtvaardigmaking
In de rechterflank meent men dit leerstuk in ieder geval terug te kunnen vinden in de Heidelberger catechismus en de Dordtse Leerregels. De Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt in dit verband nooit aangehaald, bij mijn weten, en kan hier dus buiten beschouwing blijven.
de Heidelbergse catechismus
Gaat het in zondag 7 over het wezen van het geloof, zondag 23 handelt over het geloof in haar welwezen. Anders gezegd: handelt zondag 7 over de planting van het ware geloof, dus over de dadelijke rechtvaardigmaking in de wedergeboorte, in zondag 23 gaat het over de lijdelijke of bewuste rechtvaardigmaking. Hier immers gaat het expliciet over het ‘aannemen’ en ‘toeëigenen’ van Christus, iets waar zondag 7 niet over spreekt. Zo meent men het onderscheid tussen dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking ook terug te kunnen vinden in dit belijdenisgeschrift, zij het summier.
de Dordtse Leerregels
Als het gaat over de bewuste rechtvaardigmaking haalt men zelden of nooit dit belijdenisgeschrift aan. Ergens vind ik dat merkwaardig. Mijns inziens geeft onze Heidelberger veel minder aanleiding voor de gedachte dat er een bewuste rechtvaardigmaking is dan de Dordtse Leerregels.
Hier immers lezen we uitdrukkelijk dat de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheiden trappen en met ongelijke mate, verzekerd worden. Uit het vervolg, als aangegeven wordt hoe Gods volk van hun verkiezing zeker kan worden, blijkt echter dat men daarbij niet denkt aan een bewuste rechtvaardigmaking.13) Niettemin geeft de uitdrukking te zijner tijd aan dat er een bepaalde tijd kan liggen tussen de instorting van het geloof en de verzekering dat het geloof echt is. Bovendien geven De Canones aanleiding tot de gedachte dat er trappen zijn in de gelovige aanneming en dus ook in de zekerheid van het geloof. Zoals we al eerder zagen vormt deze visie weer het fundament van de opvatting dat er standen zijn in het genadeleven. Maar kunnen we voor díe opvatting terecht bij de Dordtse Leerregels? Artikel 16 van hoofdstuk één zou hier inderdaad een aanwijzing voor kunnen zijn. Hier wordt bijvoorbeeld gesproken over mensen die het levend geloof in Christus, of het zeker vertrouwen des harten, de vrede der consciëntie, ..., de roem in God door Christus, in zich nog niet krachtiglijk gevoelen. Deze moeten naar de tijd van overvloediger genade vurig verlangen, die eerbiedig en ootmoedig verwachten. Deze mensen gevoelen deze zaken dus wel, maar het is zo zwak. Ze missen veelal het gevoel ervan. Naast deze categorie kennen de opstellers van de Dordtse Leerregels nog een andere groep mensen, namelijk hen die ernstig begeren zich tot God te bekeren, Hem alleen te behagen, en van het lichaam des doods verlost te worden, maar niet zover in de weg van de godzaligheid en van het geloof kunnen komen als ze wel zouden willen. De opstellers zijn van mening dat deze mensen nóg minder verschrikt horen te zijn voor de leer van de verwerping. Zij zijn dus méér geoefend in de genade!14) Dat blijkt onder andere hieruit dat deze mensen verlangen om van hun lichaam des doods verlost te worden. Dat is een uitnemende vrucht. Die vind je niet aan de boom van geloofsonzekerheid! Zien we het goed, dan is het geloof van de eerste groep mensen nog zo zwak dat ze meer met zichzelf, met hun eeuwig wel en wee, bezig zijn dan met de eer van God. De andere groep mensen is meer bevestigd met betrekking tot hun staat en daardoor ook meer bezet met de vraag hoe God aan Zijn eer komt. In het stuk van de heiligmaking - en dus ook van het geloof, want dit is de veldheer van alle ander genadegaven - vinden ze echter zo ontzettend veel gebreken in zichzelf. Dit doet ze met Paulus zuchten: “Ik ellendig mens”, enzovoort. In dit artikel is dus min of meer sprake van standen in het genadeleven. Tevens wekt dit artikel de indruk dat men - net als in de rechterflank - de mate van geloofszekerheid koppelt aan de ervaring c.q. bevinding. Een uitdrukking als krachtiglijk gevoelen wijst daar bijvoorbeeld op. Anderzijds blijkt echter weer nergens, ook niet in de Acta van de Nationale synode te Dordrecht (1618/1619), dat men de mate van geloofszekerheid koppelt aan een onderscheiden kennis van de drie Goddelijke Personen. Eerder vinden we aanwijzingen om het tegenovergestelde te beweren. Niettegenstaande bovenstaande noties geeft het geheel van de Dordtse Leerregels ons persoonlijk toch de indruk dat de opstellers eerder uitgaan van de opvatting dat het geloof zich geleidelijk ontwikkelt, in ieder geval niet gekoppeld is aan het al dan niet meemaken van specifieke, feitelijk vastgelegde, geestelijke ervaringen.15)
Ik wil echter niet te veel op de zaak vooruit lopen. Voor het doel van dit hoofdstuk is het voldoende om vast te stellen dat de leer van de bewuste rechtvaardigmaking op zich niet terug te vinden is in de Dordtse Leerregels, maar dat dit belijdenisgeschrift wel aanleiding zou kunnen geven tot de gedachte dat er trappen zijn in de gelovige aanneming en derhalve ook in de geloofszekerheid.
Voetnoten
1) Zie ds. A. Moerkerken, Verstaat gij ook...?
2) Zie ook Ef. 2:1,5.
3) Zie de kanttekeningen bij Ps. 51:8. De buitenkant was in die tijd wel in orde bij David. De openbare eredienst bleef hij getrouw onderhouden. Het verborgen leven met de Heere liet echter alles te wensen over. Van geloofsoefeningen was toen geen sprake, iets wat David hier erkent.
4) Zie onder meer ds. M.A. Mieras, De Heidelbergse Catechismus, in 52 predikaties, 251, 252.
5) Zie De Saambinder, 69e jaargang, nr.48-50 en 70e jaargang, nr. 1-3, 5 en 10.
6) De Saambinder, 69e jaargang, 5 sept. 1991, nr. 48, 1e artikel.
7) Zie wat hierover werd opgemerkt in hoofdstuk 4, onder De weldaad van de vergeving der zonden en Drieërlei afsnijding en tweeërlei toevallen van Gods recht.
8) Ds. G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek, deel II, (Jakob bij Pniël)
9) Dit boek is een samenspraak “over de roemruchte tocht der kinderen Israëls van Egypte naar Kanaän, en dat wel naar de leidraad van Numeri 33, waar we Israëls legeringen naar de mond des Heeren opgetekend vinden” (zie voorwoord). In Numeri 33 worden 43 plaatsen genoemd, waar het volk van Israël zich legerde. “Maar daarin ligt nu ook heel de weg der bekering, heel de reis die Gods volk gaat van het diensthuis der zonden tot het kanaän der ruste” ( 7). Naar aanleiding van elke legerplaats nu wordt een samenspraak gehouden.
10) Ds. G. van Reenen, De woestijnreis van de kinderen Israëls; twee en veertigste legering, 256-265.
11) Ibid., 257
12) Ibid., 246: “In die voorraadschuren vindt men vijgen ter genezing. Immers, als de Heere een mens ontdekt aan zijn ellendestaat, dan krijgt hij evenals Hizkia, te klagen over een vreselijk gezwel, het is de zonde, die veel erger is, dan de bloedende kanker van de bloedvloeiende vrouw uit het evangelie, erger dan de melaatsheid van Naäman ... Ja, die vijgeklomp van Jezus’ kruis- en zoenverdiensten, door het geloof op uw zielswonden gelegd, en - gij zijt genezen!”
13) Dordtse leerregels, Hfdst. 1, art. 12; zie ook de Acta over dit artikel.
14) Hier bestaat veel misverstand over. Veel mensen in de gereformeerde gezindte zijn van mening dat deze tweede groep mensen een zwakker geloof zou hebben dan de eerste groep die in dit artikel wordt genoemd. Dit onder ander vanwege de zinsnede “die ernstiglijk begeren, zich tot God te bekeren” en het feit dat de opstellers van de Dordtse Leerregels juist met betrekking tot deze ‘categorie’ spreekt over “de rokende vlaswiek” en “het gekrookte riet”. In de gereformeerde gezindte heeft men met deze begrippen namelijk juist het oog op de “bekommerden”. Wie dit artikel echter goed leest, kan echter niet anders concluderen dan dat met deze tweede groep mensen juist de meer bevestigde kinderen van God worden bedoeld.
15) Zie ondermeer Hfdst. 5, art. 9 en 11.