27-10-2003 | 08:16
Dr. W. van Vlastuin
We staan op heilige grond. In de toe-eigening van het heil gaat het om het
grootste mysterie van God. We lezen niet over Gods blijdschap bij de voltooiing
van de schepping of bij de overwinning van Jezus op dood, graf en hel. Maar we
lezen wel over de blijdschap in de hemel bij de bekering van de enkele zondaar.
Gods eeuwige plannen komen tot vervulling, elke keer opnieuw wanneer het heil
wordt toegeëigend. De oneindige kracht van Christus’ verzoening schittert,
steeds opnieuw wanneer een zondaar in deze gerechtigheid gaat delen. De engelen
rekken hun halzen om in deze diepten van God in te blikken.
In de toe-eigening van het heil gaat het dan ook om het hart en het gebinte van de gereformeerde theologie. Het is niets te veel als we beweren dat hierin het gereformeerde karakter van de theologie uitkomt. De kwestie van de toe-eigening is de toetssteen voor de theologie. De manier waarop met de toe-eigening van het heil wordt omgegaan maakt duidelijk hoe men aankijkt tegen de verwerving en de verkiezing, de schepping en de zondeval, het vreemdelingschap en de voleinding. In de tijd van de Reformatie ging het over de vraag of de kerk ons het heil toe-eigent, of de Heilige Geest. Achter deze vraag bleek verschil van inzicht over de verwerving door Christus te liggen. Uiteindelijk kan de vraag worden gesteld of men over hetzelfde heil spreekt als men anders over de toe-eigening van het heil spreekt. Elke theologie die haar brandpunt niet vindt in de toe-eigening, doet geen recht aan de werkelijkheid tussen God en mens. Zonder de toe-eigening van het heil ontbreekt het snijpunt van de werkelijke ontmoeting tussen God en mens. In deze persoonlijke ontmoeting klopt het hart van de theologie. Waar dit ontbreekt, wordt het hart uit de theologie gehaald. Het aspect van de toe-eigening is niet een ”plus” bij de theologie en de prediking, maar behoort tot het wezen ervan. De gereformeerde theologie heeft altijd met twee woorden over het geheim van de toe-eigening van het heil gesproken. We vinden dat in Zondag 7 van de Heidelberger Catechismus. In deze zondag gaat het over het geloof dat ons verbindt met Christus. Hier vallen de eeuwige beslissingen. Zonder geloof zijn we in Adam en door het geloof worden we in de laatste Adam ingelijfd. In vraag 21 komt dan de vraag aan de orde wat het geloof is. In het antwoord treffen wij de machtige zinsnede aan dat „de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt” het vaste vertrouwen dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid geschonken is. De twee zijden die ik bedoel zijn deze: 1. De Heilige Geest werkt het geloof in het hart 2. De Heilige Geest doet dit door middel van het Evangelie. In ons klassieke doopformulier komen we dezelfde tweeslag tegen. We vinden daar de diepe uitdrukking dat de Heilige Geest in ons wil wonen, „ons toe-eigenende hetgeen wij in Christus hebben.” In deze uitdrukking vallen dezelfde zaken opnieuw op: 1. De Heilige Geest eigent ons de geestelijke schatten toe. Dat is niet een werk van de gelovige, maar van de Heilige Geest. Hij trekt ons en wij lopen Hem na. 2. De Heilige Geest eigent ons niet toe wat we niet hebben, of nog niet hebben, maar hetgeen we in Christus hebben. Hier wordt ongetwijfeld gedoeld op de werkelijkheid van de belofte. In de belofte van het Evangelie hebben we de gehele zaligheid ontvangen.
Het middel
Na dit kader te hebben geschetst, komen we tot het werk van dr. Van der Zwaag.
Allereerst wil ik hem complimenteren en feliciteren met de uitgave van deze
uitvoerige en diepgravende studie. Het komt mij voor dat hij in zijn boek vooral
het tweede aspect van de toe-eigening heeft belicht. Het gaat hem dus om het
Evangelie waardoor de Heilige Geest het geloof werkt. Zijn werk is erop gericht
om ons ervan te verzekeren dat de Heilige Geest niet in het vacuüm aan het werk
gaat, maar dat Hij ons toe-eigent hetgeen wij in Christus hebben. Van der Zwaag
beklemtoont de middellijke weg waarin de Heilige Geest in het hart werkt. Hij
benadrukt dat het gezonde geestelijke leven alleen mogelijk is als de leer
gezond is. Hij onderstreept dat we als gedoopten niet neutraal staan tegenover
God en Zijn Christus, maar dat de schatten van het Evangelie voor ons geopend
zijn. We horen in zijn uitvoerige en grondig onderbouwde werk een krachtig
pleidooi om niets af te doen van de waarachtigheid van Gods belofte. De
waarachtigheid van God Zelf is hier in het geding. Speelt God een spelletje met
ons, is de doop toneelspel, of meent God waarachtig dat Hij geen lust heeft in
onze dood? Achter dit appèl proeven we een diepe zorg. Dit boek is wel op de
studeerkamer geschreven, maar het is daar niet geboren. Het is geboren in het
midden van de gemeente, onder de prediking van het Woord. Dit boek is vooral een
boek over de prediking. Broeder Van der Zwaag is bezorgd over de prediking en
over de geestelijke leiding die daarin wordt gegeven. Hij vreest dat kerk en
theologie middellijkerwijs zondaren verhinderen om in te gaan door de enge
poort, een sta-in-de-weg zijn voor persoonlijke zekerheid en het licht van het
Evangelie voor de wereld verduisteren. Ik wil er geen misverstand over laten
bestaan dat ik de intentie van de schrijver voluit deel. Hetzelfde geldt grosso
modo voor de theologische lijnen over Wet en Evangelie, verbond en verkiezing,
belofte en aanbod, heilsorde en heilszekerheid, enzovoort. Toch maak ik een
kanttekening. Mijn kritiek betreft niet in de eerste plaats de dingen die wel
zijn gezegd, maar de dingen die niet zijn gezegd.
De beleving
Het valt mij op dat de auteur de toe-eigening door de Heilige Geest als zodanig
niet aan de orde heeft gesteld. Ik bedoel dan de manier waarop de Heilige Geest
de werkelijkheid van de belofte tot geestelijke werkelijkheid in de ziel maakt.
Het komt wel aan de orde, maar het is meer zijdelings dan dat het systematisch
een plaats krijgt. Daarmee doet de auteur geen recht aan de ondertitel van zijn
werk: ”De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief”. Deze
ondertitel wekt de indruk dat het geheimenis van het werk van de Heilige Geest
in dit boek behandeld zal worden. Dat is niet het geval. Als zodanig is dit een
formele kritische opmerking. Aanpassing van de ondertiteling neemt deze
opmerking weg. Ik maak deze opmerking echter niet om een formele reden, maar om
een inhoudelijke reden. Ik meen dat juist dit aspect van de toe-eigening -het
geheimenis van de Geest- onmisbaar is. Kunnen we over de toe-eigening van de
belofte spreken zonder dat op de toonhoogte van de beleving te doen? Is datgene
wat God doet door middel van de beloften van het Evangelie niet veel
belangrijker dan de vraag voor wie de beloften zijn? Betekent het negeren van
het werk van de Heilige Geest niet dat we tekortdoen aan de drie-eenheid van
God? Hoe ervaren we de toe-eigening door de Heilige Geest? Ter illustratie twee
opmerkingen: 1. Vanuit de werkelijkheid van de belofte gezien, kunnen we
Christus niet stelen, maar vanuit de werkelijkheid van de Heilige Geest gezien
kunnen we Christus wel stelen. De vleselijke mens meent geestelijk te zijn en
eigent zich de grootste schatten met het grootste gemak toe. De geestelijke mens
ontdekt zijn vleselijkheid en vreest zichzelf dingen toe te eigenen die niet
zijn geestelijk eigendom zijn. Zo eigenen we onszelf het volgende woord toe: „O,
mijn geliefden, springt er toch niet zo licht overheen! Matigt u toch niet zo
gemakkelijk de troost van de vergeving van de zonde aan! Erkent toch eerst eens
grondig uw verdorvenheid, en ziet toe, wat het is, te zondigen tegen de heilige
Tien Geboden! Ik zeg: Gij komt, als God aan uw ziel arbeidt, in angst, niet
zozeer voor de hel, maar in angst voor God, omdat ge tegen de heilige God
gezondigd hebt” (Kohlbrugge). 2. Hoe eigent de Geest ons toe wat we in de
belofte hebben? Het is Zijn gewone weg om de belofte door het tegendeel heen te
vervullen. Hij vervulde de belofte aan Jozef niet door hem stap voor stap op de
maatschappelijke ladder te doen stijgen. Integendeel. God verhoogde Jozef toen
Hij hem vernederde. Jozef kwam in de kuil terecht, hij sjokte achter de kamelen
door het hete woestijnzand, hij diende als slaaf in het huis van Potifar en hij
zuchtte wegens onrecht in de gevangenis. De weg van God met Jozef is
veelzeggend. Wanneer God ons rijk maakt, ontneemt Hij ons alles. Wanneer God ons
doet leven, ontdekken wij de dood. Wanneer God ons rechtvaardig verklaart,
bekennen wij onze ongerechtigheid. Wanneer God ons genadig is, wordt Zijn toorn
werkelijkheid in onze ziel. Wanneer Hij ons tot hulp is, ervaren we onze
hulpeloosheid. Wanneer wij onszelf niets meer toe kunnen eigenen, eigent de
Geest ons het in Christus verworven heil toe.
Herkenning
Er is nog een tweede reden waarom ik pleit voor de bevindelijke bespreking van
de toe-eigening van het heil. Volgens mij is deze toonhoogte de enige uitweg uit
de problematiek waarin dit boek is ontstaan. Als ik het goed proef, is de
achtergrond van de spanning niet in de eerste plaats een theologische, maar een
geestelijke. Het gaat om het karakter van de bevindelijke prediking en het
bevindelijke leven. Laat ik proberen toe te lichten wat ik bedoel. Ik beweer:
”Het Evangelie is ruim”. Heb ik daarmee iets gezegd? Eigenlijk niet. Het is een
heel groot verschil hoe ik dat zeg. Ik kan deze uitdrukking op verschillende
manieren bezigen: 1. Deze uitdrukking kan theologisch worden gebezigd. Ik kan
deze uitdrukking gebruiken om te pleiten voor een gezonde leer en een gezonde
theologie. Ik bedoel met de uitdrukking dat het Evangelie ruim is dat ik een
voorstander ben van een ruim aanbod van genade. 2. Deze uitdrukking kan
bevindelijk worden gebezigd. Dan horen we er verwondering en aanbidding in. Als
ik persoonlijk en bevindelijk ervaar dat mijn wegen doodlopen, en het Evangelie
gaat voor mij open, dan zie ik zo’n oneindige ruimte in het Evangelie dat ik God
eeuwig wil loven en prijzen. 3. Deze uitdrukking kan oppervlakkig worden
gebruikt. Ik kan ermee bedoelen dat de oude mens ruimte moet krijgen, en dat ik
de smalle weg niet zo nauw moet nemen. Het ruime Evangelie wordt dan een idee.
Het Evangelie is dan geen Evangelie meer, maar een goedkope geruststelling. Van
der Zwaag beweegt zich naar mijn inschatting op de theologische lijn (1). Dat is
integer en zuiver. Ik vrees echter dat bij degenen die luisteren op bevindelijke
niveau (2) de vrees voor het oppervlakkige niveau (3) niet is weggenomen. Vooral
als het betoog ook nog wordt ondersteund door een uitvoerig beroep op Van Ruler,
die bepaald geen bevindelijk theoloog in de katholiek-gereformeerde betekenis
van het woord was. Het is mijn overtuiging dat het bevindelijk spreken over de
toe-eigening van het heil theologische verschillen overstijgt. Dat was vroeger
zo en dat is nog zo. De mannen van de Nadere Reformatie herkenden zich in de
beleving van Bernardus van Clairvaux of in de bevinding van Thomas a Kempis. Ds.
Mallan schreef op een uiterst hartelijke wijze een boekbespreking over de boeken
van Mary Winslow. Ik geloof niet dat hij al haar theologische overtuigingen voor
zijn rekening zou nemen. Misschien zou hij zelfs wel aarzelingen hebben bij haar
bekeringsweg. Maar toen hij in haar dagboek las hoe ze de dingen beleefde, viel
hij voor het werk van de Heilige Geest in haar hart. Ik ben van mening dat Van
der Zwaag de gereformeerde gezindte een dienst zou bewijzen als hij in deel II
van zijn werk de bevindelijke kant van de toe-eigening van het heil zou
belichten. Ik wens hem daarbij veel sterkte en Gods zegen!