De Waarheidsvriend, 19 februari 2004
Boekbespreking
Afwachten of verwachten? (I)
Het geloof als plicht en gave
Vele zijn de vragen met betrekking tot de toeëigening van het heil in Christus. De bekering is het werk van God. Geheel en al. Men kan zelf niets tot zijn behoud toedoen. Maar hoe is het dan met de oproep die van Godswege tot ons komt? Anders gezegd: hoe is de verhouding tussen Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid? Wat heeft de roeping van God te betekenen? Mogen wij zomaar tot Christus komen? Hoe kom ik aan het geloof? Is er niet eerst kennis van ellende nodig? En hoe diep moet die dan gaan? Hoe is de verhouding tussen wedergeboorte en geloof? Hoe krijg ik de zekerheid een kind van God te zijn? Menigeen maakt zich van de oproep tot geloof en bekering af door te verklaren: God moet het doen! Zo gemakkelijk zal het niet gaan.
Geweldige studie
Juist als wij beseffen dat ons eeuwig behoud in het geding is, kan dit alles ons echter bezighouden. Deze en dergelijke vragen hebben dr. K. van der Zwaag, kerkjournalist bij het Reformatorisch Dagblad, gebracht tot een intensieve studie. De titel luidt: Afwachten of verwachten? Het woord “afwachten” bedoelt een lijdelijke houding aan te geven. Deze is onbijbels en verwerpelijk. “Verwachten” daarentegen is de bijbelse houding van het spanningsvolle uitzien.
De ondertitel luidt: “De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief”. Deze geeft aan dat de schrijver vooral wil nagaan hoe er in het verleden, met name door gereformeerde theologen en predikers, is gedacht over zijn onderwerp. Het is een geweldige studie geworden. Geweldig wat de omvang betreft en geweldig wat de inhoud betreft.
Inmiddels heeft het in de pers de nodige aandacht gekregen. Kort na de verschijning is zelfs een congres aan de inhoud gewijd. Honderden gemeenteleden waren hier aanwezig. Wel een bewijs dat velen zich betrokken weten bij de aan de orde gestelde problematiek. Het boek is met journalistieke vaardigheid geschreven en is alleszins toegankelijk voor de gemiddelde lezer. Het bevat vijf delen. Wij willen eerst een korte weergave geven van de inhoud, om in een volgend nummer van ons blad een aantal opmerkingen over deze studie te maken.
Menselijke wil
In het eerste deel wordt gehandeld over de geestelijke doodsstaat, waarin wij ons van nature bevinden. Dit deel telt slechts enkele bladzijden en is in vergelijking met de volgende delen zeer kort. In dit opzicht dringt zich een vergelijking op met de Heidelbergse Catechismus. Het stuk der ellende is daar radicaal en kan daarom kort zijn. De schrijver zegt van ons mensen: ”Ronddolend op deze door de zonde vervloekte aarde, als een Kain, is de mens God kwijt en verkeert hij zonder hoop op deze wereld.” De menselijke wil krijgt hier de meeste aandacht. Deze is ondanks de zonde gebleven, maar daar is een verkeerdheid in aanwezig, zodat de mens van zichzelf niets anders dan het verkeerde kan willen. Met het oog op onze verantwoordelijkheid wordt dit naar voren gebracht. De mens is noch in het zondigen noch in het geloven “een stok en een blok”.
Het tweede deel heeft tot titel “De verkondiging van vrije genade”. Zij handelt over de genadige toewending van God. In dit uitvoerige hoofdstuk wordt een aantal onderwerpen thematisch behandeld. De nodiging en de oproep tot geloof gaat uit tot een ieder. God wil dat alle mensen zalig worden (l Tim 2:4). Dit houdt niet in dat alle mensen zalig worden, maar wel dat het heil aan een ieder verkondigd mag worden. Gods beloften komen tot een ieder. De uitverkiezing doet niets af aan de welmenendheid van God tot ons behoud. Wij van onze kant dienen niet te beginnen bij de verkiezing maar bij de roeping van God.
Volgorde van de heilsfeiten
Het zou te ver voeren alle onderwerpen die de schrijver hier aan de orde stelt, te vermelden. Wij geven enkele gedachten door. Het is niet nodig God te bewegen met onze tranen en gebeden. De ernst van het ongeloof wordt hier aangewezen. Gewaarschuwd wordt tegen een vast bekeringssysteem. Het gevaar is immers niet denkbeeldig dat wij bij de heilsorde meer het accent leggen op de orde dan op het heil. Ten onrechte wordt een bepaald bekeringsschema gehanteerd, ontleend aan Gods leiding met enkele oudtestamentische figuren als Ruth en Jakob. Ook is het onjuist te menen dat de volgorde van de heilsfeiten in de beleving van een christen terug dient te keren. Dit tweede deel wordt besloten met de behandeling van de beide sacramenten in de geest van de Reformatie.
Als men dit deel in zijn geheel overziet, merkt men dat de auteur de vragen niet uit de weg gaat. Men komt onder de indruk van zijn belezenheid. Hij oriënteert zich in sterke mate op theologen uit de bloeitijd van de kerk, en dan vooral op die van het Engelse en Schotse Puritanisme. Ik kan de verleiding niet weerstaan enkele treffende uitspraken hier weer door te geven. “Christus is meer gereed om u te horen dan u bent om te vragen.” (McCheyne) “Wij moeten niet proberen om door onze gebeden of ernst God te bewegen om ons genadig te zijn om aldus de zaligheid van een misgunnend en strenge rechter af te dwingen. God dringt Zijn zaligheid op aan ons en verklaart op dit ogenblik Zijn oneindige gewilligheid om ons te zegenen.” (Horatius Bonar) “U moet niet denken dat u zonder Middelaar tot God kunt komen, maar u heeft geen middelaar tussen u zelf en Christus nodig.” (Spurgeon)
Mensen worden rechtstreeks naar Christus verwezen. Het bidden om een nieuw hart (wedergeboorte) kan een aanwijzing zijn dat men niet zomaar naar de Heere Jezus mag gaan. Door alles heen is duidelijk dat de auteur niet alleen de dode lijdelijkheid afwijst, maar evenzeer het arminianisme met zijn nadruk op de menselijke activiteit.
Na de Afscheiding
Dit tweede deel kan men als voorbereidend beschouwen op het derde. Dit behandelt de theologische ontwikkelingen van de reformatorische kerken na de Afscheiding. Reeds in de tweede helft van de achttiende eeuw waren er twee stromingen. De ene stond een ruime en onvoorwaardelijke evangelieprediking voor, de andere ging ervan uit dat als God alleen de uitverkorenen wilde zalig maken, het ondenkbaar is dat Hij een ieder welmenend roept tot de zaligheid. Toen in 1834 de Afscheiding had plaatsgevonden, was ook daar een stroming die in deze richting dacht, de zogenaamde Drentse richting, die zich keerde tegen de meer ruimere opvattingen van iemand als Brummelkamp.
In de tweede helft van de negentiende eeuw leefde het gedachtegoed van de Drentse richting voort bij de zogenaamde kruisgezinden. Men meende hier dat het onjuist was geestelijk doden te roepen om tot Christus te komen. Beduchtheid voor het arminianisme of remonstrantisme en voor een beredeneerd geloof speelde hierbij een rol. Ditzelfde kan gezegd worden van ds. G. H. Kersten die het kerkelijke klimaat van de Gereformeerde Gemeenten in sterke mate bepaald heeft. Onder zijn invloed werden in 1931 door de synode van deze kerkgemeenschap een zestal theologische uitspraken gedaan, waarin een en ander officieel werd vastgelegd. In de onderhavige kerkgemeenschap is men verder gegaan in dit spoor. Van de Zwaag toont aan hoe tot in onze tijd de standpunten zijn aangescherpt. Uit vrees voor een oppervlakkig christendom ontwikkelde zich de “standenleer”. Het gaat hierbij niet om de hoogten en diepten in het christenleven of om de groei in het geloof, maar om bepaalde stadia die doorleefd worden op weg naar Christus (de toeleidende weg). Het is een ontwikkeling, die met een aan de Engelstalige wereld ontleend woord aangeduid kan worden als “hypercalvinisme”. Een vorm van doorgeslagen calvinisme.
Bijbels evenwicht
In het vierde deel van zijn boek gaat de schrijver in op de licht- en schaduwzijden van de bevinding. Hij pleit voor een gezonde, bijbelse ervaring van het heil. Dit dient wel onderscheiden te worden van de bevindelijkheid als valse, ongezonde en overgeestelijke mystiek. Van de Zwaag eindigt dit hoofdstuk met de constatering dat terugkoppeling naar Schrift en belijdenis en naar de wortels van de Reformatie, de Nadere Reformatie en het Puritanisme meer dan ooit gewenst is. De bede is meer dan ooit nodig: “Kom, Schepper, heilige Geest.”
Het vijfde deel, ”Slotbeschouwing”, heeft tot inhoud een aantal samenvattende conclusies. Een ervan is dat de spanning tussen de soevereiniteit van God en de verantwoordelijkheid van de mens niet opgeheven kan worden. Als men alleen de eerste erkent, komt men terecht bij een overspannen vorm van calvinisme, het hierboven al genoemde hypercalvinisme. Als men alleen weten wil van de verantwoordelijkheid van de mens, komt men onvermijdelijk in het arminiaanse vaarwater. De ene prediker roept de mens op tot het geloof in de veronderstelling dat hij kan geloven, de andere prediker roept niet op tot het geloof, omdat de mens niet kan geloven. In beide gevallen is echter het bijbelse evenwicht tussen het geloof als plicht en gave doorbroken.
Totaaloverzicht
Na dit summiere overzicht willen wij volgende week een aantal opmerkingen maken over dit geschrift. Het is naar ons oordeel, zoals we zeiden, een geweldige studie. Het geeft als het ware een totaaloverzicht van de vele meningen die hierover te berde zijn gebracht. Tegelijk klinkt het bijbels geluid er duidelijk doorheen. Daarom zij nu reeds gezegd dat wij dit werk graag in ieders handen wensen. Het is, hoezeer scheefgroei wordt aangetoond en afgewezen, een bemoedigend boek. Dankzij subsidies die verkregen zijn, is de prijs van dit meer dan duizend pagina’s tellende werk uitzonderlijk laag.
P.H. van Harten, Ridderkerk
Afwachten of verwachten? (II)
”Wij wilden Jezus wel zien”
Onder de titel Afwachten of verwachten? verscheen het afgelopen najaar een boek van de hand van dr. K. van der Zwaag. Vorige week gaven wij enkele hoofdlijnen weer.
Geestelijke scheefgroei die in de loop van de tijd ontstaan is, wordt door de auteur afgewezen. De scheefgroei komt erop neer dat het evangelie niet te ruim gepredikt mag worden: zeker, er is een deur tot behoud, maar het is onverantwoord te zeggen dat deze voor elke willekeurige zondaar helemaal openstaat. Bij het kennisnemen van dit geschrift dacht ik aan wat verhaald wordt van een predikant in wiens prediking weinig van het evangelie doorklonk. Op de kansel trof hij eens een briefje aan van een gemeentelid. Er stond op “Wij wilden Jezus wel zien!” Welverstaan kan men met deze woorden het lijvige boek van dr.Van der Zwaag samenvatten.Het is niet minder dan een hartenkreet namens hemzelf en vele anderen (jongeren!) in zijn kerkgemeenschap. Een kreet in de richting van de dienaren van het Woord. “Stel ons Jezus voor als de algenoegzame, bereidwillige en van God gegeven Zaligmaker”.
Oude schrijvers
Dit geschrift past in de rij van protesten die opklonken en steeds weer opklinken binnen het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. Dat het bedoeld is voor intern gebruik, is te merken aan de inhoud. Zo zoekt men tevergeefs naar de (omstreden) bepalingen van 1931, die voor de prediking in genoemd kerkverband richtinggevend geweest zijn.
Het doet weldadig aan een geschrift onder ogen te krijgen waarin de schatten van de Reformatie en de Nadere Reformatie worden uitgestald. Hier werkt ongetwijfeld de hoge waardering na die de “oude schrijvers” in de rechterflank van de gereformeerde gezindte hebben. Dit blijkt ook uit zijn oproep tot gezamenlijke en intensieve studie van de reformatorische en puriteinse geschriften (die voor het gemak op één lijn gesteld worden). Toch komt de vraag op, of er geen uitnemender weg is. De schrijver zelf herinnert er ons aan, als hij de naam van John Colquhoun noemt. Deze Schotse predikant keerde zich tegen de eenzijdige prediking van de volgelingen van Philpot. Hij wijst zijn “hypercalvinistische vrienden”, zoals hij ze noemt, op talrijke uitspraken in de Schrift. Deze spreken van de nodiging van het evangelie tot een ieder. Zo schreef ook ds. R. Kok indertijd een boekje over het aanbod der genade. Mij is zijn opmerking bijgebleven betreffende het wenen van Jezus over het onbekeerlijke Jeruzalem. “Het waren geen krokodillentranen!”, merkte hij op.
Gebrek aan geloofszekerheid
Het zou van onze kant een heel verkeerde reactie zijn, als wij deze studie zouden gebruiken om stenen te werpen naar anderen. Soms kan men een dergelijke houding in de gemeente aantreffen, niet zelden bij hen die bovengenoemd kerkverband de rug hebben toegekeerd. Onzes inziens is dit een teken van geestelijke onvolwassenheid. Men vergeet daarbij dat men door veroordeling van anderen, het reformatorische erfgoed dat daar gelukkig nog is, miskent. Tegelijk verliest men uit het oog dat ook op ons eigen kerkelijke erf genoeg gebreken zijn. Oppervlakkigheid en zelfgenoegzaamheid ontbreken bij ons niet. De geest van afval die rondwaart, gaat onze gemeenten en onze gezinnen niet voorbij.
Problemen rond de twee- of drie verbondenleer of de “standenleer” kunnen ver van het gemiddelde hervormd-gereformeerde gemeentelid afstaan. Hetzelfde geldt van de vraag of het aanbod van genade en de prediking van de beloften vereenzelvigd mogen worden. Toch kan de achterliggende problematiek ook in hervormde gemeenten voorkomen. Het chronische gebrek aan geloofszekerheid is in dit opzicht veelzeggend. Het kan daarom alle zin hebben dat gemeenteleden en ambtsdragers grondig kennis nemen van de inhoud van deze studie. Het wijst aan in welke opzichten het ook ter rechterzijde mis kan gaan. De Heere Jezus verweet de schriftgeleerden dat zij Gods wet krachteloos maakten door hun inzettingen. Zo kunnen wij door onze eigen godsdienstige opvattingen het evangelie krachteloos maken.
Kennis van de zonde
In een bespreking van dit boek is van bepaalde zijde gepleit voor een afzonderlijke studie over de bevindelijke beleving van de toeëigening van het heil. Het lijkt mij een onmogelijke opgave. Zo gemakkelijk komen wij ertoe een schema op te stellen. God gaat echter met elk van hen die Hij toebrengt, Zijn eigen weg. De kennis van zonde zal daarbij niet gemist worden.
Toch is bij het spreken hierover voorzichtigheid geboden. Om toch maar eens een “oude schrijver” te citeren. In zijn bekende boekje Des christens Groot Interest (1658) geeft William Guthrie aan dat er grote verschillen kunnen zijn inzake het werk der wet, zoals de Puriteinen de kennis der zonde door de wet noemen. Hij wijst op Zacheüs, die van het ene op het andere moment tot Christus gebracht werd. Wij kunnen ook denken aan Handelingen 16. Het vermeldt de diepingrijpende bekering van de stokbewaarder.
We hoeven er geen bekeringsmodel aan te ontlenen. Het laat ons de grote liefde van God zien en de vele arbeid die Hij wil verrichten om een verloren mensenkind thuis te brengen. Datzelfde hoofdstuk, Handelingen 16, spreekt echter ook van de bekering van Lydia; zij leerde acht te slaan op het Woord van God. In de aanhef van het hoofdstuk wordt gesproken van Timotheus. Deze wist van jongsaf de Schriften. Zo kunnen kinderen toch geleidelijk aan moeders hand tot Jezus gebracht worden.
Hoe verschillend Gods wegen ook zijn, een ding is duidelijk. Zalig worden is genade. Het kost niets. Anders gezegd: het wordt niet bevorderd door ons goeddoen of door ons slecht zijn. Tegelijk kost het ons alles. Onze hoogmoed, zelfbepaling, zelfhandhaving, eigen gerechtigheid en wijsheid gaan er aan. We worden als kinderen. Hulpbehoevend en niets hebbend. Klein voor God.
Prediking
De rechte bevindelijke prediking is niet die waarin een breed uitgesponnen bekeringsweg wordt voorgesteld, maar die waarin het leven van het geloof zoals wij dat in de Schriften aantreffen, de prediking doortrekt. De ontmaskering van het schijngeloof zal dan aanwezig zijn.
Soms is er de vrees voor een, zoals men dat noemt, ‘gestolen’ Jezus. Men is bang dat men zich iets zal toeëigenen dat hem niet toekomt. Men zou gaan roemen in een Zaligmaker die men niet werkelijk heeft leren kennen. Een reëel gevaar. Onze catechismus wijst er al op in zondag 7. Evenwel, wanneer steel ik iets? Als ik zomaar iets wegneem! Als ik echter Christus, mij voorgesteld in het Evangelie, uit Gods hand ontvang, is er geen sprake van een ‘gestolen’ Jezus.
Steeds komt in Afwachten of verwachten? de prediking ter sprake. Het is gegeven het onderwerp onontkoombaar. Wat mij betreft had de betekenis ervan in de slotopmerkingen nader onderstreept mogen worden.Wat is, ongeacht het kerkverband, de roeping van een predikant? Het is een en al oor te zijn voor wat God zegt in Zijn Woord.
Dienaren van het Woord dienen ook te weten wat er leeft in de gemeente. Ze mogen bij hun arbeid zich ook laten bemoedigen en laten dienen door leden van de gemeente die geoefend zijn in de omgang met God. Maar ze worden niet geroepen het gedachtegoed en de belevenissen van Gods kinderen vanaf de kansel door te geven, met daarbij het gevaar dat de ervaring van een enkeling of van sommigen tot norm verheven wordt. Het mag alles nog zo vertrouwd klinken, en als het “eigene” aangemerkt worden. Zo komt de gemeente echter in geestelijke ademnood. Het doet mij denken aan een ventilator die de lucht wegzuigt uit een vertrek. Om het er tegelijk weer in te blazen. Misschien horen de mensen in het vertrek wel het ruisen en suizen. En dan maar denken dat die het goed doet. De sfeer blijft echter bedompt. De toepassing dient zich aan. Zo kan het geestelijke leven in de gemeente kwijnen De frisse wind van de Geest waait er niet doorheen.
In het geloof
De Geest wil daar werken waar de Schriften opengaan. Hij is machtig aan de prediking van het Woord een ongewone kracht te verlenen. Doden gaan horen. Zieken en stervenden heffen het hoofd omhoog en worden gezond. Er wordt een Naam genoemd. Die van Jezus. In het gewaad van Zijn Woord is Hij aanwezig. Als een machtige Magneet trekt Hij zondaren tot Zich. De eenvoudige Woordbediening, doorademd van de Geest van God, maakt dat zij die zijn vastgelopen in de ruimte worden gesteld.
Hij helpt hen over het dode punt heen. Ze mogen zomaar komen. Nee, niet met hun geloof. Maar in het geloof. Het mag alle dienaren van het Woord tot bemoediging strekken.
Van omhoog is er uitkomst voor de vastgelopen gereformeerde gezindte. Dit geldt trouwens ook voor hen die in de ban zijn van de geest van de tijd. De Geest van God kan op tegen de psychologisch goed uitgekiende programma’s die de mensen via de media voorgeschoteld krijgen. Wat is de taak van predikanten en gemeenteleden in vastgelopen situaties? Vurig bidden om de krachtige doorwerking van de Geest. De Heere geeft ons Zijn belofte tot pleitgrond: ”Ik zal water gieten op de dorstigen en stromen op het droge. Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen”, Jesaja 44 :3. We lezen zelfs van ”slagregens van zegen”, Ezech.34:26. We bidden het bekende gebed na waarmee de schrijver het vierde deel besluit: “Kom Schepper, Heilige Geest.”
P.H. van Harten, Ridderkerk
N.a.v. K. van der Zwaag
Afwachten of verwachten? De toeëigening des heils in historisch en theologisch perspectief.
Uitg. Groen, Heerenveen; 1098 blz.; € 29,90.