Gereformeerd Weekblad, 11 december 2003.
Een naslagwerk
Ds. M. Goudriaan
Veel is er al gesproken en geschreven over “boek van Van der Zwaag”. Een studiedag naar aanleiding van het verschijnen ervan bracht honderden op de been. Blijkbaar zijn er velen in de gereformeerde gezindte die worden aangesproken door het aan de orde gestelde onderwerp, de toe-eigening van het heil. (Naast droefheid over alle verdeeldheid kan dit enige vreugde verschaffen.) De schrijver plaatst de toe-eigening in een historisch en theologisch perspectief. Er zijn vier hoofddelen in het lijvige boek met elk een eigen karakter. In het eerste wordt de schuldige en onrustige mens getekend. In het tweede wordt thematisch ingegaan op de genade Gods en de verkondiging ervan. Thema’s als verbond en verkiezing, evangelieverkondiging en wedergeboorte worden, overvloedig citerend uit de kerkgeschiedenis, naar voren gehaald. In het derde worden theologische ontwikkelingen in de reformatorische kerken na de Afscheiding belicht. Het vierde deel geeft een aantal licht- en schaduwzijden van de bevindelijke traditie. In dat alles wil de schrijver de ernst en welmenendheid van de roeping van God in Zijn Woord beklemtonen.
Hoewel het een bijna onmogelijke taak is om in het kader van een beperkte recensie dit boek recht te doen, wil ik proberen gedachten en vragen uit te spreken. Van der Zwaag reikt ons een boek aan dat de kwalificatie van naslagwerk verdient. Een uitgebreide inhoudsopgave kan daarbij min of meer ook dienst doen als zaakregister. Men name in het tweede deel kan het een vreugde zijn om in talrijke citaten naar de kerk der eeuwen te luisteren. Veel onderwerpen die meer of minder direct te maken hebben met de bediening van het Evangelie en de roeping Gods worden op adequate wijze behandeld.
Ik denk, om maar een paar voorbeelden te noemen, aan de logica in de theologische bezinning en in de prediking, aan de behandeling van de verbondstheologie in de gereformeerde traditie, aan de heldere beschrijving van allerlei controversiële kwesties binnen het gereformeerd protestantisme. Om wat dichter bij de diepste intentie van de schrijver te komen: op overtuigende wijze legt hij de vinger bij zere plekken die gevonden worden onder de “bevindelijk-gereformeerden.” Hij zegt toch niet teveel wanneer hij wijst op bepaalde verschuivingen ten opzichte van de Reformatie, Nadere Reformatie en Puritanisme, met name vanaf het begin van de 19de eeuw. Het lijkt me dat zij die fundamentele kritiek op de uitgangspunten van Van der Zwaag willen leveren, niet kunnen blijven staan bij de opmerking dat eenzijdig geciteerd is,
De schrijver benadrukt sterk en uitvoerig citerend één aspect van de toe-eigening: het welmende van de roeping. Af en toe rees de vraag: geeft dat niet gemakkelijk een wat vertekend beeld van bepaalde theologen. Over Miskotte en Woelderink zou bijv. meer te zeggen zijn, juist op het punt van de toe-eigening (de schrijver legt er wel even de vinger bij). En over een man als A. Pink zou wat positiever, wat minder weifelend gesproken kunnen worden als je mede let op andere theologische aspecten die met de toe-eigening te maken hebben. Daar hangt een andere vraag mee samen: kan het niet goed zijn, zonder iets af te doen aan de ernst van Gods roepen, de Geest en Zijn werk een wat ruimter plaats te geven? Opvallend is toch altijd weer de prominente plaats die de belijdenisgeschriften geven aan de Geest en Zijn werken als het gaat over de toepassing. Natuurlijk blijft hier sprake van een grote spanning, die wij niet moeten opheffen. Verder zal het leggen van accenten hier vaak te maken hebben met je plaats op het kerkelijk erf.
Van der Zwaag reikt ons heel aan in zijn boek. Zelfs een wat langere recensie dan gewoonlijk kan slechts hier en daar iets aanstippen!