Nader bekeken, december 2003, Rondblik

 

Een moedig appèl

 

A.N. Hendriks

 

De rubriek Rondblik beoogt zeker ook ontwikkelingen buiten onze eigen kring te signaleren. Daarom vraag ik hier nadrukkelijk aandacht voor het boek van dr. K. van der Zwaag, dat onlangs verscheen onder de titel Afwachten of verwachten? De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief (Groen, Heerenveen 2003). Er klinken in de kring van de Gereformeerde Gemeenten reeds enige tijd stemmen die tegenover de daar heersende opvattingen een terugkeer bepleiten naar het erfgoed van de reformatoren. Professor J. Blaauwendraad en ds. C. Harinck deden dit in hun boeken. En nu neemt dr. Van der Zwaag hun pleidooi over. Hij doet dat in een wel zeer omvangrijk boek van niet minder dan 1098 pagina’s en 6259 noten. De auteur is redacteur van het Reformatorisch Dagblad en lid van de Gereformeerde Gemeente te Barneveld.

 

Zijn studie is een moedig appèl geworden. Een appèl aan het adres van de zwaar-bevindelijken om in een eerlijk zelfonderzoek te erkennen dat men van de gereformeerde traditie en oudvaders is afgeweken en dat er een terugkoppeling moet komen naar de Schrift, de belijdenis en de wortels van Reformatie, Nadere Reformatie en Puritanisme. Wie het boek doorwerkt, ontdekt dat er iemand aan het woord is die diep begaan is met de geestelijke nood van velen die onder een prediking verkeren, die het rijke Evangelie van genade verduistert.

 

Een eigen theologie

 

Het boek draagt de ondertitel De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief. De term ‘toe-eigening van het heil’ zal voor onze lezers niet onbekend zijn. Wij denken dan immers dadelijk aan de gesprekken van onze kerken met de Christelijke Gereformeerde Kerken. Daar kwam dit thema jarenlang nadrukkelijk aan de orde. Het gaat daarbij om het werk van de Heilige Geest, die ons toe-eigent wat wij in Christus hebben, en die ons werkzaam maakt met Gods beloften. Daarbij stond met name de vraag centraal: hoe moet in de prediking over dit alles gesproken worden?

Van der Zwaag is het ook duidelijk om de prediking te doen. Juist daar liggen zijn bezwaren en moeiten. In zwaar-bevindelijke kring is men het rechte zicht op de prediking kwijt. En dat vloeit weer voort uit een theologie die zich gaandeweg verwijderd heeft van de gereformeerde traditie.

De Gereformeerde Gemeenten zijn in 1907 ontstaan uit een fusie van Ledeboeriaanse en kruisgezinde gemeenten, gemeenten die apart bleven staan toen de kerken van de Afscheiding in 1869 tot hereniging kwamen. Bij de genoemde fusie speelde ds. G.H. Kersten een belangrijke rol. In de jaren die volgden, werd de betekenis van Kersten in de Gereformeerde Gemeenten alleen maar groter. Hij gaf in zijn standaardwerk De Gereformeerde Dogmatiek de theologische onderbouwing voor wat onder Ledeboerianen en Kruisgezinden gedacht werd met betrekking tot de toe-eigening van het heil en de prediking.

Ik geef de visie van Kersten kort weer, omdat we daarin het eigene van de Gereformeerde Gemeenten ontwaren. Bij Kersten staat het verbond geheel onder de beheersing van Gods uitverkiezing. Niet de gelovigen en hun kinderen behoren tot het verbond. Maar slechts de uitverkorenen. De beloften van het verbond zijn dan ook alleen voor deze uitverkorenen. Men mag beslist niet zeggen dat de Here aan elke gedoopte de redding in Christus toezegt. Kersten verwerpt een prediking die mensen oproept om de Here Jezus in geloof aan te nemen. Hier ziet hij Arminius om de hoek komen, die veel te hoog dacht van de mogelijkheden van de mens. Er vindt in de prediking wel een ernstige ‘aanbieding’ van Christus plaats, maar dat betekent niet dat er beloften voor heel de gemeente worden verkondigd. Die aanbieding stelt alleen maar nog meer verantwoordelijk. Ze geeft geen recht om de hand te leggen op wat het Evangelie belooft.

Wil van dit laatste sprake zijn, dan moet er eerst wat bij ons gebeuren! Wij moeten in Christus door de Geest worden ingelijfd en vooral daarvan ook ons bewust worden. Tussen die twee kan heel wat tijd zitten. Op die bewuste inlijving komt het aan. Dit gaat gepaard met tal van bevindingen waarvan het ware volk van God weet te spreken. Een beslissende bevinding daarbij is dat wij een daadwerkelijke ‘vierschaarervaring’ doorleven. We weten ons verloren voor God. Erkennen zijn recht. Voelen ons volledig ‘afgesneden’. Maar dan treedt Christus op als onze Advocaat. En om zijnentwil geeft de Heilige Geest ons dan kennis van het vrijsprekende vonnis van de hemelse Rechter.

Velen achten zich te licht gerechtvaardigd. Het is niet voldoende om zomaar tot Christus te vluchten. Een mens moet eerst het recht van God ‘toevallen’ en dat recht ‘omhelzen’. Zonder het zich volledig ‘afgesneden’ weten is er geen sprake van vrijspraak.

Kersten wijst de opvatting af dat de doop Gods beloften aan alle dopelingen verzegelt. De doop getuigt slechts van wat de Here zijn uitverkorenen geeft en dat er ook onder de kinderen uitverkorenen zijn. Het pleiten op de beloften is zelfs gevaarlijk, wanneer een onbekeerd mens daarmee bezig is. We moeten wedergeboren worden, willen wij de hand leggen op wat de Here belooft. Anders eigenen wij ons een ‘gestolen Christus’ toe.

De opvattingen van Kersten kregen in de Gereformeerde Gemeenten kerkelijke ijking door de bekende leeruitspraken van de synode van Rotterdam 1931. Deze synode sprak onder meer uit: ‘dat het verbond der genade staat onder de beheersching van de uitverkiezing ter zaligheid, dat het wezen des verbonds daarom alleen geldt den uitverkoornen Gods en nooit gelden kan het natuurlijk zaad….’

 

De gedachte dat er in de prediking aan onbekeerden niets is ‘aan te bieden’, bleef in de Gereformeerde Gemeenten niet onweersproken. Van der Zwaag geeft uitvoerig het conflict met ds. R. Kok weer, die met beroep op de reformatoren en de oudvaders een terugkeer bepleitte naar de belofteprediking. De beloften van het Evangelie moeten aan allen verkondigd worden met bevel van geloof en bekering. In 1950 kwam het tot een schorsing van Kok, omdat de synode meende dat Koks opvatting arminiaans was. Als Christus aan allen wordt aangeboden en de beloften voor allen gelden, dan komt de beslissing bij de méns te liggen of hij aan de nodiging gehoor geeft.

Van der Zwaag laat zien dat er steeds weer stemmen klonken die met ds. R. Kok een meer ‘gunnende’ prediking voorstonden, maar dat de lijn van Kersten zeker de laatste decennia overheersend is in de Gereformeerde Gemeenten. Dat is vooral toe te schrijven aan de invloed van ds. A. Moerkerken, sinds 1980 docent en rector van de Theologische School te Rotterdam. Hij is het geweest die de zgn. standenleer in de Gereformeerde Gemeenten een officiële status heeft gegeven. Volgens Moerkerken zijn er duidelijke standen in het bevindelijke leven. Standen, die gekenmerkt worden door onderscheiden belevingen. Er is een verschillend kennen van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Er is ook verschil in doorleving van het geloof: er zijn kinderen, jongelingen en vaders. Er kan geloof gewerkt zijn (de kinderen in het geloof), maar de Here Jezus moet ook aan het hart geopenbaard worden. Dan komt het tot een bewuste omhelzing van Hem. Moerkerken noemt dit ‘het Kerstfeest in de ziel’.

Naar die openbaring van Christus aan het hart is er een toeleidende weg, waarin een mens met God en zijn recht te doen krijgt, zich totaal verloren weet en afgesneden wordt van alle werken. Dat is Goede Vrijdag. Heerlijk wanneer het dan ook Pasen mag worden! Wanneer men mag ervaren dat de Borg in Gods vierschaar tussenbeide treedt en men om zijn bloed vrijspraak ontvangt. Om bij Golgota te komen, moet men eerst langs de Sinaï. De bange vragen van de Heidelberger in zondag 2 tot 6 worden innerlijk doorleefd wanneer de Heilige Geest een mens tot Christus leidt.

In de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, die ontstonden door een conflict rond dr. C. Steenblok in 1953, krijgt deze theologie nog extra toespitsing. De beloften zijn enkel voor de verslagenen van hart bestemd. Er valt niets te ‘lokken’ met het Evangelie. De ellende moet eerst gekend worden. Daartoe moet de doodsstaat van de mens indringend gepredikt worden. De prediking heeft vooral een ‘afsnijdend’ karakter. Wie Christus in de prediking aanbiedt, maakt de mensen tot dieven van de genade. Het moet van boven gegeven worden. Een mens kan slechts biddend afwachten tot de Here zijn genade geeft.

 

Afwijking

 

Van der Zwaag doet in zijn boek veel moeite om te laten zien hoezeer men in zwaar-bevindelijke kring afgeweken is van de reformatoren en de oudvaders. De wortels van dit afwijken liggen eigenlijk al in de tijd na Calvijn, wanneer de uitverkiezing over het verbond gaat domineren. Dat begint reeds bij Beza, de opvolger van Calvijn aan de academie van Genève. We vinden het ook bij Olevianus, één van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus. Het wezen van het verbond wordt tot de uitverkorenen beperkt, terwijl de bediening van het verbond zich uitstrekt tot heel de gemeente. In de Grote Catechismus van Westminster (1648) wordt gezegd: ‘Het genadeverbond werd gemaakt met Christus als de tweede Adam, en in Hem met al de uitverkorenen van zijn zaad.’ Dit genadeverbond (in de eeuwigheid opgericht) wordt in de prediking ‘bediend’ en ‘aangeboden’.

Wel bleef er in die tijd na Calvijn een ruime prediking die Gods beloften aan álle hoorders verkondigde. Van der Zwaag haalt vele ‘oudvaders’ van puriteinse huize van stal, om aan te tonen dat deze geliefde oudvaders - ondanks de dominantie van de uitverkiezing in hun verbondsleer - grote nadruk legden op de plicht om tot Christus te komen en gehoor te geven aan de roepstem van het Evangelie. Bij hen vinden wij nog niet die nare zorg om een ‘gestolen Christus’.

Was voor Calvijn de ware boetvaardigheid nog een vrucht van het geloof in Christus, in de zeventiende eeuw wordt het kennen van eigen ellende al meer iets dat aan dit geloof voorafgaat. De prediking van de wet moet de weg naar Christus voorbereiden, zoals Johannes de Doper dat deed. We vinden dat al enigszins bij de puriteinse oudvaders. Maar bij de oudvader Th. van der Groe krijgt dat een heel sterk accent: de overtuiging en verbrijzeling door de wet gaan vooraf aan de openbaring van Christus. Alleen zondaren die bewerkt zijn door de Heilige Geest, worden genodigd om Christus te omhelzen. Van der Groe spreekt al over een ‘stelen’ van de beloften. Wet en Evangelie worden steeds meer gecontrasteerd en krijgen al meer een eigen functie in de weg die de Here met zijn kinderen houdt. Er waren ook tegenstemmen (E. en R. Erskine en Th. Boston) die deze noodzakelijke verbrijzeling bestreden en een onvoorwaardelijke evangelieprediking bepleitten. Het aanbod van het Evangelie is niet beperkt tot degenen die werkelijk dorsten naar Christus.

Het protest tegen deze tegenstemmen bracht in Schotland - wat Van der Zwaag typeert als - de stroming van het hypercalvinisme op gang, die stelde dat men eerst de merktekenen van de uitverkorenen moet vertonen, voordat men de belofte van het Evangelie zich in geloof mag toe-eigenen. Slechts zij die ‘gevoelig’ ontdekt zijn aan de zonde en de tekenen van wedergeboorte bezitten, mogen tot geloof in Christus opgeroepen worden.

Ik memoreer dit alles omdat wij hier de wortels vinden voor wat men later in zwaar-bevindelijke kring de toeleidende weg gaat noemen. Waarschijnlijk is de uitdrukking ergens in de negentiende eeuw in de ‘gezelschappen’ ontstaan. In deze kringen wordt het bekeringsproces steeds meer in kaart gebracht, waarbij het persoonlijk doorleven van eigen verlorenheid een belangrijke plaats krijgt. Wat men allemaal bevindelijk moet kennen voordat men zich een kind van God mag weten, wordt tot een vast patroon. En dat patroon is het criterium waarmee geestelijke keurmeesters beoordelen ‘hoever men op de weg is’. Er ontstaat een ‘lekentheologie’ die grote invloed kreeg in de kerken van de Afscheiding en tot vandaag toe in de Gereformeerde Gemeenten (in Nederland) domineert.

 

Een krachtig appèl

 

Van der Zwaag doet in zijn boek een krachtig appèl om met deze eigen theologie te breken en weer terug te keren naar de klassiek-gereformeerde traditie. De reformatorische gezindte moet haar verworteling in de Reformatie, de Nadere Reformatie en het Puritanisme weer gaan beseffen. Wanneer er een ‘herbronning’ plaatsvindt, kan de crisis bezworen worden die zich de laatste jaren al scherper onder de zwaar-bevindelijken aftekent. Ouderen zuchten al te lang onder een prediking die veelszins onvruchtbaar blijkt, jongeren roeren zich en maken duidelijk dat zij andere preken willen horen.

Dit appèl is moedig, wanneer wij de positie van de auteur in rekening brengen. Leidende figuren in de Gereformeerde Gemeenten zullen het hem niet in dank afnemen, zoals professor Blaauwendraad ondervonden heeft. Ook in de achterban van het RD zal niet iedereen er blij mee zijn.

Ik stel mijn respect voor dit appèl nadrukkelijk voorop. Tegelijk vind ik het jammer dat het boek zo omvangrijk geworden is. De niet theologisch geschoolde lezer loopt het gevaar door de bomen het bos niet meer te zien. Het had wel wat minder gekund, zeker wanneer het gaat om de overvloed van citaten van de oudvaders. Ik begrijp dat Van der Zwaag wil aantonen dat het bij de zo vereerde oudvaders wel wat anders ligt dan velen in zijn kring menen, maar toch. Van der Zwaag verwijst meer dan eens naar de Dordtse Leerregels. Terecht. Ze zijn ook de belijdenis van de Gereformeerde Gemeenten. Maar zijn appèl zou aan kracht gewonnen hebben, wanneer hij deze belijdenis nog meer had laten spreken en helder had aangewezen hoezeer de Leerregels op de Schrift teruggaan.

Er is niet slechts afbuiging van de gereformeerde traditie, men is ronduit in strijd met de eigen confessie! De vaderen van Dordt zagen zich reeds - in de confrontatie met de remonstranten - geplaatst voor de vragen die in de Gereformeerde Gemeenten nog altijd de gemoederen bezighouden. Zij beleden de uitverkiezing en het zo noodzakelijke werk van de Heilige Geest. Maar dat verhinderde hen niet te belijden dat de belofte van het Evangelie aan allen verkondigd moet worden met bevel om zich te bekeren en te geloven (II,5). Zij spraken van Christus die door het Evangelie wordt aangeboden aan allen (III/IV,9), en benadrukten dat allen die door het Evangelie geroepen worden, in volle ernst (serio) geroepen worden (III/IV,8). De Leerregels laten Gods verkiezende genade niet de prediking van het Evangelie domineren, maar belijden haar als het grote wonder waardoor mensen aan Gods serieuze roepstem gehoor geven (II,7). Tegelijk handhaven zij de volle verantwoordelijkheid van de mens: men moet zich bekeren en in Christus geloven. Dat velen dit niet doen, stelt hen diep schuldig voor God (II,6).

Onze belijdenis weet niet van een toeleidende weg waarin men eerst diep de eigen ellende gevoelig moet kennen en onder het recht van God verbrijzeld moet zijn, voordat de Here Jezus zich aan ons kan ‘openbaren’. De drie ‘stukken’ van antwoord 2 HC zijn niet drie stations die men bevindelijk passeert. De Catechismus beschrijft het leven in de enige troost. Die troost wordt beleefd in het gelóóf. Het geloof dat juist in het zien van Christus’ heerlijkheid eigen zondigheid beseft (vgl. Luc. 5:8). En dat hoe langer hoe meer (vgl. antw. 115 HC). De Leerregels zeggen dan ook dat de gelovigen droefheid naar Gods wil bij zichzelf opmerken (I,12) en dat zij zich voor God voortdurend verootmoedigen (V,2).

 

Ten slotte

 

Van der Zwaag stelt aan het slot van zijn boek: ‘De verschillen tussen de kleinere reformatorische kerken ten aanzien van verbond, uitverkiezing en heilstoe-eigening rechtvaardigen niet een afzonderlijk bestaan’ (p. 1029). Ik val hem daarin niet bij. Zijn hele exposé maakt juist duidelijk dat er meer aan de hand is dan accentverschillen en sociaal-culturele factoren. Ik acht de leer van de Gereformeerde Gemeenten (in Nederland), zoals die vastgelegd is in de synode-uitspraken van 1931, wel degelijk kerkscheidend, omdat hier de confessie en de eenheid van het ware geloof in geding zijn.

Wij moeten zijn moedig appèl omringen met ons gebed dat de Here er een open oor voor geeft en dat de kerken die hier in geding zijn, op de aangelegen punten terugkeren naar hun eigen belijdenis. Dat zou een wonder van Boven zijn in onze eeuw!

Wie het boek van Van der Zwaag doorwerkt, voelt meer dan eens verontwaardiging. Wat vreselijk dat dienaren des Woords zo hun schapen in de kou laten staan. Wat een onnodige duisternis bij velen! Wat een ijdel zweet in al die eindeloze debatten over ‘het aanbod van de genade’. Wat is er een energie in eigen kring opgegaan, terwijl men zo weinig oog had voor de nood om zich heen!

Tegelijk kwam uit die strijd ook de vraag op mij toe: zijn er bij ons nog die ‘bezwaarde en verslagen harten’ waarover het grote avondmaalsformulier spreekt? Is er bij ons nog dat geweten van zondag 23 HC, dat ons aanklaagt dat wij tegen alle geboden van God zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden hebben, en dat wij nog altijd uit zijn op elk kwaad? In zwaar-bevindelijke kring weet men wat het is, te doen te hebben met een heilig God en kent men de Petruskreet: ‘Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here.’ Wij zijn daar met al onze zekerheden toch niet aan voorbij? Het verhaal van Van der Zwaag heeft mij opnieuw bepaald bij het woord: ‘Op zulken sla Ik acht: op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft’ (Jes. 66:2).

Ik heb heel veel uit dit inhoudrijke boek laten liggen. Wat ik schreef, is ook geen recensie. Het ging er mij nu om aandacht te vragen voor wat er speelt in de Gereformeerde Gemeenten. En om onze lezers te laten zien hoeveel er te bidden is voor kerken die ons als familie uit de Afscheiding ter harte moeten gaan.