Een vergelijking 

Geachte lezer,

Dr. K. van der Zwaag heeft een boek geschreven met de titel; Afwachten of verwachten? Dit boek is door Ds.  D. de Wit in een drietal ‘Saambinders’ gerecenseerd.   

Velen zijn van mening dat Ds. D. de Wit in zijn recensie Dr. K. van der Zwaag onrecht heeft aangedaan, althans zijn boek onjuist heeft gerecenseerd. In de media is hieraan ruimschoots aandacht besteed. In het Reformatorisch Dagblad van 4 april 2004  heeft u kunnen lezen dat, via de kerkelijke weg, bezwaar is ingediend tegen de recensie van de Saambinder.  

Mijn gevolgde werkwijze, in onderstaande, is een tekstuele vergelijking tussen het boek en de Saambinder. Er is door mij bewust geen inhoudelijk oordeel gegeven over het boek zelf of het gedachtegoed van de schrijver. Als ik dat al zou kunnen, vergt dat een aparte studie.

Het meest duidelijk zou zijn als ook u de Saambinder (te raadplegen op deze site) naast het boek legt, dan kunt u zichzelf een oordeel vormen. Wellicht is het onderstaande daarbij te gebruiken als een leidraad. Wat u vooral niet moet doen is de inhoud van dit stuk kritiekloos aannemen.   

Mijn wens is dat deze vergelijking een middel zou mogen zijn tot herstel van de eensgezindheid en de broederlijke liefde tussen ‘partijen’. Er is immers in psalm 133 een rijke zegen beloofd indien broeders samenwonen; ‘want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid”. `

Spurgeon zegt hierbij in zijn verklaring over de psalmen (‘De Psalmen Davids’); ‘En wat nu broeders betreft naar den geest, dezen behoren in kerkgemeenschap samen te wonen, en in die gemeenschap is eendracht de ene onontbeerlijke zaak. (..) Eenheid van leven, van waarheid en weg, eenheid in Christus Jezus, eenheid van geest en bedoeling - deze moeten wij hebben, of onze bijeenkomsten zullen synagogen der twistingen zijn veeleer dan kerken van Christus.’ 

 De Saambinder, 11 december 2003, nr.11.

Als u bovengenoemde ‘Saambinder’ gelezen heeft komt u waarschijnlijk tot de conclusie dat het speerpunt van het bezwaar van ds. De Wit (hierna te noemen dW) zich erop richt, dat Van der Zwaag (hierna te noemen vdZ) toch nog een ‘peperkorrel’ in de mens wil leggen. Hierbij wordt waarschijnlijk bedoeld dat er eigenschappen aan de menselijke wil worden toegedicht die bij de ‘natuurlijke’ mens ontbreken. 

Bij de bespreking van de inleiding van deze Saambinder (p.6) schrijft de Wit; ‘Bovendien wordt nu reeds gezegd dat de mens in die bekering een onmisbare rol speelt’.  In verband hiermee schrijft hij even later,  ‘God wat en de mens ook wat?’ 

VdZ schreef echter in zijn boek dat de menselijke overgave een onmisbare rol speelt (p.21) Dus niet de mens zelf. Menselijk is hier een bijvoeglijk naamwoord waar ten onrechte een zelfstandig naamwoord van gemaakt werd. Overgeven is niets meer doen. Volgens het woordenboek betekent overgeven;  de strijd opgeven => capituleren, de handdoek in de ring /gooien/werpen/, het opgeven, zich gewonnen geven.

De Dordtse leerregels zeggen in Hoofdstuk 3-4 art. 12 het volgende; ‘ (..) en alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar, van God bewogen zijnde werkt hij ook zelf. Waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mens door de genade, die hij ontvangen heeft gelooft en zich bekeert’.  

De vraag die hier beantwoord moet worden is of er enige grond is om aan te nemen dat vdZ gezien het bovenstaande iets in de mens wil leggen wat er van ‘nature’ niet meer is?   

Op p. 6 van bovengenoemde ‘Saambinder’ schrijft dW; ‘ Er komt dan echter een plotselinge wending. De schrijver merkt op: ‘Al deze zaken zijn van belang omdat we, zoals we later zullen zien, ook het geloof moeten beschouwen als een daad van de wil, zij het van de levendgemaakte wil’ (..) ‘De mens heeft een vrije wil. Dat heeft hij willen benadrukken. En die geldt ook het geloven. De mens moet blijkbaar ook wat doen, namelijk Gods liefde aanvaarden’.   

VdZ schreef in zijn boek (p.29); ‘Al deze zaken zijn van belang omdat we, zoals we later zullen zien, ook het geloof moeten beschouwen als een daad van de wil, zij het van de door de Geest levendgemaakte wil. Zoals een mens geen stok en een blok is in het zondigen (..) zo is hij het ook niet in het geloven (..)’.

Hierbij schrijft dW in de Saambinder op p.6; ‘Beseft Van der Zwaag dat dit alleen waar is voor de levendgemaakt wil?’.

Waarom deze vraag wordt gesteld is onduidelijk. VdZ schrijft zelf; ‘zij het van de door de Geest levendgemaakte wil’. In zijn inleiding (p.23) komt dezelfde passage ook aan de orde hierbij schrijft vdZ zelfs; ‘ Onder genoemde keuze verstaan we uiteraard niet de daad van de vrije wil, maar een door de Geest bewerkte vrijwillige keuze om voor Hem te leven en de zonden af te zweren’.

Uiteraard niet de daad van de vrije wil schrijft vdZ. Hij neemt zelfs de moeite om de zinsnede -door de Geest bewerkte vrijwillige keuze- cursief te drukken om hierop extra de aandacht te vestigen. Is er dan nog ruimte om de vraag op te werpen en daarmee te suggereren dat vdZ niet beseft dat dit alleen geldt voor de levendgemaakte wil? Is de conclusie van de Wit; ‘De mens moet blijkbaar ook wat doen’ , hieruit te trekken?

Voorts schrijft dW in de genoemde Saambinder (p.7) ‘Als immers de wortel niet goed is, hoe zal dan de plant zijn? En de wortel is niet goed! Via het breekijzer van de vrije wil, heeft Van der Zwaag met behulp van Pascal een opening in de mens gemaakt, waardoor hij zelf door goed na te denken zijn ellende gaat leren kennen.’     

De kritiek van dW richt zich op deel I van het boek.

Hieronder enkele citaten van vdZ, of door vdZ aangehaalde citaten, uit hetzelfde hoofdstuk, deel I. p. 25-33.  

De opsomming is niet volledig. Blijkt hieruit dat de mens een vrije wil heeft? 

Op p. 7 van de ‘Saambinder’ schrijft dW: ‘Met instemming volgt Van der Zwaag ds. A. Simons in zijn verzet tegen de ontdekkende werking van de Wet als (een toeleidende) weg tot Christus’.  (..) Met uitdrukkingen die bekend klinken, wordt toch de ontdekkende functie van de Wet uitgeschakeld’.

De kritiek richt zich op paragraaf 2.5 (p. 166 ev.) van het boek. Deze paragraaf heeft als  titel; De vermenging van wet en Evangelie en bevat 16 pagina’s onderverdeeld in subparagrafen. De kritiek slaat met name op subparagraaf 2.5.8 (p. 176-177) met als opschrift; Zaligheid is niets doen en ophouden met werken.  

Enkele citaten van vdZ of door vdZ aangehaalde citaten uit dezelfde paragraaf 2.5. 

Blijkt hieruit dat vdZ zich verzet tegen de ontdekkende werking van de wet?

DW schrijft in de Saambinder (p.7); ‘Bij die bijbelse leer voel ik mij veilig, niet bij Pascal of welke filosoof dan ook, die toch nog een peperkorrel in de mens wil leggen!’.  

Kan, gelet op de bespreking van bovengenoemde, zonder meer de conclusie getrokken worden dat  filosoof Dr. Van der Zwaag  een ‘peperkorrel’ in de mens wil leggen?

De Saambinder, 18 december 2003, nr. 12.    

De kritiek van dW in deze Saambinder is het meest gericht op het citeren. Van der Zwaag wordt beschuldigd van met name selectief en onzorgvuldig citeren .

Volgens het woordenboek (van Dale) betekent citeren;  (passage) gedeelte van een geschrift dat letterlijk uit een andere bron wordt overgenomen . Selectief betekent; uitkiezend.

Het is dus inherent aan citeren dat daarin een keus wordt gemaakt. Het is een uiterst kwalijke zaak als citaten worden gebruikt om daarmee iets te ondersteunen of te benadrukken, wanneer het citaat in zijn verband iets anders weergeeft dan oorspronkelijk bedoeld. Met andere woorden dat is misbruik maken van de oorspronkelijke bron.

DW meent dat van onjuist citeren sprake is, en u geeft daarvan verschillende voorbeelden. Het betreft citaten van;  Th. Avinck, Justus Vermeer, Boston , Brakel en de Schrift.    

Th. Avinck

DW schrijft hierover (p. 4-5.) ; ‘In deze preek benadrukt Avinck het souvereine Godswerk (..) De mens is geheel onmachtig om te kunnen geloven(..) Dit vinden we niet terug bij van der Zwaag. In plaats daarvan heeft hij uit deze preek aangehaald: De Goddelijke beloften zijn uiterlijke verklaringen of bekendmakingen van Gods wil en geneigdheid tot ellendige en behoeftige zondaren om hun het goede, hetwelk hun in het Evangelie, ter geloofsomhelzing wordt voorgesteld, te geven. Is dit nog eerlijk? Verder krijgt de gehele preek geen aandacht! Is dit zorgvuldig? Zijn dit accenten zoals Avinck die bedoelt?

Het bekritiseerde citaat is in het boek te vinden in paragraaf 2.3 (p. 86 ev.) met als opschrift; Het adres van de beloften, met name subparagraaf 2.3.1 (p. 86-88) , titel; Het Evangelie in het gewaad der belofte.

Krijgt het citaat een andere betekenis dan door Avink bedoeld? Mocht van vdZ verwacht worden dat hij, gelet op het onderwerp ‘de beloften’, hier het onderwerp ‘de souvereiniteit Gods en de onmacht van de mens’ zou bespreken? 

Justus Vermeer

DW schrijft op p. 5 van genoemde ‘Saambinder’; ‘Van der Zwaag citeert, na gezegd te hebben dat het geloof niet meer is dan het antwoord op het aanbod van genade: ’Dit is de wezenlijkste daad des geloofs, namelijk: God biedt Zijn Zoon en Christus biedt Zichzelf in al Zijn gepaste volheden en heerlijkheden aan een zeer ellendige, vuile, zondige en verloren ziel in zichzelf aan, en dat enkel uit vrije genade om niet’. Zegt Vermeer nu dat het geloof niet meer is dan een antwoord op het aanbod van genade? Men leze heel de preek! (..) Wat de auteur hier doet, en niet alleen hier, is datgene wat oude schrijvers met het oog op Gods kinderen schrijven, verbreden tot alle hoorders. Hier is niet alleen een citaat uit zijn verband gehaald, maar wordt de kostelijke preek van Vermeer gebruikt voor de ideeën van Van der Zwaag’. 

Het citaat is in het boek te vinden in paragraaf 2.1 (p. 35 ev.), De bevrijding door het geloof, subparagraaf 2.1.4 (p. 40 ev.); Geloof: niet meer dan een middel.

Samenvattend kan gezegd worden dat in subparagraaf 2.1.4. uitgelegd wordt dat het geloof niet meer is dan een middel, een instrument, een aanleiding en als zodanig geen heilswaarde heeft.

Ook hier kan de vraag gesteld worden of het citaat een andere betekenis heeft gekregen nu het niet meer in zijn verband staat. Is het feit dat Vermeer nog meer gezegd heeft voldoende om vdZ te beschuldigen van misbruik? Is het hier gepast om datgene wat Vermeer nog meer gezegd heeft op te nemen in genoemde subparagraaf, gelet op de titel?

Is er grond voor om vdZ te beschuldigen dat hij uitspraken die gelden voor Gods kinderen verbreedt tot alle hoorders?

Een meer volledig citaat uit het boek (p.41) luidt als volgt en geeft een duidelijk antwoord:

·        ‘Deze zaken zijn van belang om het menselijk aandeel in de verlossing niet over te waarderen. Octavius Winslow waarschuwt ervoor om van het geloof geen verlosser te maken. Hoewel het geloof een instrument is om de genade te ontvangen en daarom van wezenlijk belang is (in het ontvangen van het heil), blijft het toch maar een instrument. Het volbrachte werk van Christus is de enige grond van de verzoening. Wie van het geloof een Verlosser maakt, vervangt het werk van Christus door het werk van de Geest, aldus Winslow. Deze vergissing maken volgens hem veel van Gods kinderen, waardoor zij naar binnen zien in plaats van naar buiten.  Geloof is niet meer dan het antwoord op het aanbod van genade. Justus Vermeer;’Dit is de wezenlijkste daad des geloofs, namelijk: God biedt Zijn Zoon en Christus biedt Zichzelf in al Zijn gepaste volheden en heerlijkheden aan een zeer ellendige, vuile, zondige en verloren ziel in zichzelf aan, en dat enkel uit vrije genade om niet’.

Is in dit citaat niet te lezen dat het geloof het werk van de Geest is? Staat er ook niet in het citaat; ‘Deze vergissing maken volgens hem veel van Gods kinderen (..)’?   Pas daarna komt vdZ tot de gewraakte zin; ‘Geloof is niet meer dan het antwoord op het aanbod van genade’.

Waaruit blijkt nu de verbreding tot alle hoorders? Is het niet zo dat het bekritiseerde citaat van Justus Vermeer alleen op een juist wijze te beoordelen is in het verband, zoals hierboven is aangebracht? Waarom heeft dW een oordeel gegeven op een half citaat?

Boston

DW schrijft op p.5 van de Saambinder;  ‘Hetzelfde gebeurt met Boston en Brakel. Boston wordt bijvoorbeeld vanuit zijn verhandeling over het Verbond der genade wel geciteerd als het gaat over de prediking van het Evangelie. Dat Boston slechts drie pagina’s eerder ook spreekt over het geloof in de Wet dat noodzakelijk vooraf moet gaan, wordt verzwegen’.   

De bekritiseerde citaten, zijn te vinden in het boek in paragraaf 2.2 (p. 43 ev.); Iedereen geroepen, subparagraaf 2.2.3 (p. 46-47); Allen geroepen zonder onderscheid.

Mag nu echt verwacht worden dat vdZ, gezien het onderwerp; Allen geroepen zonder onderscheid, hier citaten opneemt over het geloof in de wet? Krijgt het citaat hier een andere betekenis dan bedoeld? Is de wet overigens niet besproken in paragraaf 2.5 (p. 166 ev.)? Wordt er echt iets verzwegen? Kijk nog eens even naar hierboven, bij de bespreking van de Saambinder, 11 december 2003, nr. 11. 

Brakel

DW schrijft op p. 5; ‘Brakel wordt uitzonderlijk selectief geciteerd als het gaat over de roeping. Als men het gehele hoofdstuk XXX leest uit de Redelijke Godsdienst, komt men tot een geheel andere conclusie dan Van der Zwaag. Heeft de auteur ook de vijfde paragraaf gelezen, waar Brakel schrijft dat zowel de uitwendige als de inwendige roeping door het Woord komen (..) Dat juist de remonstranten en de vrije wil drijvers, nog steeds volgens Brakel, ėėn roeping leren, waarbij het aan de mens is om die te verwerpen of aan te nemen?    

In het boek is een paragraaf, 2.2.1, met als opschrift; de in-en uitwendige roeping (p. 43-44)

Hier begint vdZ de paragraaf met; ‘We maken terecht een onderscheid tussen een uit-inwendige roeping’ (p. 43) even verder op dezelfde pagina; ‘Ds. D. Heemskerk; ‘ Alle mensen worden indringend, welmenend, ernstig geroepen (..) hij laat voluit staan dat de mens ook inwendig geroepen moet worden’.

Ook W.A. Brakel wordt geciteerd op p. 46; ‘W.A. Brakel leert wel een onderscheid tussen uit-en inwendige roeping’.  Komt hier niet duidelijke de tweeërlei roeping aan de orde?

Kan met recht gesteld worden dat vdZ uitzonderlijk selectief citeert? Is het terecht te suggereren dat vdZ  maar 1 roeping leert?

Schriftplaatsen

DW schrijft op p.5-6; Ook het naar eigen hand zetten van de spaarzamelijk geciteerde Schriftplaatsen past in deze opzet. (..) ‘Op verschillende plaatsen betoogt Van der Zwaag dat Johanes 3:16 het oog heeft op heel de wereld (kosmos).(..) Maar in een theologisch overzicht mag toch ook niet het andere geluid ontbreken, waar het woordje ‘wereld’ wordt toegepast op de ‘wereld der uitverkoren’.

Het citaat is in het boek te vinden in subparagraaf 2.2.4 (p.47 ev.); De exegese van ‘allen’, te vinden in paragraaf 2.2 met de naam; Iedereen geroepen.   

Enkele citaten van vdZ, deze citaten zijn zelfs allen te vinden in subparagraaf 2.2.4. (p. 47 ev) waartegen de kritiek zich richt. 

·        ‘Calvijn was overtuigd van de schriftuurlijke leer van de predestinatie waarin het geloof alleen het deel is van de uitverkorenen (..) Terwijl Christus verzoening universeel is, genoegzaam voor de gehele wereld, is de gave van het geloof beperkt tot de uitverkorenen ‘.

·        ‘Christus proclameert dat Hij de hele wereld wil aannemen en voor alle volkeren een broeder wil zijn. Zijn ware broeders echter zijn alleen de gelovigen’.

·        ‘Volgens John Owen strijdt het algemene karakter van dit aanbod niet met het feit dat Christus alleen voor de uitverkorenen gestorven is’. 

·        ‘Wanneer gesproken wordt over ‘alle creaturen’, zo merkt Bunyan op, dan worden hier niet alleen de uitverkorenen bedoeld’.

·        De term ‘ wereld’ in tekst ‘Alzo lief heeft God de wereld gehad’ moet volgens Rutherford gezien worden als de uitverkorenen uit de joden en de heidenen’.

Kan, gezien de citaten, volgehouden worden dat  het andere geluid - waar het woordje ‘wereld’ wordt toegepast op de ‘wereld der uitverkoren’- ontbreekt?

Vervolgens schrijft dW op p. 6;  ‘Nog duidelijker wordt dit wanneer van der Zwaag een ‘exegese’ wil geven van het woordje allen in bijvoorbeeld 1 Timotheus 2:4 : Welke wil dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen. De auteur zegt: ‘De uitdrukking ‘pantas antropous’ (alle mensen) is onmogelijk alleen te beperken tot ‘alle soorten van mensen’ zoals wel eens gedaan wordt, hoewel deze betekenis er ook in zit. Even verder klinkt de conclusie: ‘God wil dat iedereen, het Evangelie hoort, gered wordt en tot de kennis van zaligheid komt’’. (..) God wil alle mensen zalig maken. We worden door de auteur op een onbijbels en ongereformeerd spoor gezet’. 

Hier is het citaat door dW werkelijk uit zijn verband gerukt. Voor de zin; ‘Even verder klinkt de conclusie (..)’,  is in het boek, op p. 48, te lezen: ‘De universaliteit waarvan hier gesproken wordt, betekent niet dat hoofd voor hoofd zou zalig worden (dat zou een algemene verzoening betekenen) maar verwijst naar de proclamatie van het Evangelie in de gehele wereld. Ook de tekst Titus 2 :11:   ‘Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen’  wijst in deze richting’’.

Heeft vdZ werkelijk bedoelt dat ‘God wil dat alle mensen zalig worden’? Of heeft  vdZ met het woord ‘alle’ de proclamatie op het oog? Ligt dat niet meer voor de hand gezien hoofdstuk 2.2 Iedereen geroepen? Schrijft hij zelf niet; ‘de universaliteit (..) verwijst naar de proclamatie van het Evangelie in de gehele wereld’?  De zin die dW wegliet in de Saambinder. Is het niet zo dat dW hier redeneert vanuit de wil des besluits terwijl overduidelijk is dat vdZ het heeft over de wil des bevels? Kan hier terecht geconcludeerd worden dat vdZ de lezer op een onbijbels en ongereformeerd spoor zet?

Baxter/Woelderink

DW schrijft op p. 6; ‘Het is dan ook onbegrijpelijk dat Van der Zwaag in zijn boek op cruciale punten Baxter voortdurend instemmend citeert! Hetzelfde geldt voor Woelderink’.   

(..) Wat in dit boek gebeurt, is dat deze leer van Woelderink, omgeven door talloze citaten, met sympathie beschreven wordt. Wanneer van der Zwaag nu van ons vraagt om dit over te nemen, en in deze lijn te gaan leren en preken, past maar een antwoord: nee!

Is het verboden iemand te citeren die op bepaalde punten een dwaling verkondigd? Is daarmede zijn gehele werk besmet? Zo ja, hoe verhoudt zich hiermee het citeren van bijvoorbeeld Luther en andere reformatoren, die ook dwaalden (bijv. aangaande het avondmaal) in bepaalde zaken?

Ik heb bij mijn weten alle uitspraken van Baxter in het boek nagelopen en kan er geen een vinden die niet door de ‘beugel’ kan. 

Het is wellicht te begrijpen dat dW negatief zou antwoorden , als vdZ zou vragen voortaan de leer van Woelderink te verkondigen. Waar vdZ zich zo sympathiek uitlaat over de leer van Woelderink is echter in het boek moeilijk te vinden? DW laat namelijk na aan te geven waar dat dan staat.  

De Saambinder, 8 januari 2004, nr.15

De algemene indruk is dat de kritiek zich meer, dan in de twee voorgaande artikelen, richt op de schrijver i.p.v. op de inhoud van het boek. Onderstaande citaten spreken voor zich.  

 DW schrijft op p. 3 van deze Saambinder,; ‘ We kunnen daarmee heel veel laten voor wat het is, zoals de in dit boek naar voren gebrachte stelling dat het verbond naar zijn wezen opgericht is met meer dan de uitverkorenen of dat er een roeping is met tweeërlei uitwerking’.   

Wat betreft het laatste, over de roeping, wil ik u verwijzen naar het commentaar van de Saambinder van 18 december 2003, nr. 12, onder de naam Brakel.

 Het eerste kritiekpunt is in het boek te vinden in paragraaf 2.4; Verbond en verkiezing. (p. 102 ev) Met name subparagraaf 2.4.8; Met wie gesloten? (p. 112-114)

Van de Zwaag schreef hier: ‘Hier wijzen we op de belangwekkende discussie over de voorwerpelijke en onderwerpelijke visie op het verbond. De objectieve benadering legt de nadruk op de doorgaande trouw Gods en de zekerheid van de beloften, waarbij de doop als een objectieve verzegeling van het heil wordt gezien, met in het verlengde daarvan de eis der bekering. De subjectieve opvatting stelt daarentegen dat het genadeverbond beperkt dient te worden tot de uitverkorenen, waarbij ‘bevindelijkheidservaringen’ als criteria worden aangelegd om te weten of de mens tot het verbond behoort. Als derde stroming geldt de visie dat de beloften Gods voor het nageslacht van de gelovigen en kinderen gelden (die daarom gedoopt dienen te worden), maar dat in de prediking wel aangedrongen dient te worden op geloof en bekering (..)’.

Is er reden om aan te nemen dat vdZ een stelling poneert dat het verbond naar zijn wezen opgericht is met meer dan de uitverkorenen?

Blijkt uit de bovenstaande passage (p. 113) niet dat vdZ weergeeft dat er verschillende opvattingen zijn over het verbond? Waaruit kan de conclusie getrokken worden dat vdZ hier stelling neemt? 

Als u het boek bezit lees dan ook eens stelling 2 en 3 op p. 1033. 

Het Doopformulier     

Op p. 3 van deze Saambinder schrijft de Wit: ’Alsof de vastheid van het betuigen en verzegelen in de Doop afhankelijk zijn van ons geloven!  Even later: ‘En laten we de vastheid van Gods genadeverbond schriftuurlijk en bevindelijk (naar het doopformulier) staan en maken het niet op een subtiele manier afhankelijk van het al dan niet geloven van de kinderen’.   

De doop wordt door vdZ behandeld in paragraaf 2.22; De rijkdom van de doop (p. 490 ev)

Enkele citaten van vdZ of aangehaalde. (voor de duidelijkheid zijn sommige woorden vetgedrukt)

·        ‘Het sacrament is als sacrament niet afhankelijk van het geloof en behoudt een objectief karakter’.(p.493)

·        ‘De verbondsbelofte schept een grote verantwoordelijkheid. Zij is niet van het geloof afhankelijk, maar wordt wel gerealiseerd in de weg van het geloof. Het geloof is geen voorwaarde voor de belofte, maar de vrucht ervan’. (p.495)

·        ‘De Doop is volgens de puriteinen de verzegeling van het verbond van God met mensen. Het ontvangen van het zegel brengt een krachtige bevestiging van Gods verbondsgoedheid en drukt de gave van het nieuwe leven uit dat de Heere wil werken’.(p. 500) 

·        ‘Ja, Zij behoren even goed als de volwassenen tot het verbond van God en tot Zijn gemeente en aan hen wordt, niet minder dan aan volwassenen, de verlossing van de zonden door het bloed van Christus en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, beloofd’. (p.501)

·        ‘Het is de spanning van het verbond dat immers uit twee delen bestaat. Het is de Heilige Geest Die ons in bezit stelt hetgeen we in Christus hebben.’   (p. 504)

·        De Geest werkt het geloof door het horen van het gepredikte Woord, dat wil zeggen: door de gepredikte belofte’. (p.505)

·        ‘Wanneer God hen krachtdadig bekeert, stemmen zij persoonlijk in met Gods verbond’. (p. 505)

Is gezien bovenstaande citaten de kritiek terecht? Waaruit blijkt de afhankelijkheid van ons geloof? Waarom wordt vdZ steeds een navolger van Woelderink genoemd? Heeft hij niet in deze paragraaf, van 21 bladzijden, Calvijn 5 pagina’s lang aan het woord gelaten? Waarom noemt dW hem geen navolger van Calvijn? 

De plaats van Zondag 7

Onder dit  kopje schrijft dW in deze ‘Saambinder’ (p. 3): ‘Van deze gedachte, namelijk dat de Catechismus een zekere orde leert waarin Gods kinderen deze weg leren, wordt door de schrijver een verdrietige karikatuur gemaakt’. (..) Als Van der Zwaag ons ook wil laten zeggen dat , wanneer de Catechismus heilsordelijk wordt opgevat, het gebed pas in Zondag 45 begint, wordt het wel heel erg.’    

De kritiek is gericht op subparagraaf 2.14.14 van het boek; De heilsordelijke exegese van de Catechismus (p. 376-378) en is een onderdeel van de paragraaf 2.14; De toeleidende weg (p. 354-382)

Heeft vdZ heeft hier niet alleen betoogt dat een strikte doorvoering van de heilsordelijke uitleg van de Catechismus onhoudbaar is? Getuigt de gehele paragraaf er niet van dat vdZ ook  weet dat er desondanks wel een zekere heilsorde is?

Waarom trekt dW de conclusie; ‘En daar zit nu juist de angel. De schrijver ziet het geloof als een daad van de mens. Pas dan is sprake van een waar geloof’ 

Mag ik u kortheidshalve verwijzen naar mijn commentaar van het eerste artikel in de Saambinder van 11 december, en naar stelling 11 (p. 1036) van het boek.

·        ‘ (..) Daarom is het werk van de Heilige Geest onmisbaar om de wil om te buigen naar de genade’.  

Er is in het boek zelfs een subparagraaf 2.14.11 (p. 372-374); Het plaatsmakende werk is nodig.  

Gereformeerde Gemeenten/Laakbaar

Onder deze kopjes wordt vdZ door dW verweten eenzijdig te zijn.(p. 4); ‘Predikanten van bijna uitsluitend de Gereformeerde Gemeenten worden besproken. Hier is de journalist aan het woord, die zijn visie op predikanten opiniërend aan zijn lezer opdringt’ .

Komt de lezer van de inhoudsopgave niet tot een meer genuanceerd beeld?

Deel III bevat ongeveer 320 bladzijden. Zijn er niet ruwweg 170 bladzijden te tellen die over anderen gaan dan de Gereformeerde Gemeenten? Is dat niet ongeveer de helft? Is dat bijna uitsluitend?

Een ander kritiekpunt van dW (p.4): ‘ Is het eerlijk om van een van hen het kopje over te nemen: ‘de kritiek op de theologische setting van 1931’ om daarop weer uitvoerig dr. Woelderink aan het woord te laten, heel even wijlen ds. A. Vergunst weer te geven en hem direct ook weer af te vallen en daarna verder te gaan met de kritiek van de Christelijke Gereformeerde Kerken? Is daarmee ‘1931’ recht gedaan?   

Hier richt zich de kritiek op subparagraaf  3.2.7; De kritiek op de theologische setting van 1931 en is onderdeel van paragraaf 3.2; Ds. G.H. Kersten en de Gereformeerde Gemeenten

(p. 596-625)

 Is er ook niet een subparagraaf 3.2.3 Met als titel; Kerstens verbondsvisie en de uitspraken van ‘1931’  (p. 599-602) ??

Kan terecht de vraag opgeworpen worden of ‘1931’ recht is gedaan, terwijl het gedachtegoed van Kersten uitgebreid aan bod komt in bovengenoemde subparagraaf?

Is het wetenschappelijk onjuist of oneerlijk om ook de kritische geluiden aan het woord te laten, nadat Kerstens visie is uitgelegd? Kan dat werkelijk ‘afvallen’ genoemd worden? Waaruit blijkt dat vdZ ‘partij’ kiest?

Acta

DW schrijft (p.4-5); ‘De schrijver stoort zich eraan dat de Synode maar niet luistert naar het ‘grondvlak.

Waar is dat te vinden in het boek?

DW schrijft (p.4); ‘De wijze waarop Van der Zwaag met de Acta van bijvoorbeeld Generale Synoden omgaat, is eveneens droevig. (..) Wanneer echter de Acta gebruikt gaan worden om buiten de kerkelijke vergaderingen om kritiek te leveren op het eigen kerkverband waarvan men lid is, is dat op zijn minst bedenkelijk.’

Zijn de Acta niet openbaar? Mogen deze niet geciteerd worden? Waren bijv. Ds. G.H. Kersten, ds. C. Harinck en ds. Moerkerken e.a. ook mis als zij in hun boeken de Acta citeerden?

Afsluitend

Onder dit kopje in de Saambinder citeert dW, ds. W. Silfhout;  ‘Hoe kan er het zogenaamde geloofsvol verwachten zijn door een zondaar die geestelijk dood is? Dan moet er toch al iets van geloof zijn? Zou in deze stelling niet de spreekwoordelijke aap uit de mouw komen?’

Mag ik, om het kort te houden, verwijzen naar stelling 15 in het boek? (p. 1037-1038)

·        ‘De spanning tussen afwachten en verwachten in het kader van de toe-eigening des heils is zowel wezenlijk voor het komen tot het geloof als voor het leven uit het geloof. Het ‘zonder mij kunt gij niets doen’ geldt zowel voor als na ontvangen genade. (..) De geloofsverwachting is niet gebaseerd op iets in de mens maar op het Woord der belofte, waarbij het geloof gewerkt wordt door het (gepredikte) Woord (..)’.    

Ziet u hier ook de gecursiveerde woordjes; ‘voor’, ‘tot’ en ‘na’? Schrijft hier vdZ niet; ‘De geloofsverwachting is niet gebaseerd op iets in de mens’? Is het niet zo dat vdZ hier gecursiveerde woorden gebruikt om te benadrukken dat er van de mens niets te verwachten is?

Voorts schrijft dW op p.5 van de Saambinder; ‘Nu ligt er een boek dat niet alleen bij de leer vragen stelt, zoals een catechisant die nog hebben kan, maar die ook de leer veranderen wil’ (..) . Elfhonderd pagina’s om te lezen hoe iemand weggegroeid is bij zijn belijdenis vandaan?  

Tot slot    

Dr. van der Zwaag wordt door Ds. de Wit, direct of indirect, beschuldigd van ‘vrije wil drijverij’, verzet tegen de ontdekking van de wet, het afwijken van de leer van de Heidelberger Cathechismus, onzorgvuldig en selectief  (in negatieve zin) citeren, ontsporing van de bijbelse en gereformeerde leer, weggroeien van zijn belijdenis vandaan, opdringen van zijn mening, machtsmisbruik, het willen veranderen van de leer en oneigenlijk gebruik van de Acta..  

Enerzijds hoop ik dat u zichzelf door middel van bovenstaande een oordeel heeft kunnen vormen. Anderzijds - reeds gezegd in de aanhef - dat bovenstaande meewerkt aan het herstel van de eensgezindheid en de broederlijke liefde van ‘partijen’. Er is immers in psalm 133 een rijke zegen beloofd indien broeders samenwonen; ‘want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid”. `

Spurgeon zegt hierbij in zijn verklaring (‘De Psalmen Davids’); ‘En wat nu broeders betreft naar den geest, dezen behooren in kerkgemeenschap samen te wonen, en in die gemeenschap is eendracht de eene onontbeerlijke zaak. (..) Eenheid van leven, van waarheid en weg, eenheid in Christus Jezus, eenheid van geest en bedoeling - dezen moeten wij hebben, of onze bijeenkomsten zullen synagogen der twistingen zijn veeleer dan kerken van Christus.’ 

Oostkapelle

P.G. Wouters