Bewaar het Pand, 6 november t/m 12 december 2003

 

Boekbespreking

 

ds J.M.J. Kieviet

 

Afwachten of verwachten? (1)

 

“Nu hebben wij volgens des Heeren Jezus woord nog te denken aan een vriendelijke deurwachter, die, als u aanklopt, van harte bereidwillig is om de poort voor u open te doen. Het is wel zo dat we door deze poort alles moeten afleggen wat van onszelf is. Er is tot deze weg maar één poort, maar één ingang en deze ingang is zo nauw, dat er niets mee doorheen kan, dat er zelfs geen zucht of gebed, zoals wij in onze blindheid menen te moeten brengen als een offer om des Heeren hart daardoor te verwerven, door kan. Velen menen reeds door de nauwe poort heen te zijn en wandelen toch nog op de brede weg van het verderf. Velen liggen in sneeuw en storm voor de enge poort en menen: ach! ik ben met dat zware juk van zonden, dat ik op de rug draag, veel te breed, veel te zwaarlijvig om er ooit doorheen te komen. Eerst moet ik mij veel vermageren en welke dwaze overleggingen er al niet in een mens opkomen. Had ik maar dit, had ik maar dat, maar zoals ik nu ben, gaat het niet en de deur blijft gesloten. De Heere Jezus echter zegt u, dat al zulke beweringen niets zijn dan dwaze inbeeldingen van uw hart. U kunt het wel niet zien, maar achter die gesloten deur staat een zeer vriendelijke Man, wiens naam is ‘Trooster’.”

 

In de vorige afleveringen van ons blad schreef ik iets over dr. H.F. Kohlbrugge. Hoe hem te lezen. Dit keer begin ik opnieuw met deze leraar uit een vorige eeuw, die echter nog steeds iets te zeggen heeft. Ook ons. Kohlbrugge schreef de regels die ik hiervoor citeerde in zijn uitleg van Lukas 11, de verzen 9 & 10, waar we de hartelijke uitnodiging van de Heere Jezus lezen: “Bidt! en u zal gegeven worden. Zoekt! en gij zult vinden. Klopt! en u zal open gedaan worden. Want een iegelijk die bidt, die ontvangt. En die zoekt, die vindt. En die klopt, dien zal opengedaan worden.” Een betuiging van de genadige gezindheid van de Heere en van de waarachtigheid van Zijn spreken. Zodat nooit iemand met recht zal kunnen beweren: “Ik heb in oprechtheid en met een vast voornemen des harten de Heere gezocht, maar Hij heeft mij niet verhoord. En Hij zal mij niet verhoren, want Hij heeft mij uitgeworpen.”

 

Deze laatste woorden zijn niet van H.F. Kohlbrugge, maar van zijn tijdgenoot Ch.H. Spurgeon. U merkt: ze spreken eenzelfde taal. Als het gaat over de welgemeendheid van de Evangeliebediening. En over de betuiging dat de Heere gewillig is om zondaren zalig te maken. Maar ook over de aangrijpende werkelijkheid dat een zondig mens zich op de been houdt buiten de poort van het Koninkrijk Gods. Met welke redeneringen dan ook…

 

de toe-eigening des heils

Met deze inleiding wil ik een boek bij u introduceren waarvan u ongetwijfeld al hoorde. Het is een ongekend dik boek. Het telt op een enkele bladzijde na wel 1100 pagina’s, inclusief 6259 (!) voetnoten, een opgave van gebruikte literatuur van 38 pagina’s en een register van persoonsnamen die 20 pagina’s telt. De schrijver is dr. K. van der Zwaag, werkzaam bij het Reformatorisch Dagblad als kerknieuwsredacteur. Hij schreef zijn boek onder de titel ‘Afwachten of verwachten?’ Met een vraagteken dus. De ondertitel geeft de inhoud al iets meer weer: ‘De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief’.

 

Onmiskenbaar is dit een heel belangrijk onderwerp: de toe-eigening des heils. De vraag “wat verstaan we daar eigenlijk onder?” zou beantwoord kunnen worden met een andere vraag: “Hoe krijg ik een rechtvaardig God?” Dat zijn dan ook de eerste woorden van de Inleiding in dit boek. Het is de vraag die aan Luther wordt toegeschreven, de vraag van zijn geweten toen hij was geconfronteerd geworden met de eis van Gods heilige Wet. We zouden ook kunnen denken aan de woorden uit McCheyne’s bekende lied: “Mijn ziele, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?” De toe-eigening des heils is dan de weg waarop een zondaar op deze vraag van zijn hart een antwoord ontvangt. De weg waarin hij Gods genade ontvangt en waarin hij bij die ontvangen genade wordt bewaard. Met ds. J.H. Velema zou ik het ook zo kunnen zeggen: “Onder de toe-eigening des heils verstaan we het werk van Gods Geest waardoor zondaren in bezit komen en blijven van de verlossing die Christus heeft verworven”.

Het is alleen al vanwege dit zo belangrijke thema dat we in ons blad niet aan dit boek voorbij willen gaan. De schrijver biedt een brede uiteenzetting over dit thema. En hij ondersteunt zijn stellingen met een keur van citaten. Enkele duizenden zelfs. Hij neemt daartoe zijn uitgangspunt in de klassiek-gereformeerde traditie in de meest brede zin van het woord: vanaf Augustinus tot heden toe. Bijna overdadig naar mijn gevoel wordt geciteerd uit de werken van bijvoorbeeld de reformatoren Luther en Calvijn, van de mannen van de Nadere Reformatie W. à Brakel, Theod. Avinck, A. Comrie, Th. van der Groe en van puriteinen en Schotten als J. Bunyan, M. Henry, Th. Boston, gebr. Erskine, R.M. McCheyne. Maar ook de namen van Nederlandse theologen uit verleden en heden komen we tegen: H. Bavinck, G.H. Kersten, G. Wisse, J.G. Woelderink, R, Kok, A. Vergunst, A. van Brummelen, C. Harinck, D. Heemskerk, W. Pieters en P. de Vries.

 

Het boek kenmerkt zich door een heldere opzet. Het is verdeeld in vier hoofdonderdelen. Het eerste deel, qua omvang verreweg het kleinste, heeft als opschrift ‘De onrustige mens der zonde’. Hierin wordt, met name aan de hand van uitspraken van Bl. Pascal, de mens getekend als zondaar. De mens is door zijn afval van de levende God zijn zalige bestemming kwijtgeraakt. Hij heeft zich in een verschrikkelijke toestand van ellende en nood gestort. De grootste ellende van die mens is wel dat hij zijn ellende niet beseft! En de nood van zijn nood is dat er vanuit hemzelf geen enkele redding mogelijk is.

Het tweede hoofddeel heet ‘De verkondiging van vrije genade’. Hierin geeft de auteur een brede uiteenzetting betreffende Gods genade die in Christus geopenbaard is en die aan gevallen zondaren wordt verkondigd. Het is het uitvoeringste onderdeel van het boek. Maar er komt dan ook heel wat aan de orde. Veel meer dan ik hier kan noemen. De erkenning van de vrije, welmenende aanbieding van het heil, de onvoorwaardelijke prediking van de beloften van de zaligheid, kan wel de rode draad genoemd worden die door dit hoofdstuk heen loopt. Maar op dit thema wordt een keur aan variaties geboden. Ik noem enkele onderwerpen: de algenoegzaamheid van het offer van Christus, de verhouding verbond en verkiezing, de voorbereidende functie van de wet, de eenheid van wedergeboorte en bekering, het ongeloof als de ernstigste zonde, de betekenis van de drie stukken, de plaats van de toeleidende weg, de waarde van algemene overtuigingen, de zekerheid van het geloof, de noodzaak (al dan niet) van de zogenaamde vierschaarbeleving, de rijkdom van de heilige Doop en de praktijk van het heilig Avondmaal. En dat alles wordt gepresenteerd vanuit de geschriften van de vaderen en hun ‘zonen’.

Het derde hoofddeel beschrijft in wezen dezelfde thema’s, maar nu op een andere wijze geordend. Hier toont de schrijver de ontwikkeling van prediking en theologie in de Nederlandse kerken na de Afscheiding. En dat is niet steeds een verheffend beeld. De lezer wordt betrokken bij allerlei theologische discussies uit verleden en heden. Geen wonder dat men zich bij het lezen van dit derde deel na het tweede in een ander klimaat waant. Na de rustige en weldadige uiteenzetting van de dingen die volkomen zekerheid hebben, komt men hier terecht in de stormen van botsende meningen en scherpe confrontaties. Er is nòg een verschil met het tweede deel. Daar wordt a.h.w. geademd in de breedte van de kerk zonder grenzen. Bijna: de kerk van alle tijden en plaatsen. De overeenstemming overheerst. Maar de polemieken en conflicten van het derde hoofdstuk worden alle uitgevochten op het kleine plekje dat Nederland heet. Nog beperkter zelfs: binnen de beperkte groep van de bevindelijk gereformeerden. Daarbinnen dus!

Het 160 pagina’s tellende slotdeel heeft als opschrift: ‘Kracht en zwakte van de bevindelijke traditie’. Het is een poging tot analyse van de licht-  en schaduwzijden van die traditie. Op de laatste bladzijde van dit hoofdstuk lees ik: “Het zou de reformatorische gezindte sieren om na een eerlijk zelfonderzoek de balans op te maken. De bede “Kom Schepper, Heilige Geest” is meer dan ooit nodig.” Het boek besluit met deel V, een slotbeschouwing in 17 punten.

 

ontwikkeling en verschuiving

Het is onmiskenbaar: de heer Van der Zwaag heeft buitengewoon veel tijd en energie gestoken in het schrijven van dit boek. Het is hem veel waard geweest om deze studie te volbrengen en op de markt te brengen. Gelet op de opmerkelijk lage prijs die voor dit boek gevraagd wordt, heeft hij er niet rijk van willen worden. Er was en is kennelijk een ander oogmerk. We behoeven niet lang te zoeken naar zijn intentie. Die brengt hij in zijn inleiding zelf al onder woorden. Trouwens de opzet van het geheel, zoals ik die zojuist weergaf, verraadt het ook. “We onderzoeken de vraag in hoeverre de historische ontwikkeling van de gereformeerde traditie in deze periode andere accenten laat zien dan de ‘klassieken’ van onze gereformeerde traditie.” Hier gaat het dus kennelijk om: het op het spoor komen van mogelijke verschuivingen in de theologie en in de prediking bij de bevindelijk-gereformeerden. Een verschuiving ten opzichte van ‘onze vaderen’, de mannen wier geschriften ter lezing werden en worden aanbevolen. Kunnen we zo’n toetsing wel doorstaan?, zo vraagt Van der Zwaag aan de traditie waartoe hijzelf behoort. We beroepen ons op mannen uit vorige eeuwen, mannen voor wie we groot respect en achting hebben. Omdat hun geschriften de geest van Schrift en belijdenis ademen. En omdat zij zelf persoonlijk geestelijk-bevindelijke kennis van zaken hadden. Is ons beroep op hen nog wel terecht?

 

Me dunkt, dat is een eerlijke en integere vraagstelling. Het moet kunnen lijden dat ons deze vraag wordt gesteld. Temeer wanneer de lijnen uit het verleden zo breed en gefundeerd worden verantwoord. En dat geldt vooral als we beseffen dat het om de dingen van het hoogste belang gaat: de toe-eigening des heils. De vraag: hoe zal het werk van Christus in mijn hart en leven gestalte ontvangen en behouden? Zoals het onlangs werd gezegd: het gaat over het meest wezenlijke waarover je met elkaar kunt spreken: in Christus of buiten Christus, eeuwige zaligheid of eeuwige rampzaligheid.

 

Een volgende keer Deo volente hopen we verder in dit boek te lezen.

 

N.a.v.: Dr. K. van der Zwaag, Afwachten of verwachten? De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief. Uitgeverij Groen te Heerenveen. Gebonden. 1098 pag. ISBN 90 5829 337 8. Prijs € 29,50.

 

Ds. J.M.J. Kieviet

 

Afwachten of verwachten? (2)

 

In dit tweede artikel over dr. Van der Zwaags nieuwe publicatie over de toe-eigening des heils wil ik met u enkele stukjes lezen in de eerste helft van dit boek: de hoofdstukken 1 en 2. Die strekken zich samen uit van pagina 25 tot en met 544, waarvan het eerste hoofdstuk overigens maar negen bladzijden omvat. In hoofdstuk 1 wordt de “onrustige mens der zonde” getekend. Hoofdstuk 2 geeft aandacht aan “de verkondiging van vrije genade”. Mijns inziens hadden die twee hoofdstukken beter bij elkaar gevoegd kunnen worden. Niet alleen vanuit een methodisch motief, maar ze hangen ook inhoudelijk heel erg samen.

 

zonde en genade

De inzet van het eerste hoofdstuk is helder en ook confronterend. De schrijver wijst erop dat de Bijbel ons leert dat de mens dood is door de misdaden en de zonden. De hele mens is voor God verdoemelijk. De geestelijke doodsstaat van de mens is dat hij los van God leeft. En de weg terug naar de gemeenschap met God is vanuit de mens toegesloten. De mens na de zondeval – hij verkeert zonder God en zonder hoop in de wereld. Hij bevindt zich in een staat van zonde en verdorvenheid. In één woord: van totale verlorenheid.

De heer Van der Zwaag wijst er vervolgens op dat de zonde niet een lot is dat de mens is overkomen, maar een schuldige daad waarvoor hij geheel verantwoordelijk is. Het enige geneesmiddel tegen de zonde en de onrust van die verloren mens is de vrije genade die de Heere “goedertierenlijk” geopenbaard heeft in Zijn Zoon de Heere Jezus Christus.

 

Welnu, het gehele tweede hoofdstuk houdt zich bezig met dit thema: de verkondiging van vrije genade. De openbaring van Gods ontferming komt van de Heere Zelf. Van der Zwaag wijst daar heel nadrukkelijk op. Eenzijdig van Bovenaf wordt genade en zaligheid geopenbaard voor een verloren mensengeslacht. Deze zaligheid is gelegen in vrede met God, een vrede die er van nature niet is. De weg waarin die vrede ontvangen wordt, is het komen tot Christus. Al op één van de eerste bladzijden geeft Van der Zwaag stem aan een woord van bisschop Ryle: “Zij voelden hun schuld en leegheid en dorstten naar bevrijding. Zij hoorden van een volle voorraad van vergiffenis, genade en goedheid in de gekruisigde Christus voor alle berouwvolle gelovigen. Zij geloofden het goede nieuws en rustten erop. Zij wierpen alle vertrouwen in eigen goedheid en waardigheid van zich af en kwamen door het geloof als zondaren tot Christus. Door zo te komen, vonden ze verlossing. Door zo te komen, konden ze dagelijks leven. Door zo te komen, konden ze sterven” (37).

 

Met de bovenstaande woorden van de 19e-eeuwse J.C. Ryle zitten we midden in het thema van de toe-eigening des heils, het antwoord op de vraag hoe ik de enige troost in leven en in sterven ontvang. En hoe ik bij die troost door Gods genade ook bewaard word. Het is de diepe overtuiging van dr. Van der Zwaag dat de gereformeerde traditie in de bezinning op dit belangrijke onderwerp rijke schatten in de Schriften hebben gelezen. De mannen van de Reformatie, van de Nadere Reformatie en van het Puritanisme hebben in de weg van eigen persoonlijke worsteling en van een heilbegerig lezen van de Heilige Schrift mogen putten uit de schatkamer van Gods Woord. Zij waren lichten aan de kerkhemel. Het is dan ook tot onze schade wanneer we ze ongelezen en onverwerkt laten. In dit opzicht ben ik de schrijver dan ook dankbaar dat hij naar deze ‘klassieken’ verwijst en ze weergeeft. Dit tweede hoofdstuk in zijn boek staat namelijk boordevol met fragmenten uit hun werken. En dat over een scala van deel-thema’s. Ik zal er zo straks enkele de revue laten passeren.

Maar eerst een antwoord op een vraag die in dit verband gesteld kan worden. Is het niet heel riskant om een boek als dit – en over een zo gewichtig thema als dit - bijna helemaal te vullen met citaten van anderen. En ze dan zo te rangschikken dat er een redelijk vloeiend betoog uit volgt. Is er niet het gevaar dat je degenen die je citeert bijna alles kunt laten zeggen, wat je zelf wilt? Moet niet heel nauwlettend bekeken worden het verband waarin de oorspronkelijke schrijvers hun opmerkingen maakten?

Deze vraag is reëel. Er is wel gesuggereerd dat Van der Zwaag nog al eens mistast met zijn citaten. Ik erken dat het weergeven van woorden van anderen een riskante bezigheid is. En dat je zomaar een ander woorden in de mond kunt leggen die hij zo niet bedoeld heeft. Ik kan u zeggen, nadat ikzelf een redelijk groot aantal steekproeven heb genomen, dat dit dr. Van der Zwaag niet verweten mag worden. Zijn citaten zijn in het algemeen zorgvuldig gekozen en ze doen recht aan degenen naar wie hij verwijst.

Dat betekent niet dat er bij mij niet enkele vragen zijn in dit verband. Die bewaar ik echter voor een volgende keer. Ik wil nu volstaan met aan te geven voor welke punten de schrijver aandacht vraagt.

 

(on)voorwaardelijk?

“De prediking richt zich tot zondaren en niet tot uitverkorenen en verworpenen. De genade wordt aan zondaren als zodanig aangeboden. En dat geldt onbepaald en algemeen. Bunyan: ‘Niemand wordt uitgesloten van de zegen der dierbare verlossing, die de Heere Jezus Christus teweeggebracht heeft dan zij, die zichzelf uitsluiten door hun verstoktheid, hun ongeloof en hun onboetvaardigheid’. Henry stelt dat zo wijd als de boodschap van het Evangelie wordt gehoord, zo ver reikt ook het aanbod van genade. Er is vergeving van zonden voor allen die zich bekeren en geloven. ‘Het Evangelie sluit niemand uit dan degenen die zich door hun eigen ongeloof en onboetvaardigheid buitensluiten’” (50). De welgemeende nodiging tot de zaligheid die tot allen en een ieder komt, gepaard met de hartelijke en klemmende roeping tot geloof en bekering – het is volgens de schrijver een kenmerk van de bijbelse prediking. De grondslag hiervan ligt in de oneindige genoegzaamheid van Christus’ offerande, zo zegt Van der Zwaag terecht. Hiermee is één van de hoofdthema’s van dit boek aangeduid: de onvoorwaardelijke Evangelieprediking en de welmenende aanbieding van de zaligheid in Christus.

 

Maar moet de mens niet eerst worden voorbereid om de genade te ontvangen? En moet hij niet eerst zijn zonden kennen voordat hij mag geloven, ja zelfs voordat Christus hem wordt aangeboden? Met andere woorden: moet het Evangelie niet voorwaardelijk worden gepreekt? Ook dit thema gaat de schrijver niet uit de weg. De wijze waarop hij erover schrijft, toont hem als iemand die oog heeft voor nuances en die de juiste onderscheidingen weet aan te brengen.

Enerzijds wijst hij erop dat het stellen van voorwaarden, die eerst door onszelf moeten worden vervuld, “een goede hoedanigheid of geschiktheid” in de mens veronderstelt. Het is puur remonstrantisme! Iemand als Comrie heeft deze zienswijze streng veroordeeld. Wanneer predikers de mensen niet direct oproepen tot Christus te vluchten maar oproepen eerst “enige voorafgaande hoedanigheden te moeten toebrengen, zo leiden zij mensen in de weg van een verbond der werken. Zij die vóór de omhelzing van Jezus en Zijn voldoening berouw en leedwezen vereisen, zijn vrienden van satan…” Om met de Marrowmen te spreken: Christus is beschikbaar voor een verloren mensdom!

Er mogen dus geen voorwaarden in de mens worden gelegd. Aan de prediking van de heilsbeloften gaat geen gestalte bij de mens vooraf. Maar tegelijkertijd moet erkend worden dat de Heere de zaligheid wel in een bepaalde weg toe-eigent. Van der Zwaag: “Er is op zich geen bezwaar om de term ‘voorwaarde’ te gebruiken, mits het maar niet in verdienstelijke zin genomen wordt. Bavinck stelt: ‘Noch geloof, noch bekering zijn conditiën die op enigerlei manier de zaligheid verwerven; zij zijn alleen de weg, waarin de weldaden des verbonds in het subjectief bezit komen van hen, voor wie zij verworven zijn.’ De kennis van de ellende en de zonde is de weg waarlangs God Zijn Evangelie aan ons bekendmaakt” (303).

 

rechtvaardigmaking

Ik noemde tot heden nog maar een klein aantal onderwerpen die in dit brede tweede hoofdstuk aan de orde komen. En die Van der Zwaag gelezen heeft in de geschriften van (vooral) oude schrijvers. Een thema dat direct samenhangt met het voorgaande en dat in dit boek nog apart veel aandacht ontvangt, is dat van ‘de toeleidende weg’. Nauw hiermee in verband staand is ook het geheel van vragen rond de weldaad van de ‘rechtvaardigmaking’. Helaas is er rond dit thema veel verwarring. En dat terwijl met name de Reformatoren hier zulk een zuiver-bijbels licht over hebben ontvangen. En dat ook hebben uiteengezet in hun geschriften. Met name op de zogenaamde ‘vierschaarbeleving’ gaat Van der Zwaag nader in. Ik volsta hier met de weergave van enkele woorden van Theodorus van der Groe die zulk een aparte crisiservaring zeker niet vereiste: “Het Evangelie is niet anders dan een voorstel en aankondiging van Gods beloften, waarin God door Christus de vergeving der zonden en de eeuwige zaligheid aan alle verlegen en heilbegerige zondaren laat nodigen om die aangeboden zaligheid en genade op zodanige wijze door een waar en oprecht geloof te omhelzen en aan te nemen. Gebeurt dit laatste en neemt het geloof Christus met een waarachtig hart aan, zo ontvangt de ziel waarlijk en dadelijk van God door Christus uit genade de volkomen vergeving van al zijn zonden en wordt tot een kind en onderdaan Gods.”

In dit verband verwijst Van der Zwaag naar de hervormde ds. W.L. Tukker, die er geen bezwaar tegen had als sterk werd aangedrongen op het buigen onder Gods recht, als maar niet verzuimd werd de troost van het ‘sola fide’ te verkondigen. “De prediking van de rechtvaardigmaking wordt zo gemakkelijk omgevormd tot een schrikbeeld voor de gemeente, in plaats dat hier juist in het bijzonder de volle troost des Evangelies wordt geboden” (461).

 

Ik kon in dit een artikel maar een klein aantal thema’s noemen uit de vele die Van der Zwaag bespreekt. En alle, op grond van de Heilige Schrift, vanuit de geschriften van de vaderen. De slotparagrafen van hoofdstuk twee zijn gewijd aan het spreken van diezelfde ‘vaderen’ over de praktijk van de Heilige Doop, van het doen van belijdenis en over de problematiek rond het Heilig Avondmaal.

 

N.a.v.: Dr. K. van der Zwaag, Afwachten of verwachten? De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief. Uitgeverij Groen te Heerenveen. Gebonden. 1098 pag. ISBN 90 5829 337 8. Prijs € 29,50.

 

Ds. J.M.J. Kieviet

 

Afwachten of verwachten? (3)

 

In dit derde en voorlaatste artikel over dr. Van der Zwaags nieuwe boek blader ik met u in de tweede helft ervan: vanaf pagina 545 tot het einde. Afgezien van de Slotbeschouwing (deel V) en enkele uitvoerige registers treffen we daar twee hoofdstukken aan. De eerste heet ‘De theologische ontwikkeling van de reformatorische kerken na de Afscheiding’ (deel III) en de andere ‘Kracht en zwakte van de bevindelijke traditie’ (deel IV).

 

Onderwerp van dit boek is, zoals we eerder zagen, de toe-eigening van Gods heil in het leven van zondaren. In zijn boek stelt dr. Van der Zwaag de vraag of we in de gereformeerde gezindte daarover nog wel eender denken en spreken als gedaan werd in de Reformatie en de Nadere Reformatie. Zou het soms waar kunnen zijn dat we die schrijvers wel roemen en aanprijzen, maar dat we er ondertussen flinke afstand van genomen hebben? En daarbij betrekt hij dan ook de Puriteinen en een prediker als Kohlbrugge. De “we” die hij dan vooral onder de loep neemt, is met name de kring waartoe hij zelf behoort: die van de (Oud) Gereformeerde Gemeenten (in Nederland). Is het waar wat wel beweerd wordt, dat deze traditie zich sinds ruim anderhalve eeuw anders ontwikkeld heeft dan de kerkelijke woordvoerders voor waar houden? Beroepen we ons met recht op onze belijdenis en op onze gewaardeerde oude schrijvers? Of zijn we soms – heimelijk of openlijk - van hen afgeweken? Dit zijn zo de vragen die hij stelt.

In dat licht begrijpen we het dat hij eerst (in de delen I en II) de thema’s van de toe-eigening des heils aan de orde heeft gesteld. Dat heeft hij heel uitvoerig gedaan. Vanaf Calvijn tot en met Kohlbrugge heeft hij ze allemaal geciteerd als het ging over zaken als verkiezing en verbond, bekering en geloof, wedergeboorte en bevinding, Wet en Evangelie, rechtvaardiging en heiligmaking, Doop, belijdenis en Avondmaal, etc. Zo is de gereformeerde leer vanouds onder woorden gebracht!, wil de schrijver zeggen. Zo zijn in de loop der eeuwen Schrift en belijdenis verstaan als het gaat over het werk van Gods Geest in het leven van zondaren. Dat alles bij elkaar wordt in dit boek gehanteerd als maatstaf.

In deel III stelt hij vervolgens de prediking en praktijk aan de orde, zoals zich die sinds de Afscheiding in de negentiende eeuw heeft ontwikkeld. Met dus de vraag (en nu citeer ik letterlijk): “Is er sprake van continuïteit of zijn er op diverse punten accentverschillen of misschien wel ingrijpende verschuivingen opgetreden?” (545).

 

verbond, verkiezing en beloften

Dr. Van der Zwaag volgt in dit derde deel de historische lijn. Zonder veel moeite is dit onderdeel van zijn boek te beschouwen als een stukje theologiegeschiedenis van een deel van de gereformeerde gezindte. Jawel: van een deel! Daarin maakt hij een bewuste keus. Hij volgt vooral de stemmen en de stromingen die te vinden zijn in de wat smalle bedding van en rond de Gereformeerde Gemeenten. De stemmen en de tegenstemmen, de conflicten en de polemieken, maar ook de preken en de verdere publicaties – door de hele 20e eeuw heen. Maar eerst geeft hij ruim aandacht aan de leerstrijd in de 19e eeuw, niet lang na de Afscheiding.

 

Wat komt er dan zoal aan de orde? De eerste vijftig pagina’s worden ingenomen door een weergave van de strijd om verbond, verkiezing en beloften. Jawel, een heuse strijd. De jonge kerk van de Afscheiding is werkelijk verteerd door de spanningen rond deze thema’s. In dat opzicht is er niet veel nieuws onder de zon. Dr. Van der Zwaag zet het allemaal op een rij. Je wordt er onder het lezen niet vrolijk van. Ik stem het de schrijver wel toe, als hij aan het slot van die paragraaf spreekt over ‘de tragiek van de Afscheiding’. Ik citeer: “Een beweging die juist innerlijke vroomheid en reformatie van de kerk nastreefde, verzandde in onderlinge verdeeldheid over allerlei theologische kwesties” (593). Met name bij de kruisgezinde predikanten leefde er een diep wantrouwen tegen een algemeen en welmenend aanbod van genade. En uitdrukkingen die in een eerdere eeuw onbekommerd werden gehanteerd, zoals bijvoorbeeld “een recht van toegang” en “de eis des geloofs”, werden nu direct verbonden met remonstrantse tendensen. Overigens maakte iemand als ds. L.G.C. Ledeboer daarop een gunstige uitzondering. Een bekende uitdrukking in zijn vragenboekje is dat de gedoopte mag “pleiten op zijn doop”. En die opmerking staat bij hem niet op zichzelf.

 

Het is de grote verdienste van ds. G.H. Kersten geweest dat hij in 1907 de ledeboerianan en de kruisgemeenten, samen met allerlei ‘losse’ gemeenten en gezelschappen, verenigd heeft in de Gereformeerde Gemeenten. Het bestaan van zijn ‘nieuwe’ kerkverband naast die van de bestaande ‘kerken der Scheiding’ legitimeerde hij door erop te wijzen dat de leer der genade bij de afgescheidenen niet veilig was: “Luide werd gepredikt, dat het de welmenende aanbieding van de genade Gods in Christus is aan allen die onder het Evangelie leven, teneinde zij allen alleen op grond dier aanbieding, die aan hen als zondaars geschiedt, dat heil door een levendig geloof zouden aannemen en in bezit erlangen. Alleen op grond van aanbieding aannemen! De hier bedoelde predikers drongen hun hoorders het geloof op en zeiden niet dan bij noodzaak, dat het geloof een gave Gods is en een gewrocht van de Heilige Geest.” (597).

Uiteraard geeft Van der Zwaag uitvoerig aandacht aan de zogenaamde leeruitspraken van 1931, gedaan door de synode van de Gereformeerde Gemeenten. Belangrijkste stelling in deze uitspraken is dat het verbond der genade staat onder de beheersing van de verkiezing. Het wezen van het verbond geldt alleen de uitverkorenen en kan nooit het natuurlijke zaad gelden. De directe achtergrond van deze uitspraken is gelegen in een scherpe pennenstrijd tussen ds. G.H. Kersten en de christelijke gereformeerde ds. J. Jongeleen.

 

Natuurlijk komt in dit boek ook de kwestie rond ds. R. Kok en zijn schorsing uitvoerig ter sprake. De controverse rond zijn persoon hing samen met zijn visie op het aanbod van genade, het verbond en de beloften. Met een uitvoerig beroep op reformatoren en oudvaders bepleitte ds. Kok een prediking van Gods beloften aan allen en een ieder. Hij was er van overtuigd dat de prediking van het Evangelie een prediking van de beloften van het Evangelie is. En dat de beloften van het Evangelie beloften des verbonds zijn. Het was een standpunt dat binnen de kring van zijn gemeenten niet verdragen kon worden. Schorsing volgde. Tot heden kwamen de Gereformeerden Gemeenten op die schorsing nog niet terug. Van der Zwaag concludeert terecht dat het kerkverband formeel nog steeds achter deze maatregel staat (626).

Aan ds. Kok is verweten dat hij de aanbieding van het Evangelie vereenzelvigde met de prediking van de beloften. Enkele tientallen jaren later is hieraan een nieuwe interpretatie toegevoegd, namelijk dat onderscheiden moet worden tussen de beloften van het Evangelie, die aan ieder gepredikt mogen worden, en de beloften van het Verbond, die slechts de uitverkorenen gelden.

 

ontwikkelingen

Binnen de Gereformeerde Gemeenten zijn de ontwikkelingen verder gegaan. Begin jaren vijftig kwamen (als ik het zo zeggen mag: ter andere zijde) dr. C. Steenblok en zijn medestanders buiten het verband te staan. Ten diepste vanwege hetzelfde thema. Zijn stelling was dat er geen sprake kan zijn van een welmenend roepen tot de zaligheid, omdat God de zaligheid van allen niet wil. Vanuit het leerstuk van de verkiezing trok hij strikt logisch redenerend zijn conclusies, die even consequent als eenzijdig waren. Zelfs kwam Steenblok tot de uitspraak dat het Evangelie slechts “een zedelijk aanradende, doch daarbij tevens in de geestelijke doodsstaat latende, werking” heeft (659), een bewering die gevaarlijk dicht bij die van de Remonstranten komt… De uittreding van dr. Steenblok en enkelen met hem in 1953 leidde tot het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

 

Van der Zwaag tekent de verdere ontwikkelingen binnen de ‘synodale’ Gereformeerde Gemeenten. Het is niet een geheel eenduidig beeld meer. Al in de jaren vijftig was het bijvoorbeeld ds. A. Verhagen die graag de nadruk legde en bleef leggen op de ruimte in de Evangeliebediening. Ook iemand als ds. J.W. Kersten was een man van een eigen, min of meer onafhankelijk stempel.

Het is vooral ds. A. Moerkerken, rector van de theologische opleiding, die onvermoeibaar nadruk legde en legt op het theologisch ‘eigene’ van de Gereformeerde Gemeenten. Dat geldt zowel voor zaken als verbond en belofte als voor het thema van de standen in het genadeleven. Zijn publicaties over deze onderwerpen zijn onmiskenbaar richtinggevend (geweest) voor de hoofdstroom binnen de kring van de gemeenten. Daardoor werden nieuwe impulsen gegeven aan een aantal kenmerkende accenten. Zonder commentaar noem ik een aantal ‘items’: de leer van de rechtvaardiging van eeuwigheid, de parallel tussen heilsgeschiedenis en heilsorde, de gang van de discipelen als voorbeeld voor de geestelijke weg van Gods kinderen, de sterke onderscheiding van wedergeboorte en rechtvaardiging, het accent op de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie, de uitgewerkte leer van de standen in het geestelijke leven. Hiermee hangt samen het “inlezen van de standen in bijbelse personen”. Bijvoorbeeld bij aartsvader Jakob (‘Bethel en Pniël’), bij Simeon en bij Anna, bij Ruth… Tenslotte wijs ik nog op allerlei uitdrukkingen als: “bedekte schuld is nog geen vergeven schuld”, “zien is nog geen hebben”, etc.

 

Van der Zwaag completeert zijn historisch overzicht door ook de ‘tegenstemmen’ te citeren. Ik noem, zonder nu op hun stellingen in te gaan, de namen van B. Wallet, J. Zwemer, J. Blaauwendraad en – heel recent – H.J. Hegger. Hun verwijten, die ook niet in alle opzichten helemaal met elkaar sporen, zijn samen te vatten met de titel van één van de boeken van dr. Blaauwendraad “Het is ingewikkeld geworden!” In deel IV worden deze geluiden nog ondersteund door enkele stemmen van buiten, zoals van J.G. Woelderink, T. Brienen, C. Graafland en A.A. van Ruler.

Trouwens niet alleen van hen. Deel IV wil tenslotte een analyse en verkenning bieden van de bevindelijke traditie. Met het oog daarop luistert Van der Zwaag ook naar mannen uit een wat andere hoek, zoals J.C. Philpot en A.W. Pink. Omdat ook bij hen van een algemeen Evangelie-aanbod geen sprake is, kunnen ook zij ingedeeld worden bij de zogenaamde hypercalvinisten. Maar een wettische verstrakking vinden we bij hen niet.

 

Tenslotte roept dr. Van der Zwaag zijn kring op tot een hernieuwde terugkoppeling naar de wortels. Ik citeer een aantal regels van de laatste bladzijde van deel IV: “Het zou de reformatorische gezindte sieren om na een eerlijk zelfonderzoek de balans op te maken. De bede “Kom Schepper, Heilige Geest” is meer dan ooit nodig. Zowel ten behoeve van de ouderen (…), om hen tot Christus te leiden, alsook om een nieuwe generatie niet te verliezen. Wie alleen maar aan de overgeleverde termen en eigen kerkelijke traditie vasthoudt zonder deze (kritisch) aan Schrift en belijdenis te toetsen, zal menselijkerwijs gesproken alleen maar het ‘kerkelijke bedrijf’ gaande houden. Een terugkoppeling naar Schrift en belijdenis en naar de wortels van Reformatie, Nadere Reformatie en het puritanisme is meer dan ooit gewenst.”

 

N.a.v.: Dr. K. van der Zwaag, Afwachten of verwachten? De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief. Uitgeverij Groen te Heerenveen. Gebonden. 1098 pag. ISBN 90 5829 337 8. Prijs € 29,50.

 

Ds. J.M.J. Kieviet

 

Afwachten of verwachten? (4, slot)

 

In dit artikel geef ik nog één keer aandacht aan het omvangrijke en spraakmakende boek van dr. K. van der Zwaag ‘Afwachten of verwachten?’. De vorige bijdragen gaven in het kort iets uit de inhoud weer. Nu kom ik tot enkele opmerkingen van weging en beoordeling. Ik doe dat dit keer puntsgewijs.

 

1. Ik begin met het uitspreken van diep respect voor de belezenheid van de auteur. Na zijn mooie boek over Augustinus, de kerkvader van het westen (1993) en zijn diepgravende dissertatie over artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1999) dient hij zijn lezers nu met een breed overzicht van een zeer belangwekkend thema: de prediking aangaande de toe-eigening des heils. Hij toont in zijn rubricering een goed inzicht in de verbanden tussen de talloze subthema’s. Vooral de inhoud van hoofdstuk II, waarin treffende en terzake doende citaten gegeven worden uit de geschriften van Reformatie, Nadere Reformatie, Puritanisme en Kohlbrugge, is mijns inziens een compliment waard. Door enkele recensenten is dit boek een encyclopedie genoemd. Daarmee is niets teveel gezegd. Een ander vergeleek de auteur met een schatgraver, die telkens weer verrassende vondsten deed en ze vervolgens gerubriceerd heeft uitgestald. Ik ben het hiermee eens. Vanuit de kerk van de Reformatie etc. zijn ons in de geschriften van de ‘vaderen’ machtige schatten overgeleverd. Vooral in de eerste helft van dit boek flonkeren ze ons tegen. Alleen tot onze schade kunnen we die schatkamer van de geschiedenis ongebruikt laten.

 

2. De schrijver heeft met zijn boek een specifiek doel. Er is hem veel aan gelegen dat duidelijk wordt of degenen die menen te staan in de gereformeerde traditie dat ook terecht beweren. Hij wil in zijn boek een bepaalde vraag beantwoord zien. Het is deze vraag: in hoeverre klinken er in prediking en pastoraat tegenwoordig andere geluiden dan bij de ‘klassieken’ van onze traditie? Zou het soms kunnen zijn dat een deel van onze traditie - onder leiding van de voorgangers - op bepaalde punten is afgeweken van de ‘oudvaders’? En dat dus het beroep op hen niet helemaal terecht is? Hij richt zich dan met name op zijn eigen kring, namelijk die van de (Oud-)Gereformeerde Gemeenten (in Nederland).

Mag zo’n vraag gesteld worden? Is een oproep tot zelfonderzoek wettig? Met een verwijzing naar de naam van ons eigen blad zou ik willen zeggen: jazeker! De apostel Paulus richtte (zelfs!) tot zijn geestelijke zoon Timotheüs de oproep om het pand te bewaren. Het erfdeel dat is overgeleverd, moet ongeschonden worden bewaard! Dat pand is uiteraard verankerd in de Heilige Schrift, Gods eigen allesbeslissende Woord! Als in één adem wil ik hierbij de gereformeerde belijdenis noemen, waarin dat absolute gezag van de Schriften wordt erkend. Maar ook de geschriften uit vorige eeuwen - van de vaderen die meermalen als ‘heldere lichten aan de kerkhemel’ worden geprezen - hebben ons iets te zeggen. Men moet wel sterke argumenten hebben om een ander geluid te laten horen dan zij deden. Spreekt ook ons eigen blad in de ondertitel niet van: ‘handhaving der oude Gereformeerde beginselen’?! En terecht! Het moet mijns inziens kunnen lijden dat ons de meetlat wordt aangelegd. En hoe belangrijker het thema hoe zwaarwegender de noodzaak.

 

3. Wie dit nieuwe boek onbevangen leest, kan tot geen andere conclusie komen dan dat de auteur niet alleen een integere vraag stelt, maar tevens dat hij dat doet vanuit een zuivere intentie. Ik kan het niet anders zien dan dat zijn bedoeling eerlijk en integer is. Het boek zet in met een allegorie van de joodse schrijver Franz Kafka, ondersteund door citaten van Spurgeon, Boston en Kohlbrugge. Die eerste paar bladzijden zijn aangrijpend. Hier wordt de weg getekend van mensen die afwachten, afwachten of de deur eens open gaat. Maar die niets tonen van het kloppen in nood. “Ze wachten! Maar waarop? En op Wie?”

Ik proef in de zoektocht van dr. Van der Zwaag iets van deernis met deze mensen. Ze behoren tot de kring van de ‘bevindelijk-gereformeerden’, maar van de ware bevinding weten ze niet, zo moet worden gevreesd. De verborgen omgang met de Heere is hun onbekend. Zelf verrast en getroost door de heldere getuigenissen van de ‘vaderen’, wil Van der Zwaag nu niets liever dan deze schatten ontsluiten voor die wachtende schare. Of hij hen daarmee bereikt, is iets anders. Maar zijn bedoeling is zuiver.

 

4. Men kan niet zeggen dat dr. Van der Zwaag een marginaal onderwerp heeft gekozen. Het gaat om dingen van het allergrootste gewicht. Ds. W. van Vlastuin sprak in dit verband zelfs van “een staan op heilige grond”. In de toe-eigening van het heil gaat het immers om het geleid worden tot, het bewaard worden bij en het leven uit de zaligheid die in Christus Jezus is. Het gebed van Manasse in de gevangenis, het kermen van Hizkia op zijn ziekbed, de ontreddering van Jesaja bij het zien van Gods heiligheid, het knielen van de wijzen bij de kribbe, het roemen van Simeon in de tempel, de openbaring aan Maria Magdalena op de paasdag, het zingen van Paulus en Silas in de gevangenis, het opgericht worden van de als-dood-zijnde Johannes op Patmos - het bevindt zich allemaal binnen het veld van dit thema. En ook in leerstellig opzicht gaat het hier over de allerbelangrijkste zaken. Het geschil tussen Luther en Erasmus, het geding van Gomarus met Arminius, het conflict van de Marrow-men in de Schotse kerk, de verschillen tussen Kohlbrugge en Da Costa - ze hebben allemaal met de toe-eigening des heils te maken. Ik zou zelfs willen zeggen: als het hier mis gaat, gaat het op den duur geheel mis. Ik behoef maar te herinneren aan de ontsporing van de Gereformeerde Kerken.

Toch zet, wat mij betreft, hier een punt van kritiek in. De schrijver pretendeert met zijn ondertitel (‘De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief’) meer dan hij waarmaakt. Ook anderen wezen daar al op. Het is niet zozeer de toe-eigening zelf die hij aan de orde stelt, te weten de praktijk van die toe-eigening, maar meer de verkondiging aangaande de toe-eigening. En nu bedoel ik niet dat de weg die de Heere met zondaren gaat, zomaar in kaart te brengen valt. Trouwens, dat is ook één van Van der Zwaags stellingen. De Geest blaast waarheen Hij wil... Maar aan de diverse aspecten van Gods weg met zondaren (en die strekt verder dan alleen de toe-leidende weg) had de schrijver toch breder en systematischer aandacht kunnen geven. Laat ik zeggen: zoals iemand als Wilhelmus à Brakel dat doet in zijn Redelijke Godsdienst. Het had de kracht van zijn betoog sterker gemaakt. En dan ook dit nog: opmerkelijk dat juist bij dit thema aparte aandacht voor (het werk van) de Heilige Geest ontbreekt.

 

5. In een eerder artikel wees ik er al op dat er tussen de eerste en de tweede helft van het boek een verschil in klimaat is te constateren. De leer van de Reformatie kenmerkte zich door een heldere klemtoon op de rechtvaardiging van de goddeloze, op de oneindige kracht en waarde van Christus’ bloed, op de genoegzaamheid van Zijn offerande en op de gewilligheid van Christus tot de zaliging van zondaren. Nadere Reformatie en Puritanisme vertoonden door hun eigen context wel wat andere accenten, maar trokken in wezen dezelfde lijnen door. Maar als we (in hoofddeel III) in de 19e eeuw terecht komen, verandert het klimaat. We stuiten op onderscheidingen en bedenkingen die voorheen onbekend waren. De 19e eeuw is in kerkelijk opzicht een verwarrende eeuw geweest. Het was de eeuw van afscheidingen, nadere afsplitsingen, interne twisten, individualisme en subjectivisme. Overigens, door dat alles heen was er een legitieme worsteling om de waarheid. Het gezelschapsleven bevatte onmiskenbaar een vorm van authentiek geestelijk leven, maar heeft anderzijds ook voor verwarring in de kerken gezorgd. Door dat alles heen heeft de Heere Zijn Kerk bewaard. Dat is het wonder van de 19e eeuw!

Als Van der Zwaag erop aandringt de erfenis van die eeuw in geestelijk en theologisch opzicht nog eens kritisch te bezien, moeten we die oproep serieus nemen. Zeker wanneer hij uit de geschriften van eerdere eeuwen het goud van een meer Schriftuurlijke theologie opdiept.

 

6. Ik heb er best begrip voor als het opnieuw naar voren halen van allerlei kerkelijke kwesties in eerste instantie wat irritatie oproept. Toch is het niet terecht als al te snel en al te ongenuanceerd dit boek terzijde zou worden geschoven. Dat doet aan de schrijver en aan zijn oprechte bedoeling geen recht. Het is onjuist om te zeggen dat dit boek “al te veel vragen oproept om een zinvolle bijdrage te leveren aan het gesprek over de toe-eigening des heils”. Wat jammer toch wanneer de studies van ds. C. Harinck over de prediking van het Evangelie en over de toeleidende weg niet echt worden verwerkt. Wat jammer toch als de vijftig jaar oude schorsing van ds. R. Kok koste wat kost moet worden gehandhaafd. Ook na alles wat Van der Zwaag daarover naar voren haalt. We preken bekering en verootmoediging. Maar ook kerkelijk is wel eens boetvaardigheid vereist.

 

7. Dit alles gezegd hebbend, wil ik nog een paar andere dingen zeggen. Dr. Van der Zwaag beweegt zich met zijn boek op één bepaald front. Daarvan is hij zich ook wel bewust. In zijn conclusie nr. 13 spreekt hij over de tragiek van de bevindelijk-gereformeerde traditie. Ik citeer: “Terwijl in grote delen van de kerken van de Reformatie bevinding en persoonlijk doorleefd geloof vergeten hoofdstukken zijn geworden en de toe-eigening des heils een zaak van automatisme is geworden (...), is er bij de zogeheten bevindelijk-gereformeerden een omgekeerde beweging te zien...” Het zal duidelijk zijn dat de schrijver zich met name richt op de laatste categorie: diegenen onder hen die wel spreken over bevinding en daar zo hun mening over hebben, maar die er bevindelijk buiten staan. Helaas hebben velen van hen daar nauwelijks last van...

Maar er is ook dat andere front. Een front dat ook door onze eigen Christelijke Gereformeerde Kerken loopt. De eerlijkheid gebiedt het te zeggen. Waar bevinding en wedergeboorte, zondekennis en arme-zondaarsgeloof onbesproken en - zo vrees ik – onbekende en ongekende zaken zijn geworden. Vanuit die feitelijkheid begrijp ik het ook best dat (bijvoorbeeld binnen de Gereformeerde Gemeenten) men vuurbang is voor een aangepraat geloof en een verondersteld verbondskind-zijn. En dat niet alleen de Gereformeerde Kerken maar ook delen van onze eigen kerken als een schip op strand en dus als een baken in zee worden gezien. Die kant wil men zeker niet op! En terecht! Maar daarom behoeft een kritische toetsing van de eigen prediking niet achterwege te blijven.

 

8. Jammer vind ik het dat dr. Van der Zwaag zich in zijn brede betoog ook beroept op schrijvers die in zijn kring geen of weinig gezag hebben. In denk bijvoorbeeld aan wijlen professor Van Ruler. Voor de compleetheid van het overzicht geeft het misschien een goed gevoel, maar in het geheel van zijn stellingen voegt het nauwelijks gewicht toe. Ook heel de discussie rond de jongerenavonden had in dit boek wel gemist kunnen worden, denk ik. Het opnieuw in de herinnering brengen van dit soort gevoelige kwesties blokkeert, zo vrees ik, het heilzaam luisteren naar elkaar.

 

9.  Ik besluit deze bespreking met een enkel fragment van Ralph Erskine. In het boek van Van der Zwaag wordt hij vele tientallen keren geciteerd. Nu is het bekend dat deze Ralph met zijn broer Ebenezer een algemeen en onvoorwaardelijk aanbod van genade predikten. De kabinetten van de evangelische beloften waren bij hen voor allen zeer wijd geopend. Maar evenzeer is waar dat zij heel scherp en ontdekkend de eis van God Wet preekten. Over het heilsordelijk verband van Wet en Evangelie was er bij hen geen enkel misverstand! Zij predikten Christus aan allen, als een genoegzame Zaligmaker, ook voor de grootste van de zondaren. Maar tegelijkertijd gaven ze er blijk van dat ze wisten in welke weg deze Christus Zich openbaart. Namelijk in de weg van verootmoediging en schuldverslagenheid. Als een werk van Zijn eigen Geest! En ik zou zeggen: ligt hier niet het geheim van de ware prediking? Namelijk in het spreken met twee woorden. Allereerst in een scherpe prediking van Gods Wet - opdat hoogmoedigen worden vernederd. En vervolgens in een ruime en onvoorwaardelijke Evangeliebediening - opdat vernederden worden opgericht.

En nu dat ene fragment van Ralph Erskine. “De Wet zegt: ‘Mens, u hebt een goddeloos en duivels hart, dat geheel verhard is. U bent niet anders dan een gehele massa van zonde. Want door de Wet is de kennis der zonde.’ Wat zegt het geweten hierop? Stemt het die ganse beschuldiging gulhartig toe? Hoort dan ook, hoe de vrijspraak van het Evangelie luidt: ‘Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen en zal hun een vlezen hart geven.’ Wat zegt nu het geloof daarop? ‘O, welkom, goede belofte. Heere, ik vertrouw op Uw Woord. Mij geschiede naar Uw Woord.’”

 

N.a.v.: Dr. K. Van der Zwaag, Afwachten of verwachten? De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief. Uitgeverij Groen te Heerenveen. Gebonden. 1098 pag. ISBN 90-5829-337-8. Prijs € 29,50.

 

                                                                                  Ds. J.M.J. Kieviet