Rondzendbrief  41                                                                      02 december 2005

 

Groei en/of standen in het geestelijk leven

 

IK HEB MIJ VERGIST

Hieronder eerst een artikel dat ik ongeveer een jaar geleden heb gepubliceerd in Rondzendbrief 20. Daarna plaats ik een brief waaruit blijkt dat ik mij toen vergist heb.

 

GROEI IN HET GELOOF

Daarover schreef ds. A. Moerkerken[1]: “Er is een gezonde, Schriftuurlijke en gereformeerde mystiek. Onder het met vele nevels omgeven woord mystiek verstaan wij hier de ‘verborgen omgang’ met God, het smaken van Zijn gemeenschap” (p. 79).

Zelf versta ik het vage woord ‘mystiek’ meestal in een iets ruimere zin, maar ik ben het wel met ds. Moerkerken eens dat wat hij aangeeft, de kern vormt van de bijbelse mystiek. Mystiek die deze kern niet bevat, is vals.

Als hij het heeft over de standen in het geestelijk leven, merkt hij op: “We gaan hier voorbij aan de vraag of het exegetisch wel verantwoord is 1 Joh. 2:13,14 als kroongetuige voor de driedeling: kinderkens, jongelingen, vaders te doen spreken.” (77).

Ik ben erg blij dat hij de juistheid van deze exegese in het midden laat, want ik heb vanaf dat ik daarover hoorde, mij erover verbaasd. Ik vroeg me af: zijn dat nu de mensen van het Sola Scriptura? Is dat geen willekeurige inlegkunde?

Ik was dergelijke ‘Schriftverklaring’ gewend in de R.-k. Kerk. Daar speelde men het klaar om uit de beeldspraak van de petra in Mat. 16:18 allerlei conclusies te trekken en om door middel van vele redeneringen de ‘onfeilbare’ leer eruit tevoorschijn te toveren dat Christus aan iemand die door de kardinalen met meerderheid van stemmen tot bisschop van Rome is gekozen, het absolute leergezag en de absolute bestuurs- en rechtsmacht over al Zijn volgelingen verleent.

 

Geestelijke groei is mogelijk en nodig

Vervolgens stelt Moerkerken de vraag: “Zijn er stappen of trappen in het geestelijke leven?” Hij beantwoordt die vraag met een ja. Hij voegt er echter aan toe dat hij niet houdt van het woord ‘trap’. “Het woord ‘trap’ suggereert fasen die men passeren kan en die dan ook hebben afgedaan. Zo ligt het echter in de bevinding der heiligen nooit.”

Met deze nuancering die hij verder uitwerkt, ben ik ook erg blij. Want dat er groei mogelijk is bij iemand die wedergeboren is, wordt in heel de Schrift geleerd.

Ik wil in deze Rondzendbrief eveneens benadrukken dat er bij een gezond geestelijk leven groei moet zijn. Want zo ergens dan geldt zeker hier: stilstand is achteruitgang. De Brief aan de Hebreeën waarschuwt telkens voor de ‘verachtering’ in het geloof. Maar evenzeer wil ik beklemtonen dat groei in het geestelijk leven wel voor honderd procent een opdracht is aan ons, maar tevens voor honderd procent genade van God. Daardoor is een roemen over je eigen groei onmogelijk, want dan zou je proberen lof in te oogsten over iets dat de Here zelf in jou heeft bewerkt door Zijn Heilige Geest.

Paulus durft heel wat te vertellen over de vele gaven die hij van God heeft ontvangen. Maar zijn grondhouding is altijd: “Door de genade van God ben ik wat ik ben. En Zijn genade is aan mij is niet vergeefs geweest want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade van God die met mij is” (1 Kor. 15:10).

En na dit zo duidelijk gesteld te hebben durf ik iets te vertellen over mijn eigen groei in het geloof. Want ik meen dat de lezers meer hebben aan een persoonlijk getuigenis daarover dan aan een zwaarwichtige theologische uiteenzetting van wat geestelijke groei inhoudt.

 

God is bijna enkel een ‘Hij’ voor mij geworden

Ik ben de Here onuitsprekelijk dankbaar dat Hij mij door de jaren heen heeft doen groeien in het geloof. Ik herhaal: dat was geen verdienste van mij, maar Zijn genade.

Eén van die groeiaspecten was dat ik mij steeds meer los heb gemaakt van de betoverende en zoete beleving van ‘het’ Oneindige. Ik leef nu bijna enkel uit Hem, niet langer tevens uit een ‘Het’. God is bijna uitsluitend ‘Hij’ voor mij geworden. Hij boeit mij zozeer in zijn ‘Ik-zijn’ dat ik nauwelijks nog behoeft meer heb aan het ‘het’ van Hem, aan het genieten van de schoonheid die Hij uitstraalt, aan een verlustiging in Zijn grootheid die Hij in de schepping tentoonspreidt.

Altijd weer trekt Hij mij naar Zichzelf toe, en ik wil niets liever. Ik wil zo graag opgaan in Hem. Ik kan nooit lang vertoeven in een ‘het’ van Hem, in al die sublieme eigenschappen die de Bijbel Hem toeschrijft. Mijn vreugde is bijna enkel om Hèm, Hemzelf, te ontmoeten, heel persoonlijk en heel direct. Want ik heb Hèm lief, niet een ‘het’ in Hem. Altijd weer wil ik in Zijn lieflijk gelaat zoals Hij mij verschijnt in Christus, Zijn barmhartige vergevende liefde lezen. Ik wil het zo graag van Hemzelf horen dat Hij mij liefheeft als Zijn kind. En ik weet dat Hij Zijn Geest naar en in mij heeft gezonden om met mijn geest te getuigen dat ik kind van God ben en dat ik Hem mag aanspreken met de tere naam ‘Abba, Vader!’[2]

 

Liefde is zich verlustigen in Iemand, niet in Iets

Hoe moet ik dat proces van de steeds innigere eenheid met God kort weergeven? Ik denk dat ik dat het beste kan door het te vergelijken met het groeiproces in de liefde tussen man en vrouw in het huwelijk. Het huwelijk wordt immers in de Bijbel vaak gebruikt om de verhouding tussen de Here en de Zijnen weer te geven. Dus:

Een jongen wordt verliefd op een meisje. Waarom? Om haar twinkelende ogen? Om het kuiltje in haar wangen? Om haar golvende ovalen gezicht? Om haar welvingen? Om haar wiegende heupen? Om haar prachtige benen als Griekse zuilen? Waarom? In de meeste gevallen om iets in haar uiterlijk.

Ze gaan trouwen. Dan leren ze elkaar pas echt kennen. Dan heeft er, als het goed is, een vergroeiing in elkaar plaats. Twee ikken die als de vlammen van twee kaarsen in elkaar overgaan en een levende eenheid met elkaar vormen, één vuur, één warmte en één licht. Twee mensen die hetzelfde wensen: steeds beter elkaar begrijpen, steeds dieper één van ziel met elkaar worden.

Dat groeiproces zet zich voort door de jaren heen. Het uiterlijk van toen straalde een veel belovende lente naar elkaar toe. Daardoor waren ze wellicht aanvankelijk op elkaar verliefd geworden. Maar dat frisse van de jeugd verdwijnt stilaan, ook al zal dat intussen door het ouder worden plaats hebben gemaakt voor de rijpe schoonheid van de zomer of de herfst. Maar hoe het ook zij, door het proces van de innerlijke vergroeiing met elkaar hebben ze zich steeds meer in elkaar vastgezet, zich aan en in elkaar vast geklemd. Daardoor blijven ze verliefd op elkaar tot het einde toe, tot die vreselijke scheur, als de dood een van hen wegrukt.

 

Na het morgenrood de helle zon

Zo heb ik door de jaren heen ervaren hoe de Here mij steeds meer naar Zichzelf toetrok. Daardoor is de overweldigende schoonheid van ‘het’ Oneindige in Hem bij mij langzamerhand op de achtergrond geraakt. Ik ben Hem steeds meer gaan liefhebben om Hemzelf. Om dat wat duidelijker te maken opnieuw deze vergelijking:

Wat kan het morgenrood mooi zijn! Dan is de zon nog niet zichtbaar, maar ze kondigt haar komst wel al glorieus aan. Maar kijk, daar rijst ze aan de horizon omhoog. Ze verdrijft de betoverende pracht waarmee ze zich aanmeldde. Moeten we daarover treuren? Nee, want de zon die aan de hemel staat te stralen in haar helle licht, de zon die haar warmte uitgiet op de aarde hebben we nodig. Zonder die zon is de aarde ten dode gedoemd.

Zo is God ook de Zon voor mij geworden. Hij heeft Zich eerst aan mij vertoond in de pracht van Zijn uitstraling, in de luister van Zijn oneindigheid, het morgenrood waarmee Hij Zijn verschijning aan mij aankondigde.

Maar sinds Hij aan mij verschenen is als Iemand, heb ik dat ‘iets’ van Zijn onbegrensde schoonheid niet meer nodig. Nu leef ik door Hemzelf. Nu is Hij een Vader voor mij. Zijn Zoon noemt mij Zijn vriend[3] en Zijn broer[4]. Hij heeft mij met Zichzelf laten vergroeien. Hij is zelfs in mij komen wonen en heeft mij in Zich opgenomen[5].

Maar ondanks dat vertrouwelijke omgaan met God is het ontzag dat ik voor Hem heb, juist toegenomen. Meer dat ooit weet ik dat Hij, hoewel Hij in Zichzelf enkel Licht is, Zich voor mij moet hullen in de mantel van de duisternis. “Rondom Hem zijn wolken en donkerheid.”[6] In wezen kan ik over Hem enkel zeggen wat Hij niet is. Als Hij tot mij spreekt moet en wil ik de schoenen van al mijn denken en voelen uittrekken. Dan bevind ik mij vol huiver voor de grote Onbekende die mij echter onweerstaanbaar tot Zich blijft zuigen.

 

 Wij kennen door geloof en liefde

Die innige relatie die ik met Hem mag hebben, is enkel gebaseerd op het geloofsvertrouwen en de liefde die Hijzelf in mij naar boven heeft geroepen. Ik ken Hem alleen door het geloof en de liefde, sola fide, sola charitate[7]. “Met het hart gelooft men.”[8] Ik herhaal maar weer eens het gezegde van Pascal: “Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent.” Met je hart overschrijdt je alle grenzen van de rede. Met je hart bereik je de Onbegrensde.

God vraagt enkel vertrouwen in Hem. Hij kan ook niet anders want sinds de zondeval kunnen wij Hem nooit iets fatsoenlijks aanbieden. Wanneer we toch proberen Hem de besmeurde cadeautjes van onze ‘goede’ werken te presenteren, moet Hij die met verontwaardiging afwijzen.

Maar juist omdat Hij van ons, zondaars, enkel dat vertrouwen in Hem vraagt, kun je en moet je Hem onuitsprekelijk liefhebben. En dat vooral ook omdat Hij ons zichtbaar zo nabij mogelijk is gekomen met Zijn belofte in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon.

Hoe kun je dat nu beschrijven, dat heen en weer van de liefde die Hij in jou, gelovige broeder en zuster, en in mij door Zijn Geest heeft uitgestort, de liefde tussen ons en Hem die Zichzelf de Liefde noemt? De Bijbel zegt zelf dat dit in wezen onuitsprekelijk is. Je kunt proberen die intense zaligheid te omschrijven met woorden die dit tere geheim zo dicht mogelijk benaderen. Je kunt ervan zingen. Je kunt proberen het met dichterlijke bezieling weer te geven. Veel meer kun je niet.

 

Dan zie ik Christus van aangezicht tot aangezicht

God enkel een ‘Hij’ voor mij? Tot op zekere hoogte, want God is, ook al is en blijft Hij voor ons de Onnoembare, de loutere “Ik ben die Ik ben”, toch tegemoet gekomen aan ons verlangen om zoveel mogelijk van Hem, onze Geliefde, aan de weet te komen. Maar we mogen wat Hij van Zichzelf zegt, nooit losmaken van Wie Hij is. We moeten altijd weer van ‘een leer over Hem’ terugkeren naar Hemzelf. We moeten vol huiver en aanbidding neerknielen voor Hem, èn tegelijk ons reeds nu laten wegzinken in Hem. We mogen nu al genieten van de eeuwige sabbatsrust die voor ons is weggelegd wanneer “God alles in allen” is geworden.[9]

Ik ben intussen al 89. Over tien jaar – als ik dan nog zou leven – ben ik 99. Dan moet het, lijkt mij, intussen met mij zijn afgelopen. Maar wat zijn tien jaren? Die zijn zo maar voorbijgevlogen. En dan?

Zal er dan veel voor mij veranderen als de Here mij tot Zich heeft genomen? Zeker, dan is de zonde helemaal uit mijn ziel weggeschroeid. Dan is er geen vlekje vuiligheid meer in mij. Dan ben ik louter liefde. Wat een heerlijk vooruitzicht! Maranatha! Here Jezus, kom!

Zal ik mijn Geliefde dan heel anders beleven? Ik denk dat er in wezen niets zal veranderen in mijn verhouding tot Hem. Hij zal ook dan voor mij enkel ‘Hij’ zijn. Ook dan zal ik Hem niet kunnen doorgronden. Ook dan zal ik niet weten wat Hij is, maar slechts Wie Hij is. Maar dat is voor mij genoeg. Het weten dat Hij mij liefheeft, blijft dan voor eeuwig mijn zaligheid. En dat weet ik enkel door geloof en liefde. Louter met mijn verstand kan ik God nooit bereiken, maar dat kan ik wel door middel van het geloof en de liefde, de gaven die Hij in mij heeft neergelegd. Daardoor bereik ik Hem als de Levende, maar wat Hij in zichzelf is, kan ik alleen maar zien in Christus.

En daarom heeft er dan toch een grondige wijziging plaats. Want dan mag ik Christus zien “van aangezicht tot aangezicht”[10] en in Zijn verheerlijkte gedaante. En hoe overweldigend dat is kunnen we lezen in Openb. 1:12-20. Er is alleen dit verschil: dan zullen we niet zoals dat met Johannes gebeurde als dood ter aarde vallen. We mogen dan vanuit de diepe rust van de eeuwigheid ten volle van Hem genieten zoals Hij is.

God (bijna) enkel een “Hij” voor mij? Is dat geen verarming? Nee, hoe intenser ik Hem die verder de grote Onbekende voor mij blijft, Hem beleef als de grote goddelijke IK, des te heviger verlang ik naar Hem en des te inniger en warmer is in mij het juichende besef dat ik door genade mij één mag weten met Hèm, met Hemzelf. Zijn Naam zij voor eeuwig geprezen! Amen! 

 

O God,

Ik dank U omdat U mij naar U omhoog hebt getrokken. Ik lag verzonken in het moeras van mijn zondige ‘ik’, van mijn zelfzucht, mijn begeerten. Ik kon mezelf daaruit niet omhoog hijsen. Maar U hebt dat gedaan vanuit en door Uw barmhartige Liefde.

Nu mag ik verzonken zijn in U, rusten bij en in U. Nu is er dat opzien naar U in heilig ontzag voor Uw grootheid. En nu is er de teerheid van het kennen van U. En Uw Zoon heeft gezegd dat dit het eeuwige leven is: het liefdevol kennen van U en van Hem, de overgave aan U en aan Hem in een volstrekt geloofsvertrouwen[11].

O Eeuwige, haal het tijdelijke bij mij weg. Geef mij iets van Uw “Ik ben die Ik ben”. Strijk alle gejaagdheid uit mij vandaan.

Here Jezus, U hebt gezegd: “Eer Abraham was, ben Ik”[12]. Geef ook mij iets van dat rusten in het “Ik ben” van U. Neem bij mij weg alle pijn om wat geweest is en alle nerveuze hunkeren naar wat misschien komen zal. Laat mij genieten van dìt moment. Dompel mij in het bad van Uw liefde.

O Oneindige, zie hoe ik ruk aan de hekken van mijn eindigheid. O Onbegrensde, wis de grenzen tussen U en mij uit; niet in de zin dat ik zou ophouden een schepsel te zijn; niet dat zou willen vervloeien in U. Ik zou sidderen, als ik zo’n arrogant verlangen in mij zou zien opkomen. Maar ik smeek U, haal de slagboom op, die U scheidt van mij. En ik ken Uw antwoord: Door Uw Zoon hebben wij de vrije toegang tot U. O mijn God, ik dank U, ik dank U!

 

MAAR... het blijkt dat ik ds. Moerkerken verkeerd heb begrepen. Hij leert wèl de standen in het geestelijk leven. Zie de brief hieronder en mijn antwoord.

 

Ds. Moerkerken over standen geestelijk leven

 

Dag ds. Hegger,

Ik heb uw recensie gelezen over het boek Verbond, prediking en geestelijk leven, en was hier erg blij mee. U was duidelijk positief over het boek, enkele (m.i. terechte) opmerkingen daargelaten.
Ik heb nog een opmerking over uw recensie, als ik zo vrij mag zijn. Het gaat om de volgende zin: “Met ‘standen’ werden bedoeld: ‘gemoedsgesteldheden’, situaties waarin de ziel zich geestelijk kon bevinden. Er is een groot verschil tussen bekommerde, geoefende en bevestigde kinderen des Heeren” (151). Als men dat zo bedoelt, kan ik daar van harte mee instemmen.
Hoewel dit wel op deze manier in het boekje kan staan, heeft ds. Moerkerken daar toch andere gedachten over, als ik zijn artikelen lees die in de Saambinder stonden over dit onderwerp. Al op de eerste pagina schrijft ds. Moerkerken de volgende zinnen: Wat bedoelen we?

We willen eerst omschrijven waar we het over gaan hebben. Wat verstaan wij onder standen in het genadeleven? Het gaat ons niet om de vraag of er opwas, groei in het genadeleven is. Dat zullen velen, die overigens onze prediking (gedeeltelijk) afwijzen, toestemmen. ‘Groeien in je geloof’ is vandaag een algemeen bekende en bij velen geliefde uit drukking. Het gaat ons echter nu om de vraag of er in het leven van Gods kinderen zaken zijn, waar de één nog voor staat en waar de ander achter staat en heilig weet van heeft. Dát is de kwestie! Met andere woorden: zijn er zekere kruispunten aan te wijzen in het geestelijk leven, die eenmalig zijn en ‘onderscheiden weldaden’ aanduiden?"


Ik stuur u hierbij een kopie van deze artikelen. Ze zijn getiteld Over de standen in het genadeleven en zijn verschenen in De Saambinder, februari 2004 - nr. 16, 17, 18, 19, 20 en 21. Veel wijsheid wens ik u toe, en kracht om te blijven schrijven en spreken! Met vriendelijke groeten:  PS. Liever niet mijn naam plaatsen, als u dit in een Rzb publiceert. Wel kunt u mijn naam geven als iemand er uitdrukkelijk om vraagt.

 

Mijn verzuchting: waarom toch bij zovelen die angsten? Welk risico lopen ze wanneer ze hun mond open doen en hun naam noemen? En is dat de bedoeling van de Opperherder Christus dat Zijn schapen moeten sidderen voor de menselijke herders (zie 1 Petr. 5:1-4) die Hij heeft aangesteld?

De ouderen onder ons herinneren zich nog de spanning waaronder wij gebukt gingen vanwege de bedreigingen van de Duitse bezetter. We moesten heel erg op onze woorden passen, anders zou dat concentratiekamp en dood kunnen betekenen. Maar wat was het een enorme blije ontspanning toen we door de geallieerden bevrijd werden!

Lijken sommige kerken niet veel op een dictatoriaal geregeerd land? Ook daar waart de angst als een spook rond. Ook daar wordt de vrije meningsuiting niet toegestaan.

En waar zijn onder hen de verzetsstrijders, de kerkleden die deze aantasting van de vrijheid der kinderen Gods durven aanklagen? Velen willen geen trammelant aan hun hoofd. Het is voor hen genoeg als ze via de prediking op tijd hun geestelijke natje en droogje toegeschoven krijgen. Verder geen gezeur. Dat er in hun kerk aan leden onrecht wordt aangedaan, betreuren ze, maar ze willen er geen hand voor uitsteken om dat onrecht ongedaan te maken of het te voorkomen.

Ook in de oorlog dachten veel Nederlanders: liever blode Jan dan dode Jan. Inderdaad: helden vindt men zelden. Ook kerkelijke klokkenluiders zijn schaars.

 

Zo juist ontving ik echter een e-mail dat mij een beter inzicht gaf in de redenen waarom sommigen niet hun naam durven noemen:

“Geachte dominee Hegger en broeder in Christus,

Hiermee betuig ik mijn volledig instemming met uw actie inzake "de zaak K. v.d. Zwaag". Toen wij uit onze kerk vertrokken,  zouden wij het destijds niet gedurfd hebben om in dergelijke scherpe (doch terechte) bewoordingen te reageren naar de kerkelijke leidslieden. Bang dat je "een oordeel over jezelf zou halen". Gelukkig ben ik daar overheen gegroeid. Het Woord van God heeft het laatste Woord; en de kerkelijke leidslieden van welke kleur dan ook zijn ‘maar’ mensen.” 

HJH: Dat was destijds ook voor mij de grootste moeilijkheid. Ook al was ik in mijn geest volstrekt overtuigd dat ik mijn geliefde R.-k. Kerk moest verlaten, toch bleef mijn gevoelsgeweten mij aanklagen. Ook ik ben daar later overheen gegroeid. Kerkleiders kunnen vanaf onze jeugd ons geweten totaal aan zichzelf binden, zozeer zelfs dat de band met Christus daardoor naar de achtergrond wordt gedrongen of zelfs onmogelijk wordt gemaakt.

 

Onthutst

Ja, dat was ik, toen ik die artikelen van ds. A. Moerkerken las, samen zestien bladzijden A4formaat.

Het is dus toch waar dat hij onder standen iets ander verstaat dan de groei in het geestelijke leven. Hij zegt dat zelf uitdrukkelijk. Jammer is echter dat hij die verschillende standen niet nader uitwerkt. Hij citeert met instemming de standen die Schortinghuis noemt: “kleingelovigen, begenadigden en geoefenden” , maar hij legt niet nader uit wat daarmee bedoeld is. Ook elders blijft hij vaag in zijn beschrijvingen, bijvoorbeeld als hij ze typeert als “zaken waar de één vóór staat en de ander achter.’

 

Opnieuw raakte ik overtuigd van de waarheid van het gevleugelde gezegde: De paap zit in ons aller hart. Daar wordt mee bedoeld: we kunnen ons er maar moeilijk bij neerleggen dat we in het diepste van onze ziel – Paulus noemt dat ‘het vlees’ – zo door en door verzondigd zijn, dat we uit onszelf de Heere nooit, ook niet na de wedergeboorte, iets waardevols kunnen aanbieden, een goed werk waar niets aan hapert, en dat we tot onze dood moeten leven van louter genade.

We hebben allemaal de neiging om toch telkens opnieuw de sluipwegen van de eigen gerechtigheid te gaan bewandelen. We willen, door middel van de sluipwesp van ons bedorven ‘ik’, onszelf toch nog een beetje opkrikken. Enkel als een schooier je handjes en je hart open houden tegenover een volstrekt genadige God is voor ons allemaal heel moeilijk.

 

 

Ik kan er niets aan doen, maar ik zie in het betoog Moerkerken duidelijke ‘paapse’ trekken.

De drie standen in het geestelijk leven deden mij meteen denken aan de erelintjes die de pausen spelden op de borst van gestorven vrome en brave mensen. Dat zijn er ook drie, en dan in opklimmende volgorde: “eerbiedwaardig, zalig, heilig”.

Iemand krijgt de titel ‘eerbiedwaardig’, Latijn: venerabilis,  wanneer bewezen is dat hij “de deugden op heldhaftige wijze beoefend heeft.” Ieder mag hem dan persoonlijk als een voorspreker bij God aanroepen. Als er daarna op voorspraak van hem twee wonderen zijn gebeurd, krijgt hij de titel “zalige, beatus”. Dan mag hij in één of meerdere bisdommen openlijk worden vereerd. Als er daarna opnieuw twee wonderen zijn gebeurd op zijn voorspraak, wordt hij gepromoveerd tot “heilige, sanctus”. Dan mag hij in alle r.-k. kerken worden vereerd. Zie hierover het (r.-k.) Theologisch Woordenboek, III, kolom 4995-6.

Dan mag er een beeld van hem gemaakt worden, dat vervolgens in de bloemetjes wordt gezet en waarvoor kaarsen, grote en kleine, dikke en dunne, worden gebrand. Dan mag hij genieten van de roem omdat hij overal geprezen wordt vanwege zijn heldhaftige deugdbeoefening. Dan mag hij de geur opsnuiven van de bloemetjes en de walm van vele kaarsen.

 

Maar... in de R.-k. Kerk mag iemand pas bedolven worden onder zo’n lintjesregen, nadat hij gestorven is. In sommige protestantse kringen gebeurt dat al, terwijl iemand nog leeft. Dan krijgt hij de eretitel van ‘bekeerde’, ‘geoefende’, ‘(diep) doorgeleide’ en...(?)

Wie is daar tegen bestand, als je met zoveel egards wordt behandeld, als iedereen naar je opziet en z’n oren wijd openzet om elk woord van jou zo goed mogelijk op te vangen, want dan wordt wat je zegt, gezien als een zo goed als onfeilbare uitspraak. Dan ben je een soort orakel van Delphi geworden. Als je jezelf dan vanuit die geestelijke hoogte vergelijkt met de tobbers die daar ginds achter je lopen te kreunen van de inspanning om jou achterna te gaan die “op een heldhaftige manier de deugd aan het beoefenen bent”, moet – zo lijkt mij – vanzelf de ‘bede’ van de Farizeeër in je naar boven komen: “O God, ik dank u dat ik al zo veel verder ben dan die zwoegende stakkers daar ginds beneden mij.”

De hoogmoedige trek om te willen zijn als God hebben we toch immers allemaal via de navelstreng en later via de moedermelk tot ons gedronken? We dragen allemaal de genen van Adam met ons mee.

Als we dat weten, hoe kunnen we dan zo dwaas zijn om die sluimerende zondige oerdrift bij een medemens prikkelen door hem de hemel in te prijzen. Je kunt toch op je vijf vingers uitrekenen dat de geldingsdrang, de hevige begeerte naar roem en glorie, dan in hem gaat gloeien zodat hij opspringt van plezier en alles in zijn binnenste gaat dansen van genoegen?

 

Nee, in Gods Koninkrijk bestaat er geen standsverschil. (Dat zal ook ds. Moerkerken erkennen, maar waarom houdt hij dan toch vast aan een standenverschil?).

Niemand van ons kan het voor Gods aangezicht verder brengen dan de stand en de status van een begenadigde zondaar, die de eeuwige dood had verdiend, maar gratie heeft gekregen op grond van één Voorspreker, Gods Zoon, die als het Lam dat voor ons werd geslacht, onze vervloeking op Zich heeft genomen. Als we dan toch met een Latijnse naam willen pronken, stel ik voor om ons te noemen een ‘peccator gratificatus = een zondaar die gratie heeft gekregen’.

 

Ook in de manier waarop ds. Moerkerken zijn stof bewerkt, tref ik veel roomse trekken aan.

Het handboek voor de theologie van dr. F. Diekamp Theologiae dogmaticae manuale behandelt elke stelling op dezelfde manier. Eerst wordt de stelling geponeerd. Daarna wordt die stelling eerst bewezen ex autoritate = vanuit het kerkelijke leergezag. Daarna vanuit de fontes revelationis = de bronnen van de overlevering: heel kort de Schrift en verder uitgebreid de traditie = de vroege kerkvaders en de grote theologen, vooral Thomas van Aquino. Tenslotte wordt de stelling gestaafd met argumenten uit de rede.

We zagen dat Moerkerken meteen op de eerste bladzijde hoewel in een vraagvorm, maar overigens met alle beslistheid zijn stelling poneert: Er is groeien in het geloof, maar daarnaast “zijn er in het leven van Gods kinderen zaken, waar de één nog voor staat en waar de ander achter staat en heilig weet van heeft. Er zijn zekere kruispunten aan te wijzen in het geestelijk leven, die eenmalig zijn en ‘onderscheiden weldaden’ aanduiden?"

 

De bewijsvoering van Moerkerken bestaat, net als in de r.-k. dogmatiek, voor verreweg het grootste gedeelte uit citaten van de grote, vanzelfsprekend protestantse theologen, dus uit de traditie. Mijn vraag: maar hoe kan hij dan nog concurreren met de veel oudere r.-k. traditie? De protestantse traditie begon pas in 1517. En waar blijft het Sola Scriptura van de Reformatie?

Zijn argumenten uit de Schrift zijn, opnieuw: zoals in r.-k. theologische handboeken,  heel erg pover. Hij citeert Ralph Venning  die voor het bestaan van de standen drie Schriftplaatsen aangeeft: 1 Kor. 3:1,2; Hebr. 5:12,13 en 1 Joh. 2:12-14 “waar de apostel zich richt tot de kinderkens, de vaders en de jongelingen.”

Maar Moerkerken voelt zelf ook dat je, als je die concrete teksten als enige basis voor je bewijsvoering gaat nemen, je dan je toevlucht moet nemen tot je reinste inlegkunde. “Ik ben er persoonlijk van overtuigd dat het spreken van standen in het genadeleven niet behoeft terug te worden gevoerd op een enkele plaats uit de Schrift, waarvan de exegese soms ook nog in en bepaalde richting zou moeten worden omgebogen om het ‘gewenste’ resultaat te verkrijgen.” Hij vlucht vervolgens in de bewering “dat er zekere consistente lijnen (die het bestaan van de standen bewijzen. HJH) lopen door de gehele Schrift.” Hij geeft dan twee voorbeelden, die volgens mij geen hout snijden. Maar ik kan daar niet op ingaan, want dan zou dit artikel te lang worden.

Daarna weidt hij uit over theologische onderwerpen zoals: voorwerpelijk – onderwerpelijk, heilsgeschiedenis en heilsorde, de volgorde van de heilsfeiten, allegorie en allegorese, analogie en typologie. Wat dat allemaal met het onderwerp te maken heeft is mij niet duidelijk. En waarom moeten deze zware theologische bakstenen gestopt worden in de geestelijke maag van de eenvoudigen?

Op de laatste bladzijde proclameert hij: “De standen in het genadeleven maken wel degelijk  wezenlijk deel uit van onze boodschap. Een verkondiging waarin het element van de standen gaat ontbreken, zal tot gevolg hebben dat Gods kinderen bezittende mensen worden. Zij horen dan immers zo weinig meer wat zij missen. Dit alles legt een grote verantwoordelijkheid op de schouders van een predikant.”

 

Collega’s-predikanten, het zij u aangezegd: wanneer u in uw preken niet spreekt over de standen in het geestelijke leven, ontbreekt daar een “wezenlijk element” in.

De stelligheid waarmee collega Moerkerken dit proclameert, deed mij denken aan het volgende. Pius IX proclameerde op acht december 1854 in zijn encycliek Ineffabilis Deus, het dogma van de onbevlekte ontvangenis met deze woorden: “Declaramus, pronuntiamus et definimus... = Wij verklaren, Wij spreken uit en Wij stellen vast...” (volgt het dogma).  Hij eindigde aldus: Quapropter si qui secus ac a Nobis definitum est, praesumpserit corde sentire... = Daarom als er zijn die de presumptie voeren dat ze in hun hart gevoelen – wat God verhoede – anders dan wat Wij als dogma hebben afgekondigd, moet het hun ter kennis worden gebracht en moeten zij vervolgens weten (ii noverint ac porro sciant), dat zij door hun eigen oordeel veroordeeld zijn, dat hun geloof schipbreuk heeft geleden en dat ze afgevallen zijn uit de eenheid van de Kerk, en verder door het feit zelf  (facto ipso) liggen onder de straffen die door het recht zijn vastgelegd, als zij het aandurven om wat ze met hun hart menen, met woorden of in geschrifte of op een andere manier openbaar maken.” (De stijl is erg plechtstatig en ingewikkeld, blijkbaar om indruk te maken en schrik aan te jagen).

Een vraag: als je de beslistheid opmerkt waarmee ds. Moerkerken zijn leer verkondigt, lijkt het er dan niet veel op dat paus Moerkerken aan het woord is?

                                                           ***

 

LIEGEN EN VERDRAAIEN

                       ... mag dat als het gebeurt in de naam van Christus?

Iemand heeft een eigen website waarin hij zich specialiseert in het verdraaien van de overtuiging van andere christenen, die hij allemaal beschuldigt van New Agedenken. (Een lezer stuurde mij de tekst). Hij zit als een spin in zijn web(site) en loert op wie hij ziet als    insect(ariërs) om ze te vangen in zijn kleverige draden en ze lekker op te peuzelen.

Hij wijdt een hele paragraaf aan Henri Nouwen die hij door middel van zijn verdachtmaking probeert de grond in te boren. Daarna vervolgt hij:

“De sfeer in de neo-evangelische beweging is inmiddels ook anti-dogma, anti-theologie, anti-leer en anti-verstand. De traditionele evangelische en orthodox reformatorische gelovigen worden beschuldigd van rationalisme, scholastiek, sciëntisme, dode orthodoxie, etc. W.J. Ouweneel heeft vanaf het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw voortdurend deze gevaarlijke beschuldigingen uitgedragen. Jaar na jaar heeft hij telkens weer aan een nieuwe lichting studenten op de Evangelische Hogeschool deze dwaling onderwezen. In het buitenland is door anderen hetzelfde gedaan.

Het relativeren van het dogma leidt tot het zoeken en vinden van eenheid in de ervaring. Dat is de kern van de oecumene van het hart. Het is in feite de 'oecumene van de beleving', de oecumene van de godservaring. Jij ervaart Christus, ik ervaar Christus, dat is waar het om gaat. Hoe je denkt over b.v. de verlossingsleer is niet van echt belang.

Of, zoals ds. H.J. Hegger het, na zijn omslag naar het mystieke denken, formuleerde: We ontmoeten elkaar als protestanten en rooms-katholieken in de levende Christus. Hij gaat er dus blijkbaar vanuit dat rooms-katholieken, die in het onbijbelse evangelie van hun eigen kerk geloven, toch een band hebben met de levende Christus.

De oecumene van het hart sluit naadloos aan bij het New Age streven naar eenheid op basis van ervaring. Ten diepste zijn we allemaal één, we hebben allemaal onze ervaring met 'christus', welke verlossingsweg je gelooft doet er in wezen niet toe.”

 

Kort commentaar:

  1. Degenen die de geschriften van Henri Nouwen, Willem Ouweneel en van mij kennen, weten dat dit de reinste leugen is. Maar blijkbaar meent de schrijver dat het doel alle middelen heiligt om wat hij als de orthodoxe leer ziet, te verspreiden. Ik wil beslist niet zijn naam noemen want leugenaars zoeken juist de publiciteit.
  2. Zodra je een beetje uitbundig schrijft over Christus als de enige Zaligmaker van verloren zondaars die de eeuwige dood hebben verdiend, word je door dergelijke ketterjagers in de hoek gezet van de valse mystiek.
  3. Natuurlijk wil ik niet over hun hart oordelen, maar ik kan niet aan de indruk ontkomen dat dergelijke theologische terroristen misschien veel leerstellingen OVER Christus weten, maar Hemzelf niet kennen. Daarom kunnen ze het verschil niet zien tussen iemand die juicht omdat ‘Christus door het geloof in hem woont’ (Ef. 3:17), en iemand die zwemt in het oeverloze water van allerlei buitenbijbelse religieuze ervaringen.

                                                           ***

DE SYNODE OVER BROEDER KLAAS VAN DER ZWAAG

Daar zult u wel benieuwd naar zijn. Daarom laten we hieronder het verslag volgen van het Nederlands Dagblad.

 

KAMPEN - De Gereformeerde Gemeenten hebben dr. Klaas van der Zwaag opnieuw veroordeeld. De particuliere (regionale) synode Oost stelde gisteren dat de auteur terecht onder censuur staat. Van der Zwaag beraadt zich op zijn positie.

 

Van der Zwaag publiceerde in september 2003 het boek Afwachten of verwachten? Daarin gaat hij in op de vraag hoe een mens zeker weet dat Gods belofte ook voor hem is en op welke manier hij die zich eigen mag maken.

De Gereformeerde Gemeenten interpreteren zijn vuistdikke boek als bezwaarschrift tegen de leer van het kerkverband. Van der Zwaag stelt namelijk dat God ruimer 'nodigt' tot het heil dan in bepaalde reformatorische kerken - zoals de Gereformeerde Gemeenten - wordt gepredikt.

Van der Zwaag spreekt van ,,een historisch besluit'' van de particuliere synode. ,,Het is voor het eerst in de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten dat een belijdend lid wordt gedwongen de leer van de Gereformeerde Gemeenten te onderschrijven buiten de Drie Formulieren (belijdenisgeschriften, red.) om, en dat weigering daarvan censuur, dat wil zeggen tucht inhoudt.''

Volgens de particuliere synode - het op een na hoogste kerkelijke orgaan - heeft Van der Zwaag het kerkelijk gezag miskend en daarmee het vijfde gebod (eerbied voor het gezag) overtreden. De synode stelde dat hij de kerkelijke weg had moeten bewandelen.

De synodeleden namen daarmee het rapport over van een commissie die de particuliere synode Oost een halfjaar geleden had ingesteld. Van der Zwaag was bij dit kerkelijk orgaan in beroep gegaan. Vanwege de verschijning van Afwachten of verwachten? hield de kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente van Barneveld - waarvan Van der Zwaag lid is - hem in december 2003 af van het avondmaal.

Deze ordemaatregel was in eerste instantie genomen in verband met de onrust en deining rond zijn boek. In april 2004 volgde stille censuur (zonder afkondiging in de kerkdienst) vanwege overtreding van het vijfde en negende gebod (geen vals getuigenis spreken).

In februari 2005 ging Van der Zwaag bij de classis Barneveld in beroep tegen de censuur, maar die verklaarde zijn appèlschrift ongegrond. Daarop ging hij naar de particuliere synode.

De commissie van de particuliere synode, bestaande uit ds. A. Schot (voorzitter), ds. C.J. Meeuse, ds. J.J. Tanis, ouderling mr.dr. J.T. van den Berg en ouderling K.H. de Heer, stelde in een rapport dat Van der Zwaag de plichten van zijn lidmaatschap heeft geschonden en het ambtelijk gezag heeft miskend. Hij heeft de publiciteit gezocht door buiten zijn eigen kerk om de zaken bespreekbaar te maken. Dat is in strijd met de door hem afgelegde belijdenis, aldus het rapport.

De commissie stelde dat de kerkelijke vergaderingen zich niet geroepen hoeven te voelen aandacht aan de inhoud van het boek te besteden, zolang Van der Zwaag blijft op ,,de door hem gekozen onkerkelijke weg''.

De synode nam ook over dat Van der Zwaag - in het dagelijks leven kerknieuwsjournalist bij het Reformatorisch Dagblad - het negende gebod heeft overtreden omdat hij ,,onrust en tweedracht'' in de Gereformeerde Gemeenten heeft veroorzaakt.

Ook handelt Van der Zwaag in strijd met zijn belijdenis en de tweede doopvraag, waarin staat dat wat ,,door de christelijke kerk 'alhier' geleerd wordt, de waarachtige en volkomen leer der zaligheid is''.

Synodevoorzitter ds. C.J. Meeuse wilde het besluit van de synode gisteren niet nader uiteenzetten.

Van der Zwaag wilde alleen kwijt dat de gesprekken met de commissie van de classis Barneveld en van de particuliere synode het afgelopen jaar ,,bijna uitsluitend zaken betroffen die betrekking hebben op het kerkelijk en theologisch eigene van de Gereformeerde Gemeenten. Zij lezen niet de naam van een wetenschapper of journalist op de omslag van het boek, maar van een belijdend lid van de Gereformeerde Gemeenten.'' Dat betekent dat de auteur in al zijn uitspraken moet staan in de lijn van het kerkverband.

Van der Zwaag neemt nog geen besluit, of hij in beroep gaat, of de kerkelijke procedure opgeeft en het kerkverband verlaat.

Hij vraagt zich wel af of de lange weg naar een generale synode zin heeft, afgezien van een voorspelbare uitkomst. ,,Wellicht is de komende Kerst een goede gelegenheid om in alle rust conclusies te trekken, ook als gezin.''  

                                                           ***

 

SLECHTS ÉÉN NEGATIEVE REACTIE

Op de drie extrarondzendbrieven over de kwestie Dr. Klaas van der Zwaag heb ik heel veel positieve reacties ontvangen, met slechts één uitzondering. Hij vond dat ik de kerkenraad van Barneveld mijn excuses moest aanbieden voor de felle bewoordingen die ik in mijn brieven had gebezigd. Hij vermaande mij om het voorbeeld van de nederige en zachtmoedige Jezus te na volgen.

Ik heb hem erop gewezen dat Jezus als Profeet heel hevig kon fulmineren tegen de godsdienstige leiders die de mensen bang maakten om hen ertoe te bewegen hen als (kerkelijke) leiders te volgen en zich te krommen onder het juk van hun uitgekookte minutieuze toevoegingen aan het Woord van God. Lees Mat. 23. Daar noemde Hij hen witgepleisterde graven. Lees ook Joh. 8 waar Hij hen typeerde als duivelskinderen. Jezus heeft daar nooit iets van terggenomen, ook al zei Hij: “De Schriftgeleerden en de Farizeeën hebben zich gezet op de stoel van Mozes” (Mat. 23:1).

Deze e-mailer voerde als argument aan: “Wie u aanraakt, raakt mijn oogappel aan” (Zach. 2:8). Mijn vraag: waar staat in de Bijbel dat de kerkenraad de oogappel des Heren is, en dat de ‘gewone’ kerkleden dat niet zijn? De Here heeft het in dat vers over Zijn uitverkoren volk Israël. Moeten we een kerkenraad zien als een/het uitverkoren volk van God?

Als motief waarom je geen kritiek mag hebben op de kerkenraad, wordt nog al eens gegeven: “Wie slaat ongestraft zijn hand aan de gezalfde des HEREN?” (1 Sam. 26:9). Dit is je reinste klerikalisme.

Ik waande mij terug in de R.-k. Kerk, toen een protestant mij dat voor de voeten gooide. Want mijn handen werden bij mijn priesterwijding letterlijk gezalfd, iets dat gelukkig (nog) niet bij de bevestiging van dominees is ingevoerd. Na afloop van de plechtigheid kwamen de kerkbezoekers, onder hen ook mijn ouders, voor mij neerknielen en kusten mijn gezalfde handen.

 

Bovendien gaat het in 1 Sam. 26:9 over koning Saul. Moeten we de kerkelijke ambtsdragers van Barneveld dus ook als koningen, en de leden van de synode als keizers of zelfs als pausen, eerbiedigen en huldigen? Wat doen ze dan met Mat. 23:8? “Eén is uw Meester en gij zijt allen broeders.” En met 1 Joh. 2:20-25? Daar zegt Johannes dat alle gelovigen op eenzelfde manier deel hebben aan de zalving van Christus. Dat wordt ook uitdrukkelijk geleerd in Zondag 16 van de Heidelbergse Catechismus.

Volgens het verslag in het ND heeft Van der Zwaag laten doorschemeren dat hij geen heil ziet in een beroep op de generale synode vanwege “een voorspelbare uitkomst”. Inderdaad, wat dat betreft verschilt de kerk niet van de wereld. Ook de kerk doet dapper mee met wat men wel noemt “de Haagse politiek”: De hoge heren houden elkaar de hand boven het hoofd.

 

Het is vreselijk wat de kerkelijke potentaten in Barneveld gedaan hebben, en wat later bewust is goedgekeurd door classis en synode.

Ze hebben het Avondmaal, de tekenen en zegelen van Gods uiterst barmhartige liefde voor zondaars die Hij eigenlijk had moeten verwerpen naar de volstrekte en eeuwige duisternis, misbruikt als machtsmiddel om zichzelf te doen gelden. Ze hebben een kind van God het voedsel van het levende Brood onthouden.

Welke vader kan er rustig onder blijven, wanneer anderen een kind van hem wegsleuren van de tafel waar het zijn honger wil stillen? Hoe groot moet dan wel niet de toorn van de hemelse Vader niet zijn over hen die met geestelijk geweld één van Zijn kinderen verhindert om tot Christus te komen en door Hem verzadigd te worden? Jezus zegt van de bedrijvers van deze ongerechtigheid: “Het zou beter voor hem zijn dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee” (Mat. 18:6).

 

Weten ze niet dat reeds het bloed van een mens tot de hemel om wraak kan roepen (Gen. 4:10). Hoeveel te meer zal het dierbare Bloed van Gods Zoon tot de hemel roepen om wraak over hen die dat Bloed, zelfs onder aanroeping van de Naam van de Vader in de hemelen, hebben aangewend voor de bevrediging van een macht die ze zichzelf hebben toegekend en waarvoor ze zich op geen enkele wijze op het Woord van God kunnen beroepen? “Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het bloed des verbonds waardoor hij geheiligd was, onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft. Want wij weten wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden! En wederom: de Here zal Zijn volk oordelen. Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God” (Hebr. 10:29-31).

                                                           ***

 

GEEN FEESTREDE, MAAR EEN GRAFREDE

Op zaterdag 26 november vierde In de Rechte Straat haar 45-jaar bestaan. Als oprichter van deze stichting die er bovendien 32 jaar de predikantdirecteur van ben geweest, was mij gevraagd om gedurende een kwartier te spreken over “een impressie van het werk in de Wartburg”. Maar op zaterdag in de vroege morgen – ik keek op mijn wekker: het was kwart over twee – was het alsof de Here zei: “Herman, je moet niet dáárover spreken, maar je moet deze bloedernstige boodschap van Mij doorgeven:

het protestantisme van Nederland is de weg opgegaan van Rome. Ze hebben de drie sola’s opgegeven: alleen de Schrift, alleen genade, alleen geloof. Het is bij hen geworden: de Schrift plus hun protestantse tradities; de genade plus het goede werk van een degelijke voorbereiding door een liefst zo diep moegelijk zondebesef: ‘Er moet heel wat staan te gebeuren, voordat je heel misschien mag weten dat je door God in genade bent aangenomen.’; het geloof plus het vertrouwen in de eigen kerkelijke organisatie.

En het ergste: ze hebben het Solo Christo, het ‘Alleen Christus’, vervangen of althans afgezwakt door het vertrouwen in allerlei ingewikkelde leerstellingen OVER Christus. Ze verkondigen  wel iets OVER Mij, maar ze kennen Mijzelf en Mijn  Gezalfde niet. Ze hebben niet of nauwelijks een persoonlijk geloofsrelatie en een verborgen omgang met Christus zelf. Ze hebben wel alle vertrouwen in zichzelf, maar daarom  gaat er geen uitstraling en geen werfkracht meer van hen uit naar de wereld die in grote nood verkeert.

 

Ik had er de grootste moeite mee om de Here te gehoorzamen. Ik zei het Hem heel eerlijk: “Here, ze verwachten van mij een feestrede, maar als ik uw boodschap doorgeef, wordt het een grafrede.” Maar als ik eraan dacht mij toch maar aan het opgegeven onderwerp (dat ook op het programma was afgedrukt) te houden, voelde ik in mij het akelige verwijt: ‘Je bent ontrouw aan je Here en Meester.’ Dan werd het bitter in mijn mond.

Desondanks bleef het een worsteling. Ik zag er heel erg tegen op en zei tegen de Here: “Ik voel helemaal geen kracht in mij om U te gehoorzamen.” Maar tegen de morgen – het was ongeveer zeven uur – stroomde er ineens een sterk vertrouwen in de Here als een zoete warmte mijn ziel binnen. Het was alsof Hij tegen me zei: “Herman, wees niet bang; Ik zal met je zijn.” Toen werd ik rustig en wist ik: “In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad” (Rom. 8:37).

 

En inderdaad, mijn toespraak werd met alle welwillendheid aangehoord. Dat kwam misschien ook omdat ik hen aan het slot de belofte van 2 Kron. 7:14 meegaf en tegen hen zei: “Dit is wel een grafrede geworden, maar Paulus verzekert ons ervan dat wij, als wij sterven aan ons zondige eigengereide ‘ik’ en ons laten begraven met Christus, ook met Hem mogen opstaan tot het nieuwe leven in Hem (Rom. 6:4). Dan wil de Here ons gebruiken voor een opwekking in Nederland.”

Twee predikanten zeiden na afloop uitdrukkelijk tegen mij dat ze het er helemaal mee eens waren. Dat deed mij erg goed. Ik dacht aan Hand. 28:15 waar de broeders uit Rome Paulus tegemoet waren gekomen. “En toen Paulus hen zag, dankte hij God en greep moed.”

In de komende rondzendbrieven hoop ik geregeld aandacht te schenken aan de sola’s van de Reformatie.

                                               ***

 

DS. L. HUISMAN

“Wij hebben ons geestelijk leven moedwillig verschraald. Ik zeg dat niet uit de hoogte of uit hardheid. Sommigen verwijten mij dat. Maar God weet dat ik onze Gereformeerde Gemeenten waarin ik van jongs af aan geleefd heb, van harte liefheb. Maar ik ben door de genade van God gaan zien wat er in onze gemeenten verkeerd is gegaan. Er is bij ons machtig veel verkeerd gegaan.

Gode zij dank, er is bij ons een levende schaar van mensen die God liefhebben, maar het kon zo oneindig veel beter.

Het doen van geloofsbelijdenis is bij ons een ritueel geworden. Maar je belijdt pas echt je geloof, als je buiten op straat tegen mensen die kermen en klagen en de weg niet weten, durft te zeggen: ‘Ik ben een gelovige. Ik ben door Gods genade een kind van God. Ik geloof met mijn ganse hart dat Jezus ook voor mij gestorven is.’

En natuurlijk, als u zo iets hoort, begint u weer meteen met al uw och’s en uw maar’s. Daar zijn we gewoon aan geraakt” (Geen ander Evangelie, deel 2, p. 111).

                                                           ***

 

DE STAND VAN HET AANTAL ABONNEES

We hebben momenteel 878 abonnees. Prachtig! Maar we willen graag: met rasse scheden naar de duizend leden. Werf nieuwe leden en geef ze door aan info@eenheid.org.

 

 


 

[1] In Mystiek en bevinding, 1976.

[2] Rom. 8:15,16.

[3] Joh. 15:15.

[4] Hebr. 2:11.

[5] Zie de verschillende teksten in de eerste brief van Johannes waar gezegd wordt dat God in ons is, maar ook dat wij blijvend in Hem zijn.

[6] Psalm 97:2. Paulus zegt dat God “een ontoegankelijk licht bewoont” (1 Tim. 6:16).

[7] Gal. 5:6

[8] Rom. 10:10.

[9] Zie Hebr. 4:9 en 1 Kor. 15:28.

[10] 1 Kor. 13:12.

[11] Joh. 17:3.

[12] Joh. 8:58.