De Saambinder, 11 december 2003 t/m 8 januari 2004

 

 

Afval of verval?

(1)

 

Er is een heel dik boek op de markt verschenen: Afwachten of verwachten? Volgens de ondertitel gaat het over ‘de toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief’. De schrijver is dr. K. van der Zwaag, afgestudeerd in de wijsbegeerte en gepromoveerd op een proefschrift over artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Volgens de achterkant studeerde dr. Van der Zwaag ook theologie. Dit is een bijvak geweest (Nederlandse kerkgeschiedenis). Reeds jaren is hij journalist bij het Reformatorisch Dagblad. Van der Zwaag heeft gemeend een boek te moeten laten verschijnen over genoemd onderwerp. Waarom dit boek het daglicht heeft gezien, schrijft hij in de inleiding: ‘Als genade genade is en het geloof een gave Gods, hoe zit het dan met de factor van de menselijke wil? Heft de genade de menselijke verantwoordelijkheid niet op? Als de wil dan door de zonde onvrij geworden is en bevrijd moet worden door de Heilige Geest, in hoeverre blijft de menselijke wil als wil werkzaam en in dienst genomen in dit proces van toe-eigening? Het is deze vraagstelling die we in dit boek uitvoerig aan de orde willen stellen’.

Overigens ontbreekt een duidelijke probleemstelling. Gezien het feit dat de hier genoemde vraag ook op de achterkant van het boek geschreven staat, meen ik er niet verkeerd aan te hebben gedaan juist dit gedeelte eruit te lichten. In deze studie zouden tal van theologen en ‘oude schrijvers’ aan de orde komen. Zij zouden de heenwending naar God beschreven hebben als een geheimvol mysterie, waarin enerzijds de trekkingen van Gods Geest in Zijn soeverein genadewerk geleerd worden, en anderzijds de menselijke overgave een onmisbare rol in het proces van bekering een rol speelt. Beide elementen staan in een spanningsvolle eenheid naast elkaar, zo schrijft Van der Zwaag.

 

De inleiding

Naar deze inleiding moest worden gezocht, omdat er eerst een aantal citaten over poorten werd gegeven, waaronder een van nota bene Kafka, een moderne niet-christelijke schrijver. Waarom werd overigens niet gewezen op het poortje uit de christenreis van Bunyan? Het wonderlijke van de inleiding is dat de vraagstelling en het antwoord erop reeds hier gegeven worden, vóórdat het onderzoek en de resultaten daarvan zijn weergegeven. Er staat namelijk nogal wat in deze zinnen. De bekering zou een proces zijn. Dat is een keuze! Het roept de vraag op of wij spreken over de bekering die volgt op het geloof, of over het punt in de tijd dat Gód een zondaar bekeert, oftewel de bekering in ruimere of in engere zin. Bovendien wordt nu reeds gezegd dat de mens in die bekering een onmisbare rol speelt en dat het werk van God en dat van de mens in een spanningsvolle eenheid naast elkaar staan. Zijn we, als we zo spreken, op gereformeerd grondgebied? Op de Dordtse Synode van 1618 hebben deze vragen ingrijpend, indringend en uitputtend gespeeld. Ons is als kerk van Nederland een antwoord nagelaten in de Dordtse Leerregels. Zouden zij ook zo gesproken hebben? Zou Van der Zwaag dat in het boek kunnen aantonen? Hebben onze reformatoren en Nadere Reformatoren ook in die zin gesproken: God wat en de mens ook wat? We laten de vragen nog even staan.

 

De verdeling

Van der Zwaag behandelt de stof in vijf delen. Het eerste deel tekent de mens in zijn bestaan als zondaar. De mens is zijn geluk en zaligheid kwijtgeraakt en heeft zichzelf gestort in een toestand van ellende en onrust. Terstond komen er weer vragen op: waarom niet de staat van ellende? Mag je zeggen ellende en onrust? We laten het nog even liggen. Het tweede deel beschrijft de genade die in Christus is geopenbaard en aan zondaren wordt verkondigd. Na de minder dan tien bladzijden over de onrustige mens der zonde, komen er meer dan 500 bladzijden over dit tweede gedeelte. Met alle respect moet ik hier toch zeggen, de inhoudsopgave erbij houdend, dat ik geen structuur ontdekken kan en dat het geheel bijzonder rommelig aandoet. Talloze onderwerpen passeren de revue. De schrijver noemt er een paar op en zet erachter: enzovoorts! In het derde deel van ruim driehonderd bladzijden geeft hij een beschrijving van de theologische ontwikkeling van de reformatorische kerken na de Afscheiding. Ook hier spreekt de schrijver over ‘tal van thema’s’ uit het tweede deel die nu in het derde deel aan de orde komen. Wat opvalt in de inhoudsopgave bij dit deel is, dat het hier voornamelijk gaat over de Gereformeerde Gemeenten (in Nederland), en niet over het brede gebied van de reformatorische kerken na de Afscheiding. Het vierde deel wil een analyse bieden van de licht- en schaduwzijden van de bevindelijke traditie (ruim honderd vijftig bladzijden). De slotbeschouwing (deel vijf) is zeer kort: slechts zes pagina’s.

 

Het eerste deel:

de onrustige mens der zonde

De schrijver beschrijft allereerst dat de mens dood ligt in zonden en misdaden en geheel voor God verdoemelijk is. Toch blijft de zonde een vrijwillige daad en is geen noodlot. Hoewel de mens zondigt uit noodzakelijkheid, mag er toch niet gesproken worden in termen van dwang. De erfzonde is te beschouwen als die toestand waarin de mens van nature geboren wordt en waarin elke zondige daad zijn beslag krijgt. Zij wijst de schuld en verdoemenis aan en de zonde als een macht waaraan de mens zelf zijn toestemming geeft door middel van zijn eigen (verkeerde) wil. De mens is ten volle verantwoordelijk voor het kwaad van zijn eigen zondige daad. Van der Zwaag benadrukt dat de mens een vrije wil heeft behouden, ook na de val, in die zin dat hij verantwoordelijk is voor zijn goede en kwade handelingen. Met deze vrije wil kan hij echter niet ontsnappen aan de slavernij van de zonde. Hij kan (slechts in theorie) willen wat goed en recht is, maar toch daadwerkelijk kan hij niets recht en goed willen.

Tot hiertoe kunnen we met Van der Zwaag, in grote lijnen, instemmen. Er komt dan echter een plotselinge wending. De schrijver merkt op: ‘Al deze zaken zijn van belang omdat we, zoals we later zullen zien, ook het geloof moeten beschouwen als een daad van de wil, zij het van de door de Geest levendgemaakte wil. Zoals een mens geen stok en een blok is in het zondigen (Dordtse Leerregels III/IV, 16), zo is hij het ook niet in het geloven. Wanneer we beide zaken niet leren, maken we in de eerste plaats God tot een oorzaak van onze schuld, in de tweede plaats zien we ook niet dat het geloof (mede) een daad van de mens zelf is.’ Beseft Van der Zwaag dat dit alléén waar is voor de levendgemaakte wil? Dat er dan wat gebeurd is in een mensenleven? Laat hij hier het gewicht van Zondag 3 wegen: ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij een mens door de Geest Gods wederom geboren worde? Uit het citaat van B. Wentsel, dat hierop volgt, is te vrezen dat Van der Zwaag voor de onbekeerde mens laat gelden, wat in de Schrift en de Leerregels van Gods levendgemaakte kinderen gezegd wordt. We laten het citaat, dat met instemming wordt aangehaald, volgen: ‘Gods liefde voor de mens, ook voor de zondige mens, is weliswaar zeer groot, maar de mens heeft een eigen verantwoordelijkheid in het al of niet aanvaarden van de liefde Gods. God neemt de mens deze beslissing niet uit handen’. Voor alle duidelijkheid: Wentsel plaatst dit citaat in het licht van de al-verzoening. Het gaat te ver om Wentsel hier recht te doen in het licht van zijn hoofdstuk daarover. Hier gaat het om de wijze waarop Van der Zwaag dit citaat gebruikt. De mens heeft een vrije wil. Dat heeft hij willen benadrukken. En die wil geldt ook het geloven. De mens moet blijkbaar ook wat doen, namelijk Gods liefde aan vaarden.

 

De onrustige mens

Die werkzaamheid die de onwedergeboren mens verrichten moet, blijkt nog duidelijker in de volgende paragraaf over de onrust van de mens. Het geluk is uit het leven verdwenen door de zonde en godverlatenheid. De wil tot geluk is echter niet uit het leven van de mens verdwenen. De mens zoekt dat geluk in de wereld. Dit kan hem als mens met een eeuwige bestemming niet verzadigen. Instinctief hebben we het gevoel het geluk buiten onszelf te moeten zoeken (Pascal, een Frans filosoof uit de 17 eeuw, behorend tot de stroming van het jansenisme in de roomse kerk). Van der Zwaag volgt nu Pascal en enkele citaten van Augustinus om uiteindelijk uit te komen bij de zin dat het toch merkwaardig is dat de mens aanspreekbaar is doordat hij het gevoel van zijn zonde heeft. Dit gevoelen heeft als voordeel dat de mens zijn kwaal beseft. Maar, zo haalt Van der Zwaag een bekende uitdrukking aan: de grootste ellende van de mens is toch dat hij zijn ellende niet beseft? Hierop volgt direct: niets is zo gevaarlijk voor de mens als een gevoelloos voortleven zonder aan zijn ernstige situatie te denken. Kennis van de ellende doet de onrust van de mens beseffen en drijft uit naar het zoeken naar redding. Hier zouden we willen roepen: maar hóe kent de mens zijn ellende? Het gaat toch niet alleen om een besef dat we ellendig zijn? Dat besef heeft iedereen wel eens. Het gaat toch om de kennis der ellende? Dat wordt, naar de Heidelbergse Catechismus toch gekend uit de Wet Gods? Waar is hier het functioneren van Gods Wet in de hand van Gods Geest? Waar is hier het ontdekkende werk? Helaas, we horen het niet. Van der Zwaag gaat te rade bij Pascal, die betoogt dat het verlangen naar geluk in de mens gebleven is en zijn ongelukkig-zijn de mens niet bevredigd. Het is dwaas en onredelijk volgens de schrijver, om God niet te zoeken. Zoeken is ook een plicht, waaraan de mens zich niet onttrekken kan. Juist dat onrustige in de mens is zijn grootheid, want hoe onrustiger de mens is, hoe meer hij beseft de rust die hem ooit ten deel viel. Het is, zo verwijst Van der Zwaag naar Pascal, goed om van het nutteloze zoeken naar het ware goed moe en afgemat te zijn, zodat we onze handen uitstrekken naar de Verlosser. Vervolgens gaat hij zich in de volgende hoofdstukken richten op de vrije genade van Jezus Christus als het enige geneesmiddel tegen de zonde en de onrust van de mens.

 

Enkele conclusies

We hebben wat uitvoerig dit deel weergegeven. Als immers de wortel niet goed is, hoe zal dan de plant zijn? En de wortel is niet goed! Via het breekijzer van de vrije wil, heeft Van der Zwaag met behulp van Pascal een opening in de mens gemaakt, waardoor hij zelf door goed na te denken zijn ellende gaat leren kennen. En als gezegd wordt dat de mens dood is in de zonden en misdaden, functioneert dat niet! Wij zouden Van der Zwaag willen vragen: mogen wij ons bij onze Heidelbergse Catechismus houden? Ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Mogen we het onderwijs van de Catechismus vasthouden, waar deze wijst op het werk van Gods Geest in de wedergeboorte, het ogenblik dat God de mens van dood levend maakt en daardoor kennis krijgt, niet van zijn ellendetoestand en hunkering naar geluk, maar van zijn ellendestaat: ik ben buiten God! Mogen we nog leren dat de Heere Zijn Wet gebruikt om daaraan te ontdekken en om door de Wet plaats te maken voor het geneesmiddel Christus? Wij hebben Pascal niet nodig, maar Gods Geest!

 

Waar is het functioneren van de Wet?

Ik grijp vooruit in het boek. In subparagraaf 2.5 (De vermenging van Wet en Evangelie) komt eenzelfde zaak naar voren. Met instemming volgt Van der Zwaag ds. A. Simons in zijn verzet tegen de ontdekkende werking van de Wet als een (toeleidende) weg tot Christus. Wij moeten leren niets te doen en de toevlucht nemen tot Christus. De Wet kan ons niet zalig maken en daarom moeten we naar het Evangelie. Het is of in Christus zijn of onder de Wet verkeren. En nu is geloven ophouden met werken en Christus ontvangen en omhelzen. Wanneer de Wet voorwaardelijk wordt gebruikt om tot Christus te komen, blijven mensen zien op eigen kenmerken en bevinding en dat is juist het leven onder de Wet. Men komt niet tot de vrijheid van Christus. Met uitdrukkingen die bekend klinken, wordt toch de ontdekkende functie van de Wet uitgeschakeld. Het door de Wet aan de Wet sterven functioneert niet meer. Dat God Zijn eer zoekt in de onderhouding van Zijn Wet komt niet naar voren. Dat de Heere Zijn kinderen leert Zijn eer te zoeken, is buiten het beeld.

 

De toe-eigening des heils.

Ik sluit dit eerste artikel af. In het Doopformulier lezen we het woord toe-eigenen. We zullen de zinsnede letterlijk laten volgen: ‘.. .zo verzekert ons de Heilige Geest door dit Heilig Sacrament dat hij in ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben...’. Onze vaderen hebben het woordje toe-eigenen geheel laten slaan op het werk Gods door Zijn Geest. Daar komt nu werkelijk niets van de mens bij. Het is de Heere, Die Zijn kinderen de weldaden in Christus toerekent! Eenzijdig en soeverein. Paulus schrijft in Efeze 2: ‘En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden... Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden).’ Bij die bijbelse leer voel ik mij veilig, niet bij Pascal of welke filosoof dan ook, die toch nog een peperkorrel in de mens wil leggen! Laten we ons eenvoudig aan onze Catechismus houden: waaruit kent gij uw ellende? Uit de Wet Gods!

 

(wordt vervolgd)

 

(2)

 

Beperkt citeren

De vorige keer hebben we gezien hoe dhr. Van der Zwaag afweek van de eenvoud van onze Heidelbergse Catechismus als het gaat over het kennen van onze ellendestaat. Dit keer willen we ons bezinnen op het tweede deel, waarin het gaat over de verkondiging van vrije genade. Dit is het deel waarin bijzonder veel citaten staan. In de inleiding was gezegd dat we een theologisch en historisch overzicht zouden krijgen door een studie naar tal van theologen en ‘oude schrijvers’ (reformatoren, nadere reformatoren, puriteinen). Oppervlakkig bezien is er echt studie verricht, zoals in de inleiding beloofd. Wanneer echter zorgvuldiger onderaan de bladzijden gekeken wordt (waar de herkomst van de citaten is weergegeven), valt op dat bepaalde ‘oude schrijvers’ veel worden geciteerd, en andere juist (bijna) in het geheel niet. De ‘top’ in het citeren zijn Boston, de Erskines, Owen, Spurgeon, Brakel, Comrie. In dit rijtje spannen de Erskines de kroon. Een enkele keer komen Hellenbroek en Smytegelt voor (van beide is twee keer een citaat gegeven). Anderen worden node gemist, bijvoorbeeld P. van Mastrigt, die in een dogmatiek uit de 18e eeuw vrijwel alle onderwerpen die in dit boek behandeld worden, ordelijk en dogmatisch op een rij heeft gezet. Waar zijn Beukelman, Petrus van der Hagen, Tuinman...? Op zich is het natuurlijk niet erg om je te richten op de Engelstalige wereld, maar zég dat dan. Nu wordt de gedachte gewekt dat we een theologisch overzicht krijgen over het ‘geheel’ van reformatie en nadere reformatie. Dit blijkt echter niet het geval te zijn! De auteur heeft slechts een klein en beperkt deel als bron genomen. Wat je dan zou verwachten is een verantwoording van deze keuze. Ieder wetenschappelijk werk geeft een verantwoording voor de gevolgde methode. Maar die ontbreekt helaas.

 

Selectief citeren

Wanneer we letten op wat wél geciteerd is, valt op dat er heel beperkt gebruik is gemaakt van beschikbare bronnen. Een van de opvallende zaken is bijvoorbeeld dat slechts één boekje van Durham is gebruikt. Van Owen is bijna alleen het in het Nederlands vertaalde boek Bij U is vergeving aangehaald. Hier en daar worden ook enkele plaatsen aangehaald uit het enorme werk dat Owen heeft achtergelaten. Achter in het boek van Van der Zwaag staan verschillende verwijzingen naar de Erskines. Verwezen wordt naar onder andere de bekende 16 delen, waarvan het aantal inmiddels reeds groter is, van al hun werken, in het Nederlands vertaald. In werkelijkheid is er een flinke selectie gemaakt uit de preken en binnen die preken/verhandelingen (die soms tientallen pagina’s lang zijn) is hier en daar een greep gedaan. Ik heb alle citaten die uit deze delen zijn genomen op een rij gezet en nagekeken en kan tot geen andere conclusie komen dan deze zeer selectief zijn gekozen. Daarbij komt dat, wanneer bijvoorbeeld 40 keer uit eenzelfde preek uit deel 3 van de gebruikte 16 delen wordt geciteerd, deze citaten niet ordelijk op een rij staan, maar verstrooid door het boek voorkomen. Soms zit de schrijver in het begin van de preek, dan aan het eind, dan weer middenin enzovoorts. En opnieuw:

zonder enige verantwoording waarom nu juist deze stukjes uit heel lange preken zijn genomen. Deze wijze van gebruik van oudvaders is uitermate selectief, wanneer het citaat iets anders weergeeft dan door de oudvaders in zijn verband zelf bedoeld! Ik wil dit duidelijk maken met een enkel voorbeeld van onzorgvuldig citeren.

 

Onzorgvuldig citeren

Th. Avinck

Th. Avinck heeft een aantal verhandelingen geschreven over enkele schriftuurplaatsen. Eén keer wordt uit de tweede verhandeling geciteerd die gaat over de tekst: “En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader” (Joh. 6:65). In deze preek benadrukt Avinck het soevereine eenzijdige Godswerk. Hij schrijft dat de zondaar dodelijk onmachtig is en daarom niet komen kan. Hij is boos vijandig, en daarom wil hij niet komen, hoe ernstig en welmenend hij ook geroepen wordt. Even verder schrijft Avinck dat vóór de val Adam het vermogen had om te geloven. Hij kon alle waarheid die hem door God voorgesteld werd omhelzen. Hij was bekwaam om die aan te nemen, maar na de val heeft hij dat vermogen verloren. De mens is geheel onmachtig om te kunnen geloven. Christus schrijft het tot Hem komen van de zondaar aan de Vader toe. Het geschiedt wanneer de Heere, in en door de inwendige roeping, de zondaar van dood levend maakt, en hem de hebbelijkheid des geloofs instort, waardoor hij wederom een vermogen ontvangt om te kunnen geloven. Tot zover Th. Avinck. Dit vinden we niet terug bij Van der Zwaag. In plaats daarvan heeft hij uit deze preek aangehaald: De Goddelijke beloften zijn uiterlijke verklaringen of bekendmakingen van Gods wil en geneigdheid tot ellendige en behoeftige zondaren om hun het goede, hetwelk hun in het Evangelie, ter geloofsomhelzing wordt voorgesteld, te geven. Is dit nog eerlijk? Verder krijgt de gehele preek geen aandacht! Is dit zorgvuldig? Zijn dit accenten zoals Avinck die bedoelt?

 

Justus Vermeer

In het tweede deel komt ook één keer Justus Vermeer voor en wel met een citaat uit de preek over de 7 zondag van de Heidelbergse Catechismus. Van der Zwaag citeert, na gezegd te hebben dat het geloof niet meer is dan het antwoord op het aanbod van genade: “Dit is de wezenlijkste daad des geloofs, namelijk: God biedt Zijn Zoon en Christus biedt Zichzelf in al Zijn gepaste volheden en heerlijkheden aan een zeer ellendige, vuile, zondige en verloren ziel in zichzelf aan, en dat enkel uit vrije genade om niet.” Zegt Vermeer nu dat het geloof niet meer is dan een antwoord op het aanbod van genade? Men leze heel de preek! Vermeer heeft gewezen op het verschil in geloof (historisch-, wonder-, tijd- en waar geloof). Hij heeft gewezen op het oprecht geloof van Gods kinderen, de uitverkorenen. En dat geschonken geloof kent verschillende oefeningen, onder meer de geciteerde. Wat Vermeer hier dus zegt, geldt Gods kinderen. Wat de auteur doet, en niet alleen hier, is datgene wat oude schrijvers met het oog op Gods kinderen schrijven, verbreden tot alle hoorders. Hier is niet alleen een citaat uit zijn verband gehaald, maar wordt de kostelijke preek van Vermeer gebruikt voor de ideeën van Van der Zwaag.

 

Boston en Brakel

Hetzelfde gebeurt met Boston en Brakel. Boston wordt bijvoorbeeld vanuit zijn verhandeling over het Verbond der genade wel geciteerd als het gaat over de prediking van het Evangelie. Dat Boston slechts drie pagina’s eerder ook spreekt over het geloof van de Wet dat noodzakelijk vooraf moet gaan, wordt verzwegen. Brakel wordt uitzonderlijk selectief geciteerd als het gaat over de roeping. Als men het gehele hoofdstuk XXX leest uit de Redelijke Godsdienst, komt men tot geheel andere conclusies dan Van der Zwaag. Heeft de auteur ook de vijfde paragraaf gelezen, waar Brakel schrijft dat zowel de uitwendige als de inwendige roeping door het Woord komen en tot mensen die in natuur gelijk zijn, maar dat het onderscheid is dat de een alleen uitwendig het Woord hoort door de algemene werking van de Heilige Geest en dat het bij de ander doordringt tot het hart door krachtdadige bestraling met het wonderbaar licht? Dat juist de remonstranten en vrije wil drijvers, nog steeds volgens Brakel, één roeping leren, waarbij het aan de mens is om die te verwerpen of aan te nemen? Het is Brakel die schrijft dat God allen en een ieder roept die onder het Evangelie leven. Brakel schrijft ook dat de roeping eerst en voornamelijk geschiedt om de uitverkorenen te vergaderen. Omdat de uitverkorenen onder de andere mensen vermengd zijn, geschiedt de roeping algemeen. Neemt de mens het niet aan, wat hij, heilig in Adam geschapen, had kunnen doen, is dat eigen schuld. De Heere heeft ook als doel om hen te overtuigen van zijn boosheid dat hij op zulke vriendelijke nodiging niet wil komen en van de rechtvaardigheid Gods om zulke verstoters van de aangeboden zaligheid te straffen. God beoogt echter niet hun Zijn Heilige Geest te geven en alzo zalig te maken. Dat zou strijden met Gods alwetendheid en Zijn eeuwige verkiezing. God kan ook in Zijn bedoeling niet bedrogen worden. We luisteren nog steeds naar Brakel: hiertegen verzetten zij zich die menen dat de mens krachten genoeg heeft om op het aankondigen van het Evangelie zich te bekeren en in Christus te geloven, zodat er niet meer nodig is dan dat het Evangelie maar gepredikt wordt. Deze willen dat God met het laten prediken van het Evangelie beoogt, en voorheeft allen zalig te maken, en zo zij niet allen komen en geloven, dit tegen het oogmerk Gods is, en God niet verkrijgt wat Hij beoogde. Tot zover Brakel. Waarom klinkt dit geluid ook niet door? Dit is tenslotte óók Brakel! Was er in dit dikke citatenboek geen plaats voor? We laten het bij deze voorbeelden; ze zouden met vele aan te vullen zijn. Ook met betrekking tot de wijze waarop Van der Zwaag met de Erskines omgaat, die ik overigens ook graag lees en van harte liefheb. Zoals reeds gezegd, kan de indruk niet worden weggenomen dat Van der Zwaag steeds toewerkt naar een reeds vaststaande conclusie. Zo’n methode is toch niet verantwoord?

 

Schriftplaatsen

Ook het naar eigen hand zetten van de spaarzamelijk geciteerde Schriftplaatsen past in deze opzet. Ik noem twee voorbeelden. Op verschillende plaatsen betoogt Van der Zwaag dat Johannes 3:16 het oog heeft op heel de wereld (kosmos). Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat het door verschillende schrijvers zo wordt uitgelegd. Maar in een theologisch overzicht mag toch ook niet het ándere geluid ontbreken, waar het woordje ‘wereld’ wordt toegepast op de ‘wereld der uitverkorenen’? Ook op de bekende synode van Dordt 1618-19 is hier over gesproken. Overigens ontbreekt deze synode in dit boek (vrijwel) geheel. En dat terwijl deze synode juist vergaderde over het onderwerp waar dit boek over gaat en vele antwoorden al gegeven zijn die hier ter discussie worden gesteld. In de Acta van deze synode is te lezen hoe onze vaderen gesproken hebben over het woordje ‘wereld’. In de 99e zitting was er zelfs een uitvoerige brief van Pareus voorgelezen, die duidelijk uitlegt waarom dit woordje wereld door de remonstranten onterecht op heel de kosmos is toegepast. In Dordt is op grond van een goede exegese gesteld: het is de wereld der uitverkorenen. Men leze zijn argumentatie

zelf na. Ook een modern woorden boek op het Nieuwe Testament als van Bauer-Aland zegt: de mensheid voor zover het de gelovigen, de kern en het waardevolle deel der mensheid is. In een wetenschappelijke studie had dit toch genoemd moeten worden en kan het toch niet wat badinerend worden afgedaan zonder enige argumentatie of afweging?

Nog duidelijker wordt dit wanneer Van der Zwaag een ‘exegese’ wil geven van het woordje ‘allen’ in bijvoorbeeld 1 Timotheüs 2:4: “Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen”. De auteur zegt: “De uitdrukking “pantas antropous” (alle mensen) is onmogelijk alleen te beperken tot “alle soorten van mensen”, zoals wel eens gedaan wordt, hoewel deze betekenis er ook in zit”. Even verder klinkt de conclusie: “God wil dat iedereen het Evangelie hoort, gered wordt en tot de kennis van zaligheid komt.”

 

De kanttekenaren

De kanttekenaren zeggen bij deze tekst: “Dit woord alle wordt hier ook genomen voor allerlei, gelijk blijkt uit het voorgaande, vs. 2, waarvan dit vers een reden geeft: alsook uit het woord wil, want zo God wil dat alle mensen zalig worden, zo zullen ook allen zalig worden, dewijl God doet al wat Hij wil, Ps. 115:3; Rom. 9:19, Ef. 1:11. En hetzelve wordt ook bewezen uit hetgeen de apostel daarbij voegt, dat God wil dat zij allen tot de kennis der waarheid komen, alzo de Schrift getuigt, dat dit is een privilege van Gods volk. Dat iemand zou willen zeggen, dat Gods zulks wil, indien de mensen ook willen, d.i. de zaligheid ten dele aan Gods wil, ten dele aan des mensen wil hangen, hetwelk strijdt met hetgeen de apostel leert, Rom. 9:16,23; 10:20 en 11:35, 36 en doorgaans elders”. De kanttekening op 2 Petrus 3:9 schrijft in dezelfde zin (“niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen”): nl. ons, die krachtiglijk geroepen zijn en nog zullen worden. Want alzo God al wat Hij wil doen kan en ook doet, zo kan dit niet ver staan worden van alle en een ieder mens, dewijl de Schriftuur en de ervaring zelf getuigen, dat niet alle mensen zalig worden, maar velen verloren gaan”. De kanttekenaren behoren toch juist (direct na de synode van Dordt) tot het theologisch en

historisch overzicht? Waar zijn ze? Helaas volgt Van der Zwaag de eenvoudige regels van de exegese niet:

het woord in zijn verband en in het geheel van de Schrift plaatsen! Het klinkt indrukwekkend (pantas antropous), maar het is als in het verkeer: als je de regels niet volgt, komen er ongelukken! Dat blijkt ook. Want Van der Zwaag komt tot een onschriftuurlijke conclusie: God wil dat iedereen gered wordt! Wij mogen wel zeggen dat God wil dat ieder mens zich bekeert en dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddeloze. De Heere kan immers niet willen dat één mens Zijn Wet niet houdt? Maar we mogen niet zeggen: God wil alle mensen zalig maken. We worden door de auteur op een onbijbels en ongereformeerd spoor gezet.

 

Baxter/Woelderink

Door het geheel van de citaten loopt een draad van Baxter en Woelderink. Baxter was de man van wie W. van der Zwaag, de vader van de scribent, schrijft in zijn De Reformatie der Puriteinen: “Baxter aanvaardde wel het leerstuk van de verkiezing, maar niet dat van de verwerping. De door Christus aangebrachte verzoening was volgens hem universeel, al had het uiteindelijk enkel effect bij de uitverkorenen. Christus had namelijk door Zijn lijden en sterven de vloek van de oude wet van het werkverbond weggenomen. De nieuwe door God gegeven wet bezat voorwaarden welke een aanknopingspunt hadden in de mens. De gevallen mens bezat volgens hem namelijk nog enig vermogen om op het goddelijk aanbod van zaligheid te reflecteren. Het geloof wordt hem toegerekend tot rechtvaardigheid omdat het, hoe gebrekkig dan ook, de kiemen van gehoorzaamheid bevat.”

Baxter noemt het een ‘peperkorreltje’. Hiertegen schreef een andere theoloog: “Indien wij één korreltje van onze eigen peper tot die hoogte verheffen dat wij dit tot een deel van die gerechtigheid maken waarmee wij voor Gods rechterstoel (tribunaal) kunnen bestaan, zal dit ene korreltje ons ter helle doen zinken, zulk een heet vergif is Mr. Baxters peperkorrel.” Ds. Kersten waarschuwt steeds weer in zijn Gereformeerde Dogmatiek tegen de leer van Baxter. Het is dan ook onbegrijpelijk dat Van der Zwaag in zijn boek op cruciale punten Baxter voortdurend instemmend citeert! Hetzelfde geldt voor Woelderink. In deel 3 zal hij ook een lans voor hem breken. Woelderink was de man die zei dat God het (genade)verbond heeft opgericht met alle mensen. Dit verbond heeft twee zijden. De mens moet het inwilligen door het geloof. Alles is hem in dit verbond geschonken. Dit gebeurt in de prediking. Nu moet de hoorder dit niet afwijzen. Ik besef dat dit heel kort door de bocht is weergegeven, het kan hier niet uitvoeriger. Ds. G.H. Kersten, prof. H. Visscher, ds. I. Kievit hebben zich tegen de leer van Woelderink hartgrondig verzet. Men leze het Gereformeerd Weekblad uit de jaren veertig! Wat in dit boek gebeurt, is dat déze leer van Woelderink, omgeven door talloze citaten, met sympathie beschreven wordt. Wanneer Van der Zwaag nu van ons vraagt om dit over te nemen, om in deze lijn te gaan leren en preken, past maar één antwoord: nee!

We eindigen ook met een citaat, en wel uit het besluit van de Dordtse Leerregels: “Daarom, zo velen als er den naam onzes Zaligmakers Jezus Christus Godvruchtiglijk aanroepen, dien betuigt deze Synode van Dordrecht door den naam des Heeren, dat zij van het geloof der Gereformeerde Kerken willen oordelen, niet uit lasteringen, die hier en daar uit saamgeraapt zijn, ook niet uit private of bijzondere uitspraken van sommigen, zo oude als nieuwe leraren, die dikwijls ook te kwader trouw aangehaald, of verdorven en in een verkeerden zin verdraaid worden; maar uit de openbare belijdenissen der Kerken zelf, en uit deze verklaring der rechtzinnige leer, die met eendrachtige overeenstemming van allen en een ieder lid der gehele Synode bevestigd is.”

 

(slot volgt)

 

(slot)

 

We willen in dit artikel tot een afronding van de bespreking van het boek Afwachten of verwachten? komen. Er komen in dit boek zoveel onderwerpen aan bod, dat over ieder punt wel een artikel te schrijven zou zijn. Eigenlijk is dat al gedaan! Wanneer we terugbladeren in oudere Saambinders bijvoorbeeld, is ieder onderwerp, soms zelfs uitvoerig, reeds aan de orde geweest. De meest eenvoudige verwijzing die ik geven kan, is naar het vragenboekje van ds. Hellenbroek. De auteur zal dat ongetwijfeld ook geleerd hebben op de catechisatie. Hellenbroek spreekt van twee verbonden, waarbij de raad des vredes en het genadeverbond naar hun wezen als één worden gezien. Onbevangen schrijft Hellenbroek dat de raad des vredes of het verbond der verlossing de wil van de Vader is van eeuwigheid om de uitverkorenen door Christus’ lijden te verlossen, en de wil van de Zoon van eeuwigheid om Zich Borg te stellen voor de uitverkorenen. Het verbond der genade is de weg waarlangs God door Christus het eigendom wordt van de zondaar, en hij een eigendom van God. Met wie werd dit opgericht? Met de uitverkorenen, zo is het antwoord. Als het gaat over de roeping leren we op catechisatie dat tweeërlei roeping is: een uitwendige door het Woord Gods en een inwendige door de Heilige Geest. Het is Hellenbroek die zegt dat de uitwendige roeping alleen niet genoeg is tot bekering. Er moet nog bijkomen de inwendige roeping. Wie worden dan inwendig geroepen? Hellenbroek zegt op grond van Romeinen 8:30: ‘Alleen de uitverkorenen’. Zo wordt het onder ons geleerd, ik neem aan ook beleden door de schrijver. Daar heeft hij zich met zijn ja-woord voor Gods aangezicht ook aan verbonden en we spreken hem er op aan! We kunnen daarmee heel veel laten voor wat het is, zoals de in dit boek naar voren gebrachte stelling dat het verbond der genade naar zijn wezen opgericht is met meer dan de uitverkorenen of dat er één roeping is met tweeërlei uitwerking. Zo zouden we

paragrafen langs kunnen gaan, één voor één, maar de beperking van deze boekbespreking laat dit niet toe. Op twee punten willen we nog wijzen: allereerst de uitleg van de schrijver van de uitdrukking in het doopformulier: ‘vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid’ en tenslotte zijn visie op de plaats van Zondag 7 van de Heidelbergse Catecbismus.

 

Het Doopformulier

Zoals reeds in het vorige artikel is aangegeven, volgt de schrijver helaas dr. Woelderink. Dat blijkt heel duidelijk bij de uitleg van het doopformulier. De Doop waarin de Heere iedere gedoopte hoofd voor hoofd de beloften van het genade verbond zou toezeggen op voorwaarde van geloof in het leven van het kind is de rode draad. Op deze wijze wordt op pag. 502 en 503 het doopformulier ook samengevat en door middel van cursivering van de schrijver geaccentueerd. Onze vaderen hebben in het Doopformulier de orde gevolgd van de Heidelbergse Catechismus: ellende, verlossing en dankbaarheid. De zinsnede ‘vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid’ staat in het stuk der dankbaarheid. Het is in het leven der genade dat Gods kinderen door Zijn Geest wederliefde leren. Dat is wat anders dan wat de schrijver er inlegt in de lijn van dr. Woeldrink, namelijk dat deze ‘nieuwe gehoorzaamheid’ het gelovig antwoorden op Gods beloften zou zijn. Alsof de vastheid van het betuigen en verzegelen in de Doop afhankelijk zou zijn van ons geloven! Het is het leven der dankbaarheid en dat is een leven naar de liefderegel van Gods Wet. Zo legt het doopformulier het ook uit. Als het gezegd heeft dat de Doop vermaant en verplicht tot een nieuwe geboorzaambeid volgt het woordje “namelijk”. Het formulier geeft dan in zijn uitleg een samenvatting van Gods geboden zoals Christus Die Zelf gegeven heeft, om daarnaar in een nieuw Godzalig leven te wandelen. Door het heilig sacrament worden Gods kinderen in die drie stukken, wanneer Gods Geest in hun hart oefeningen geeft, gesterkt! En voor de gedoopte kinderen wordt door deze kinderen Gods gebeden, na hun jubel in het dankgebed dat de Heere Zijn kinderen van geslacht tot geslacht hebben zál, dat de Heere Zijn kinderen aangenomen hééft (net als in het onderwijzend gedeelte van het formulier in de tegenwoordige tijd, omdat Gods kinderen erin zijn gesterkt en niet omdat, zoals de schrijver zegt, de Heere iedere gedoopte tot kind en erfgenaam aanneemt): ‘Wij bidden U óók... dat Gij déze kinderen met Uw Heilige Geest altijd wilt regeren, opdat...’.

Voorwaar geen gering gebed voor de gedoopte kinderen! En we laten de vastheid van Gods genadeverbond schriftuurlijk en bevindelijk (naar het doopformulier) staan en maken het niet op een subtiele manier afhankelijk van het al dan niet geloven van de kinderen. Gelukkig hoeft het zó niet! Noemde ds. G.H. Kersten dit niet gevoelen niet verbondsontzenuwend? Trouwens, het heeft ons bedroefd dat Van der Zwaag de oproep in de prediking om te vragen om Gods werk zo laag neer zet als was het maar: je moet er maar om vragen. Het Doopformulier geeft de grote waarde aan van het “vragen naar de HEERE”! Bij de HEERE is toch de enige plaats waar verwacgting van kan zijn?

 

De plaats van Zondag 7

Een aangelegen punt dat ons scheidt van de scribent is de plaats van Zondag 7 in de Heidelbergse Catechismus. Vóór Zondag 7 wordt in Zondag 2 tot en met 6 ons voorgehouden hoe de Heere Zijn kinderen brengt bij de Middelaar. In overeenstemming met Romeinen 7:9 laat de Catechismus zien hoe Gods werk begint met de kennis der ellende door de Wet Gods en diezelfde Wet afbrengt van alle pogingen tot zelf verlossen en reformeren. Waar uiteindelijk alle wegen worden afgesneden in het licht van Gods deugden, komt een vragen naar een middel... naar de Middelaar. Van deze gedachte, namelijk dat de Catechismus een zekere orde leert waarin Gods kinderen deze weg leren, wordt door de schrijver een verdrietige karikatuur gemaakt. De schrijver zet neer, dat als de zondaar pas in Zondag 7 het ware geloof ontvangt, het de eenvoudige consequentie moet zijn dat hij daarvoor nog geen waar geloof had. Het woordje ‘waar’ in Zondag 7 zou uitsluiten dat er vóór Zondag 7 van een waar geloof sprake zou kunnen zijn. Wij vragen de auteur: wordt dat dan beweerd, dat Gods kind pas bij Zondag 7 het ware geloof ontvangt? De schrijver zegt vervolgens dat, wanneer men een zekere orde in de Catechismus wil leren, bij Zondag 2 reeds sprake van de wedergeboorte moet zijn. Van der Zwaag beweert vervolgens dat dit niet kan, omdat er pas in Zondag 7 van de inlijving in Christus gesproken wordt. Hij stelt dat de Catechismus de wedergeboorte gewoon overslaat. Vervolgens betoogt de schrijver dat er pas van een waar geloof sprake is als Christus daadwerkelijk wordt omhelsd. En dáár zit nu juist de angel. De schrijver ziet het geloof als een dáád van de mens. Pas dan is er sprake van een waar geloof. Mogen wij blijven stellen dat de genadige Godsdaad altijd vooraf gaat? Wij leren immers dat het geloof een gave Gods is, die de Heere in de wedergeboorte inplant. Nooit is dat buiten Christus om. Op het moment van de wedergeboorte, wanneer het geloof wordt ingeplant, krijgt het juist door die inlijving in Christus zijn werkzaamheden. En waar begint dat? Bij de kennis der ellende en de heenleiding tot de kennis van de Middelaar.

Als Van der Zwaag ons ook wil laten zeggen dat, wanneer de Catechismus heilsordelijk wordt opgevat, het gebed pas in Zondag 45 begint, wordt het wel heel erg. Deze predikanten leren blijkbaar dat Gods kinderen pas aan het gebed toekomen als ze al ver in het leven van de dankbaarbeid zijn. Wie kan zich tegen zo’n tekening verdedigen? Ik wil daarom verwijzen naar wat Ursinus bij de zevende Zondag schrijft in zijn eigen verklaring op de catechismus. Hij wijst erop dat de zondige mens veel troost kan hebben uit de wetenschap dat er een middel, een Middelaar is, waardoor hij van de verdiende straf der eeuwige verdoemenis kan verlost en de eeuwige gelukzaligheid deel worden. Maar bij kan nog geen volkomen troost hebben, of hij zal daarbij moeten weten of hij ook zelf die verlossing deelachtig wordt. Om daar van verzekerd te zijn, moet hij weten wie dit zijn en door welk middel zij deze verlossing verkrijgen, opdat bij alsdan moge onderzoeken of hij dat middel ook heeft en onder de verlosten zal mogen gerekend worden. Dit wordt geleerd in deze Zondag. Tot zover Ursinus.

Dit is toch wel heel teer opgeschreven. Ursinus neemt als het ware Gods kinderen bij de hand, juist hier waar gesproken is van de Middelaar. Het is immers zo groot voor Gods volk als ze na een weg van afgesneden te worden door de Wet gebracht worden bij het zicht op die Middelaar. Juist voor hen is het zo’n vraag hoe zij, arme zondaren, daar nu deel aan kunnen krijgen. Ursinus gaat dan wijzen op het door de Heilige Geest gewerkte geloof. Is dat ook niet de bevinding van Gods volk? Wanneer ze zo bij Christus worden gebracht en ze ook terug mogen blikken op wat de Heere reeds heeft gedaan? Het is ook tot onderzoek of het voorgaande (Zondag 2 tot en met 6) wel door het ware geloof is geleerd! Voor het onderscheid tussen het wezen en het welwezen van het geloof (Zondag 7 en 23) verwijs ik naar de Korte lessen over het Kort Begrip van ds. G. H. Kersten.

 

Gereformeerde Gemeenten

In de laatste helft van het boek zouden wij verwachten, zoals in de inleiding was gezegd, dat de onderdelen uit het tweede deel weer aan de orde zouden komen voor zover zij in discussie zijn geweest in verschillende “kerkgenootschappen”. Helaas, zo zagen we de vorige keer, krijgen we in het tweede deel geen evenwichtig historisch overzicht van onze oudvaders. Zo krijgen we ook hier geen evenwichtig overzicht van de doorwerking van de Nadere Reformatie in de verschillende kerken. Predikanten van bijna uitsluitend de Gereformeerde Gemeenten worden besproken. Hier is de journalist aan het woord, die zijn visie op predikanten opinierend aan zijn lezer opdringt. Het is deze methode als in de politiek. De opinie van ons volk over mensen in de regering en Tweede Kamer wordt voor een bebangrijk deel beinvloed door de media. De pers kan hen maken en breken. De kleur van de pers speelt daarbij een bebangrijke rol. Zo is het ook in dit deel van het boek. Opvallend hierbij is dat regelmatig wordt afgesloten met het (afkeurend) oordeel over deze predikanten door predikanten uit met name de Hervormde Kerk. Is het eerlijk om van één van hen het kopje over te nemen; ‘de kritiek op de theologiscbe setting van 1931’ om daarop weer uitvoerig dr. Woelderink aan het woord te laten, heel even wijlen ds. A. Vergunst weer te geven en hem direct ook weer af te vallen en daarna weer verder te gaan met de kritiek vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken? Is daarmee ‘1931’ recht gedaan? Mag je dan afsluiten met de zin dat het onjuist wordt geacht de gewetens van ambtsdragers en gemeenteleden aan deze besluiten te binden? Natuurlijk, de heer Van der Zwaag laat het een ander zeggen, maar ondertussen staat het er toch maar zo. En ik dacht dat Van der Zwaag vrijwillig en van harte bebijdenis heeft afgelegd in de Gereformeerde Gemeenten?

Ik heb er daarom ook geen behoefte aan om Van der Zwaag in deze bespreking te volgen in zijn weergave van onze predikanten. Ik heb alleen gedacht: wat zullen verschillenden zich een onrecht aangedaan voelen, en je kunt je hiertegen niet verdedigen. Doe je een predikant recht als hij in zijn kerkbode terecht de vinger legt bij de gesehonden uitgave van een preek van Erskine door ‘De Tabernakel’ en hem dan weergeeft als iemand die bevreesd is voor nieuwe opvattingen omdat men oude schrijvers gaat lezen? Is het niet zeer aanmatigend als allerlei preken op de ontleedtafel van Van der Zwaag worden gelegd om ze vervolgens te beoordelen, in vakjes te delen, af te keuren? Mag je het tere geestelijk leven onder kopjes gaan benoemen als “de standenleer van.... ?’ Gaat een journalist van de kerkredactie van het RD zo om met de woorden van “onze” predikanten?

 

Laakbaar

Deze wijze van publiceren is laakbaar. In het formulier voor de bevestiging van predikanten staat het volgende: ‘En gijlieden ook, geliefde christenen, ontvangt deze uw dienaar in den Heere met alle blijdschap, en houdt de zodanigen in grote waarde. Gedenkt dat God Zelf u door hem aanspreekt en bidt. Neemt dan het woord aan, hetwelk bij u volgens de Heilige Schrift zal verkondigen, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord... Zijt uw voorgangeren gehoorzaam; want zij waken over uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.’ Het laatste gedeelte van dit boek is precies het tegenovergestelde van wat het formulier ons voorhoudt. Ik hoef hier helemaal geen ambtsbroeders te gaan verdedigen. Tegen deze manier van publiceren kún je je ook niet verdedigen. En dat weet de Heere ook! Daarom heeft God Zelf in Zijn Woord de houding ten opzichte van predikanten aangegeven, samengevat in het formulier. En dat ten goede van de gemeente! Wanneer gemeenteleden beinvloed door dit boek van Van der Zwaag ‘s zondags naar de prediking luisteren, kan dat niet meer onbevangen. Door de kritische bouding zal het Woord niet eens in het hoofd komen, laat staan in het hart. Men luistert of het allemaal wel klopt, men vindt dat het in de prediking allemaal anders moet. Het Woord Gods wordt zo echter niet meer gehoord. En wie zal de lachende derde zijn?

 

Acta

De wijze waarop Van der Zwaag met de Acta van bijvoorbeebd Generale Synoden omgaat, is eveneens droevig. Verschillende appèlzaken met betrekking tot de leer in de Gereformeerde Gemeenten hebben gediend. De schrijver stoort er zich aan dat de Synode maar niet luistert naar het ‘grondvlak’. Mogen we het eens omdraaien? Aan wie hebben de afgevaardigden verantwoording af te leggen? Toch aan de Koning van de Kerk Die naar Zijn Woord en Wetten regeert? De kerk is geen politieke partij die uitvoert wat de basis wil. De duidelijke eenstemmigheid waarin de achterliggende jaren de Synode steeds weer deze appèlzaken met kritiek op de leer aangaande verbond, belofte, prediking e.d. heeft afgewezen, zou voor de schrijver toch boekdelen moeten spreken? Daarbij komt dat hier de vraag gesteld kan worden of de Acta bedoeld zijn voor een boek als dit. In goed vertrouwen worden de Acta van de Generale Synode breder verspreid dan bijvoorbeeld de notulen van een classis. Wanneer echter de Acta gebruikt gaan worden om buiten de kerkelijke vergaderingen om kritiek te leveren op het eigen kerkverband waarvan men lid is, is dat op zijn minst bedenkelijk.

 

Afsluitend

Wanneer belijdeniscatechisanten aan het einde van hun catechisatie komen, worden hun de vragen van Voetius voorgehouden. Daar gaan ze voor Gods aangezicht ‘ja’ op zeggen. De eerste vraag luidt: ‘Verklaart gij dat gij de leer van onze kerk, welke gij geleerd, gehoord en beleden hebt, houdt voor de ware en zaligmakende leer, overeenkomende met de Heilige Schriften?’ De catechisant belooft voor Gods aangezicht daarbij te leven en te sterven. Nu ligt er een boek dat niet alleen bij de leer vrágen stelt, zoals een catechisant die nog hebben kan, maar die ook de leer veránderen wil, terwijl het ‘ja’-woord al geklonken heeft. Door eerdere recensenten, zoals broeder W. Silthout in het RD, is al gewezen op de samenvatting aan het eind. Hoe kan er het zogenaamde geloofsvol verwachten zijn door een zondaar die geestelijk dood is? Dan moet er toch al iets van geloof zijn? “Zou in deze stelling niet de spreekwoordelijke aap uit de mouw komen?”

Het is de schrijver, uitgever en een aantal zakenlieden er blijkbaar om te doen om de prediking onder ons te veranderen. Daarom blijkt een aantal zakenlieden “onder ons” bereid geweest dit dure boek te subsidieren, waardoor het voor een relatief lage prijs beschikbaar gesteld kon worden. Moet nu ook met geld een poging worden ondernomen de leer naar eigen hand te zetten?

Wie publiceert vestigt ook de aandacht op zich. Publiciteit is in deze tijd een vorm van macht. Dat weet de journalist maar al te goed. En dat alles na dat ‘ja’-woord. Ik vind het onbegrijpelijk. In dit soort boeken ligt een grote verzoeking. Het lezen ervan heeft veel tijd gekost, tijd die ten koste gaat van de eigenlijke taak waartoe een predikant geroepen is. Misschien moeten we in het vervoig dit soort boeken laten voor wat ze zijn. Wie zit erop te wachten? Elfhonderd pagina’s om te lezen hoe iemand weggegroeid is bij zijn belijdenis vandaan? Het is te hopen dat afval niet leidt tot verval in onze gemeenten. De Heere geve dat de predikanten niet al zuchtend hun weg behoeven te gaan door dit geschrijf. Hij geve Zelf, ondanks al die boeken die verschijnen, toch de vreugde van het dienen in de liefdedienst des Heeren.

 

 

Nieuw-Beijerland,                                                                                                      ds. D. de Wit.

 

N.a.v. dr. K. van der Zwaag, Afwachten of verwachten? De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief. Uitg. Groen, Heerenveen, 2003. 1098 blz. Prijs: € 29,50.