Onder de titel “Afval of verval?” heeft ds De Wit in de Saambinder een recensie gegeven van het boek “Afwachten of verwachten?” van dr K. van der Zwaag. Wat er eventueel waardevol aan dit boek van meer dan 1.000 bladzijden is, is geheel onbesproken gebleven. Al mag men verwachten van een recensent dat hij evenwichtig is in zijn commentaar, dit is echter niet het belangrijkste bezwaar tegen deze boekbespreking. Het belangrijkste bezwaar is wel, dat de kritiek van ds De Wit op verscheidene punten onjuist blijkt te zijn.
I. Remonstrantisme?
1. Ds De Wit citeert dr Van der Zwaag als deze op p. 21 schrijft dat in de studie tal van theologen en ‘oude schrijvers’ naar voren komen, die de heenwending naar God beschreven hebben als een geheimvol mysterie, waarin enerzijds de trekkingen van Gods Geest in Zijn soeverein genadewerk geleerd worden, en anderzijds de menselijke overgave een onmisbare rol in het proces van bekering speelt. Deze zin geeft ds De Wit als volgt weer: “God wat en de mens ook wat?”,[1] met de suggestie: niet conform de Dordtse Leerregels en de (nadere) reformatoren. Het is onmiskenbaar dat de uitdrukking “God wat en de mens ook wat” onder ons staat voor remonstrants, wat wordt versterkt door de suggestie.
Dr Van der Zwaag merkt, na op diezelfde p. 21 gesproken te hebben van “die onwederstandelijke bekering” (irresistibel is hčt sleutelwoord van de contra-remonstranten) op p. 23 vervolgens op: “Onder genoemde keuze [nl. om tot eer van God de Schepper te leven en Hem te kennen door de Zoon Zijner liefde] verstaan wij uiteraard niet de daad van de vrije wil, maar een door de Geest bewerkte vrijwillige keuze om voor Hem te leven en de zonden af te zweren”. Onmisbaar is in het genoemde verband dus niet: uit eigen kracht! Dr Van der Zwaag bedoelt met een onmisbare rol kennelijk hetzelfde als de Dordtse leerregels, hoofdstuk 3 en 4 par. 17, waar gesproken wordt van het vereiste gebruik der middelen. Dat is inderdaad: onmisbaar; want de middelen werken niet ex opere operate of zonder geloof en het geloof is het rechte gebruik der middelen.
2. Vervolgens stelt ds De Wit de vraag: Waarom bezigt dr Van der Zwaag de uitdrukking: toestand van ellende en onrust op p. 21 en niet staat van ellende. In de uitwerking van de inleiding op dit onderdeel, Deel I, p. 25v, spreekt dr Van der Zwaag echter met zoveel woorden van staat der ellende: “De mens bevindt zich in een geestelijke doodstaat. … De mens bevindt zich in een staat van zonde en geestelijke verdorvenheid. … De mens heeft door de zonde zijn vrije wil verloren en is in een staat van onvrijheid terechtgekomen. De wil is wel vrij, maar enkel vrij tot het kwade. De menselijke wil moet dus bevrijd worden,” p. 25. Staat en toestand gebruikt dr Van der Zwaag in gelijke zin. En wat betreft een toestand van ellende en onrust kan eenvoudig verwezen worden naar de kerkvader Augustinus: “Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in u,” Confessiones I, 1, 1.
3. Verder vraagt ds De Wit ook: “Beseft Van der Zwaag dat dit alléén waar is voor de levendgemaakte wil?” Dat had dr Van der Zwaag juist eerst opgemerkt, toen hij schreef dat het geloof een daad van de door de Geest levendgemaakte wil is. Het antwoord luidt dus: ja. En daarop had dr Van der Zwaag een aanhaling van prof. Bavinck laten volgen. Dr Van der Zwaag benadrukt in het betreffende verband, dat zowel de zonde als de genade door God niet worden opgedwongen tégen de wil van de mens. Een basisgegeven voor ieder die middelmatige kennis van de verhandelingen op de Dordtse synode heeft. Augustinus schreef er een compleet boek over. Ds De Wit behoeft dus niet te vrezen “dat Van der Zwaag voor de onbekeerde mens laat gelden, wat in de Schrift en de Leerregels van Gods levendgemaakte kinderen gezegd wordt.” Dr Van der Zwaag stelt nergens dat de mens in de levendmaking ook wat moet doen en het tenlastegelegde feit, dat de mens een vrije wil of opening in zichzelf ten goede heeft wordt op geen enkele plaats door dr Van der Zwaag geleerd. Integendeel, hij stelt op p. 25: “De wil is wel vrij, maar enkel vrij tot het kwade. De menselijke wil moet dus bevrijd worden.” En daarop laat hij even verder volgen: “De vrijheid van de wil heeft de mens behouden, maar niet de keuzevrijheid. Daarvoor is niet slechts een helpende, maar een overwinnende genade nodig.”
4. Helaas geeft ds De Wit in zijn commentaar op het boek van dr Van der Zwaag blijk van een ernstige en ingrijpende misvatting. In zijn kritiek op sommige passages, stelt hij, dat een zondaar door het ontdekkend werk van Gods Geest in wedergeboorte of levendmaking door de wet kennis krijgt van zijn ellendestaat. Onmiskenbaar is hier sprake van een wedergeboorte of levendmaking door de wet. Dat blijkt ook uit het slotartikel van ds De Wit. Daarin lezen wij dat het geloof een gave Gods is, die de Heere in de wedergeboorte inplant. Dat geschiedt weliswaar niet buiten Christus om, maar dan in die zin, dat het geloof juist door die inlijving in Christus zijn werkzaamheden krijgt en wel te beginnen bij de kennis der ellende en de heenleiding tot de kennis van de Middelaar. Dit zou de toeleidende weg tot Christus zijn, waarbij een reeds levendgemaakte zondaar wordt toegeleid tot het Leven. Dat dit het is, wat ds De Wit ook voor ogen staat, blijkt ook wel uit zijn commentaar dat hij geeft op het door dr Van der Zwaag aangehaalde verzet van ds A. Simons tegen juist déze misvatting. Laatstgenoemde merkt op: “Er lopen zo veel levendgemaakte mensen buiten Christus. De wet doet maar één ding, die maakt de zonde levend. Maar, hoe word ik nu waarlijk levend? Om met Christus te sterven. Om ook met Christus opgewekt te mogen worden in een nieuw leven. … Dat is nou wet en Evangelie,” noot 1988 op p. 321. En: “Het ware leven begint daar, waar de mens, door het geloof, mag zien op die Borg en Zaligmaker,” p. 374. Is er dan geen overtuigend werk van de Heilige Geest door de wet en geen toeleidende weg tot Christus? Ja, maar dat werk is niet levend- laat staan zaligmakend en vindt plaats in een staat des doods! Dit werk, dat vaak als hčt onderscheidend kenmerk wordt gezien, hebben vele verworpenen met de uitverkorenen gemeen. Het is niet het ware geloof, noch het begin daarvan, doch in het beste geval slechts een voorbereiding tot het geloof. Wil er sprake zijn van geestelijk leven, dan moet er in navolging de Heilige Schrift enigermate sprake zijn van het zien op Jezus, zoals onder andere blijkt uit Joh. 3:36 (Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem), Joh. 5:24 (Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven), Joh. 6:40 (En dit is de wil Desgenen Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten uiterste dage) i.v.m. vers 63 en 64 (De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. Maar er zijn sommigen van ulieden, die niet geloven), Joh. 17:3 (En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt) en 1 Joh. 5:1 (Een iegelijk die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren) i.v.m. vers 12 (Die de Zoon heeft, die heeft het leven; die de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet). Dit is ook de leer van Dordrecht. Ten bewijze hiervan volgt het gevoelen van verscheidene afgevaardigden op de Dordtse synode. Niet alle meningen zijn hierin verwerkt, omdat niet ieders oordeel ter zake dienende was, maar wel is het zo dat er op de Dordtse synode niemand ooit heeft geleerd dat de levendmaking of wedergeboorte door de wet plaatsvond of dat de wet in de toeleiding tot Christus een levendmakende bediening had.
DE BUITENLANDSE KERKEN EN THEOLOGEN
Daar zijn in de eerste plaats de Embdense theologen in hun gevoelen ten aanzien van het eerste artikel der remonstranten. Zij merken onder XIII en XIV op dat de onverdiende roeping der uitverkorenen geschiedt “door het Evangelie”, “wanneer de stem van God door Zijn dienaars uiterlijk zo in de harten klinkt, Hand. 16:14, dat meteen Gods Geest het hart van de toehorenden tot de kracht van verstaan bereidt en de wil tot toestemmen krachtig beschikt.” Wanneer “uit de krachtige roeping een kennis van de verstane zaligheid meegedeeld wordt en dat weer op dezelfde wetenschap een toestemming volgt … die de belofte van het Evangelie aan de eigen consciëntie van de gelovende toepast.”[2] Ten aanzien van het derde en vierde artikel van de remonstranten oordelen zij, dat “de voorkomende genade … bij Augustinus en anderen, zowel oude als nieuwe rechtzinnige leraren van de Kerk, niet die algemene en natuurlijke genade [is], waarmee God een iegelijk mens verlicht, komende in de wereld, zoals verkeerd de remonstranten gevoelen, maar waarmee de Heilige Geest door de stem en predikatie van het Evangelie in de harten van de uitverkorenen krachtig goede gedachten, een goed voornemen, een begeerte van het goed is werkend en waarmee Hij hun verstanden en willen zo voorbereidt, dat zij de Heilige Geest toestemmen en gehoorzaam zijn,”[3] met verwijzing naar Hand. 2. … “Niemand kan zijn ellendigheid kennen, bewenen, beklagen, naar verlossing verlangen, naar deze hongeren en dorsten en die zoeken enz. zonder bijzondere genade van de herbarende Geest, van Wie wij eerst gezocht en gevonden moeten zijn, eer dat wij Hem zoeken, Jes. 65. En van God gevonden, kennen of belijden wij niet eerder de zonde, dan als God deze vergeeft; en wij hongeren noch dorsten naar de gerechtigheid … of wij worden ook terstond verzadigd, Matth. 5. … Het verstand van de uitverkorenen wordt niet verlicht met de heilzame kennis der waarheid, noch de genegenheden met de liefde der waarheid ontstoken, of de wil wordt ook meteen levend gemaakt en veranderd en nieuwe krachten de mens gegeven om God te gehoorzamen. Want God, de mens bekerend, bekeert niet enig deel van deze, maar de gehele mens. Hierom zien wij, Jer. 24:7, dat het nieuwe hart en de kennis des Heeren bijeen gevoegd worden. Voornamelijk ook Jer. 31, 33, 34 en elders doorgaans.”[4]
Dan is er ook het oordeel van de theologen uit de Palts op het tweede artikel van de remonstranten. Omtrent de toeëigening merken zij op dat deze van Gods kant “geschiedt door de Heilige Geest, Die krachtig is in de uitverkorenen tot geloof en bekering; van onze zijde door het geloof, waardoor wij Christus ontvangen met de schatten der zaligmakende genade en met Hem, als leden met het Hoofd, verenigd worden. Beide worden door de dienst des Woords volbracht in de uitverkorenen, hetwelk een kracht Gods is ter zaligheid allen die geloven, Rom. 1:16. Beide werkt de Heilige Geest door het Evangelie, wanneer Hij met bevelen ons port, met beloften aanlokt en met dreigementen verschrikt. … God eigent de mens de weldaden van Christus toe, hem roepende, rechtvaardigmakende, heiligmakende, verheerlijkende; de mens eigent zich die toe, gelovende en in het geloof blijvende, op welk geloof de vrede der consciëntie, blijdschap in God, nieuwe gehoorzaamheid en de gelukzaligheid van dit en het toekomende leven volgen, Rom. 8:29,30; 1 Kor. 1:30.”[5] Deze theologen, van wier (voorgangers) hand ons doopsformulier is, dachten toch bepaald anders over de toeëigening dan ds De Wit. Hij meent dat onze vaderen het woordje toeëigenen geheel laten slaan op het werk Gods door Zijn Geest, waar nu werkelijk niets van de mens bij komt. Dit maakt de mens echter tot een stok en een blok, waartegen onze Dordtse vaderen juist met kracht hebben geageerd. Door iedere daad van de mens, dus ook de door de Geest bewerkte geloofsdaad, synoniem te stellen met remonstrantisme, wordt de mens het mens-zijn als ontvanger van de Gift des Vaders ontnomen en gedegradeerd tot een stok en blok.
Verder is er het oordeel van de theologen uit Engeland over het derde en vierde artikel van de remonstranten. Zij noemen het gevoel van het pak der zonde, “vrezen, bedroefd zijn, de verlossing begeren en enige hoop van vergiffenis ontvangen … voorgaande handelingen der genade, tot de geestelijke geboorte. … Deze voorgaande uitwerksels, door de kracht van het Woord en de Geest in de gemoederen der mensen voortgebracht, kunnen door de schuld van de oproerige wil verstikt en ten enenmale uitgeblust worden en plegen ook in velen uitgeblust te worden, zodat sommigen, in welker gemoederen door de kracht van het Woord en de Geest enige kennis der goddelijke waarheid, enige droefheid over hun zonden, enige begeerte en enige zorg om verlost te worden ingedrukt is geweest, geheel integendeel de waarheid verwerpen en haten, zich aan hun begeerlijkheden overgeven, in de zonden verharden en zonder begeerte of zorg der verlossing in deze vervuilen. Matth. 13:19 … 2 Petr. 2:21 … Hebr. 6:4 … Zelfs de uitverkorenen gedragen zich in deze werkingen, welke voor de wedergeboorte gaan, nooit zo, of zij zouden van God verlaten mogen worden vanwege hun nalatigheid en wederstandigheid. Maar zodanig is de bijzondere barmhartigheid van God jegens hen, dat, al is het dat zij deze opwekkende en verlichtende genade of een tijd lang verstoten of onderdrukken, God nochtans hen weder en weder aanport en niet ophoudt te bevorderen, totdat Hij ze ten enenmale onder het juk Zijner genade gebracht en in de stand der wedergeboren kinderen gesteld heeft. … Door de wedergeboorte verstaan wij hier niet allerlei werking van de Heilige Geest, gaande voor of trekkende tot de wedergeboorte, maar die werking, van dewelke terstond gezegd mag worden: deze mens is nu uit God geboren.” … De wedergeboorte geschiedt door het Woord en vereist het gebruik der middelen, hoewel de mens in de wedergeboorte passief is. … In de levendmaking “gebruikt God geen beginsel van de menselijke wil” en als Hij “wil zalig maken, wederstaat ook geen menselijke wil. … Naar de orde van tijd kunnen nauwelijks onderscheiden worden het werk van God, de mens bekerend, en de werking van de mens, zich tot God bekerend,” maar “naar orde van veroorzaking is het nodig dat Gods werk voor gaat en onze werking volgt.” … Het is God … niet, die alles in allen gelooft, maar die alles in allen werkt. Het is zeker dat wij geloven wanneer wij geloven, maar God maakt dat wij geloven. Wij werken, maar God werkt in ons het werken,”[6] Augustinus.
De Nassausche en Wetteravische kerken oordelen over het derde en vierde artikel van de remonstranten als volgt. “De Heilige Geest houdt deze orde in de bekering van de mens. De predikatie van het Evangelie gaat voor, waarmee God van de mens eist geloof en goede werken. Deze dingen eisende door de predikatie van het Woord, wordt door inwendige werking van de Geest in de harten van de uitverkorenen ingestort de deugd van het geloof. De mens, daarmee begiftigd zijnde, brengt de daden des geloofs voort en gedreven zijnde van de Heilige Geest, werkt hij. … wat aangaat die dingen, die vóór de wedergeboorte gaan, hetzij dat ze uitwendig of inwendig zijn, als daar is droefheid om de zonde, begeerte der genade en dergelijke, die zijn in de geveinsden niet heilzaam, in de uitverkorenen heilzaam en verschillen derhalve in wezen.”[7]
De theologen van Genčve oordelen ten aanzien van het derde en vierde artikel van de remonstranten niet anders: “Het heilzaam gevoel der zonde, vergezelschapt met een dorst naar de remedie, een goede hoop, vernieuwing des harten, haat der zonde en toevlucht tot God zijn verborgen werkingen van de Heilige Geest, de mens allengskens schikkende en brengende tot de genade der rechtvaardigmaking en wedergeboorte.”[8]
De theologen van Bremen oordelen omtrent het derde en vierde artikel van de remonstranten als volgt. De “heilzame genade bedient God door het Woord en de Geest. Door het woord van de wet bereidt God de mens tot kennis van zijn ellendigheid en brengt hem tot wantrouwen van zichzelf. Daarna leert Hij door het Evangelie en wijst de weg aan om de zaligheid zeker te verkrijgen door het geloof in Christus,” door “historische verhalen en onderwijzingen, geboden, verboden, beloften en dreigementen. Al deze dingen hebben een smaak der goddelijke waarheid, heiligheid, goedheid en gerechtigheid; en die deze met een gemoed, van boven verlicht, overwegen, die moeten noodzakelijk enige kennis der hemelse verborgenheden bekomen. Ook pleegt in velen hieruit te ontstaan een toestemming waarmee zij de waarheid in deze erkennen en de goedheid prijzen en des te vaster [naarmate] de verlichting van het verstand klaarder is en enige smaak der zeer genoeglijke goederen [geeft]. Nochtans kunnen al deze dingen ook in diegenen wezen, die niet herboren worden. Wat is dan de uitverkoren kinderen Gods eigen? Antwoord: uit een bijzondere genade krachtig geleid en getrokken te worden door de Geest van God en Christus, in hen het geloof genadig werkende dat zij niet alleen uit het woord van het Evangelie zichzelf de algemene genade kunnen en willen toewijzen in het verstand, maar ook dat zij scheppen en behouden een vertrouwen, waarmee zij berusten op de verdiensten van Christus en Gods gunst. Derhalve God met een kinderlijke genegenheid liefhebben met deze hoop, dat hun alles ten goede zal strekken en zij door deze genade gebracht worden tot de heerlijkheid.”[9]
DE NEDERLANDSE KERKEN EN THEOLOGEN
Maar wil men liever het gevoelen van de Nederlandse afgevaardigden en professores, dan volgt dit hierna. Eerst het oordeel van Sibrandus Lubbertus over het eerste artikel van de remonstranten. Hij zegt: “Wij moeten niet indringen in de verborgen raad van God, noch daar onderzoeken of wij uitverkoren zijn, maar wij moeten onszelf naarstig onderzoeken of Christus in ons woont. Want de ware vruchten der verkiezing zijn de krachtige roeping, het geloof, van de Heilige Geest, door de stem van het Evangelie in onze harten verwekt, nieuwe gehoorzaamheid, vrede in God en het getuigenis van de Heilige Geest van onze aanneming tot kinderen.”[10] Dit oordeel is goedgevonden door Johannes Polyander, Antonius Thysius en Antonius Waleus. Diezelfde professoren, ditmaal in het gezelschap van Franciscus Gomarus, zijn in hun beoordeling van het derde en vierde artikel van de remonstranten van mening dat de deugd van het geloof door God verwekt wordt “door de verkondiging van het Evangelie en door de krachtige werking dan de Heilige Geest.”[11]
De Gelderse gedeputeerden merken over het eerste artikel van de remonstranten het volgende op. “… twee dingen moeten gepredikt worden: de wet en het Evangelie. Het eerste leert de zonde en werkt de gramschap, het andere verkondigt de genade en heerlijkheid. Het eigen opzicht en het rechte voorwerp van de prediking van de eerste, die voorgaan moet, is de mens, zijnde dood in de zonden; maar van het andere, hetwel nader moet volgen, is de mens in wie de zonde weder levend is geworden. Het einde van het eerste is niet altijd, dat de mens aangepord wordt om de zaligmakende genade [en] de eeuwige zaligheid zelf te begeren, Matth. 11:28, Luk. 25:47, Joh. 7:37, maar dikwijls alleen, opdat hij, om een lichamelijke weldaad te ontvangen, door de betrachting van boetvaardigheid bekwaam gemaakt worde, Jona 3:5 enz., Ps. 99:8, 1 Kon. 21:29. Maar van het andere is het einde alleen om de mens de zaligmakende genade en de heerlijkheid deelachtig te maken. Aangezien dit zo is, alhoewel wij geloven dat er niemand uit zichzelf en door zijn eigen kracht behoorlijke droefheid over zijn zonde kan ontvangen, noch ook kan bekeerd worden, zelfs ook niet als hij door de aanspraak, dat is door de uiterlijke predikatie der wet geroepen wordt, maar dat het ook van node is, dat diegene die dat doet ook door de kracht, dat is door de inwendige stem van God geroepen worde, ja, dat zelfs ook God de droefheid en de bekering werkt, nochtans, overmits God dikwijls alleen voorneemt aan de bekeerde zondaar enig uiterlijk goed te geven of enige bijzondere en buitengewone straffen weg te nemen, zo besluiten wij, dat ze niet allen tot de zaligmakende genade en heerlijkheid geroepen worden, die van God of door de inwendige kracht van God geroepen worden.”[12]
De gedeputeerde broeders van Overijssel zijn ten aanzien van het derde en vierde artikel van de remonstranten van oordeel dat de wedergeboorte en levendmaking begint met de verlichting van het verstand, met een beroep op Matth. 11:25, 27; Luk. 1:79 en 2:32; Hand. 16:14; Openb. 3:17, 18 en 2 Kor. 3:16. Uitdrukkelijk stellen zij dat de mens door de dienst der wet niet levend gemaakt wordt. “Hetgeen een dienst des doods is, dat is geen dienst der levendmaking. Want de dood en het leven zijn altijd, als strijdende dingen, tegen elkander gesteld. Maar de wet is een dienst des doods, 2 Kor. 3:6,7.” Daardoor wordt “niet ontvangen … de Geest des levens, door datzelve is geen levendmaking. Want de Geest is de werker der levendmaking. Maar door de wet wordt de Geest des levens niet ontvangen, Gal. 3:2.”[13]
De gedeputeerde broeders van de synode van de stad Groningen en van de Ommelanden zijn van mening “dat het middel, waardoor God het besluit der verkiezing uitvoert en in de uitverkorenen het geloof werkt, de krachtige of zaligmakende roeping is, door welke, door de prediking van het Evangelie en door de inwendige werking van de Heilige Geest (zonder welke de prediking niet genoegzaam zou zijn), de uitverkorenen geroepen worden, opdat zij met het ware geloof en met vertrouwen het gepredikte woord ontvangen mogen en Christus aanhangen.”[14]
Zijdelings zij opgemerkt, dat het tegen voormelde achtergrond ook interessant is om te lezen hoe de broeders van het landschap Drente dachten over de bekering van Paulus. Volgens hen is in een ogenblik zijn verstand verlicht geweest met het licht van het Evangelie, dat daarvoor bij hem gehaat en onbekend was, en hij heeft terstond gehoorzaamd, zeggende: Wat wilt Gij, dat ik doe?[15]
De conclusie uit dit exposé is geen andere, dan dat er onder de Dordtse afgevaardigden grote eenstemmigheid was op dit punt, namelijk dat de Heilige Geest door het Evangelie en niet door de wet de levendmaking of wedergeboorte werkt. Dit is ook vastgelegd in hoofdstuk 3 en 4, par. 5, 6 en 17 en door allen ondertekend: door de wet kan de mens de zaligmakende genade niet verkrijgen, maar wat de wet niet doen kan, dat doet God door de kracht van de Heilige Geest en door het woord of de bediening der verzoening, welke is het Evangelie van de Messias. God heeft het Evangelie verordineerd tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziel en door de heilige vermaningen van het Evangelie wordt de genade medegedeeld. Dat de Heidelberger Catechismus wel een levendmakende bediening van de wet zou leren, is onjuist. Integendeel. Volgens de Heidelberger Catechismus werkt de Heilige Geest een waar geloof door het Evangelie in het hart, antw. 21, en het ware geloof komt van de Heilige Geest, Die dat in het hart werkt door de verkondiging van het Evangelie, antw. 65.
Omdat Comrie in onze gemeenten groot gezag heeft, is het ook zinvol om hem op dit punt te laten spreken. Het citaat komt uit een voorrede aan de godvruchtige lezer, die vasthoudt aan de oude en beproefde leer van de hervorming, opgenomen in het boek Verzameling van leerredenen,[16] en handelt over het werk van de Heilige Geest. Comrie schrijft daarvan: “En het is altoos zo toegegaan, en zo zal het blijven toegaan tot de voleinding der eeuwen: dat de kerk die door een onbeschreven woord geleid werd, maar nu een beschreven heeft, door dat woord zal bewrocht, geleid, vertroost, versterkt en opgebouwd worden. Dit woord (dat de Geest omtrent de volwassenen gebruikt, en ook niet anders zal gebruiken, want het geloof is uit het gehoor en het gehoor is uit Gods woord) gebruikt God de Heilige Geest als het enigste organon, instrument of vehiculum om de gave der goddelijke genade, en onze geruststelling dienaangaande, aan onze ziel te konvooieren, mede te delen, en ons de gave der genade deelachtig te maken. Ik noem het woord de belofte des Evangelies volgens onze Catechismus en Belijdenis; aangezien het woord der wet naar toorn werkt, en de Geest alleen als verstrooster in de harten der uitverkorenen komt, en werkt in en door het woord der belofte, Gal. 3:2. Zo dat gij ziet waarde lezer, hoe zeer wij verfoeien en verwerpen alle zulke stellingen als of Gods Geest in de bekering of vertroosting wrocht zonder een woord of de belofte des Evangelies. Terwijl wij geloven, dat hij altoos en nimmer anders als door het woord der belofte, die wij gehoord hebben of horen, werkt!” Nadat hij hiermee heeft benadrukt dat God in de bekering middellijk werkt, en wel door middel van het Evangelie en niet door de wet, vervolgt Comrie met een uitleg over het door hem aangeduide onmiddellijke werk van God: “Nu moeten wij zeggen, wat wij dan door onmiddellijke verstaan. Mijne geliefden wij verstaan er door die goddelijke kracht en werking des Heiligen Geestes in het woord der belofte tot, aan, in en met onze ziel zeggende, insinuerende, verzekerende met een goddelijk betoog, of getuigende, of om Calvijns woord te gebruiken: intus in corde testans, dat is binnen in het hart getuigende, dat wij Gods kinderen zijn.” En dat Comrie het van harte eens was met hetgeen wij hierboven weergaven van onze Dordtse vaderen en stelden van de catechismus, blijkt even verder wel uit deze voorrede als hij letterlijk zegt: “Waarde lezer, het is tijd, dat gij ontwaakt, dat gij uw Catechismus en de Geloofsartikelen en de Acta van de Synode van Dordrecht gaat lezen, en daar zien hoe dierbaar al de uitheemse godgeleerden gesproken hebben over het derde en vierde artikel van de Remonstranten, die ook halve Pelagianen zijn. Het is jammer dat er een huishouding is, die middelen heeft, die dat boek, de Acta van de Dordtse Synode, niet heeft!”
DS G.H. KERSTEN
Nu zou nog gesteld kunnen worden, dat de wedergeboorte dan misschien wel niet anders geschiedt dan door middel van het Evangelie, maar dat een pas wedergeborene zich daarvan nog geheel onbewust is en nog geen oog heeft voor het middel waardoor hij werd wedergeboren. De inplanting van het geloof (habitus) zou dan wel niet buiten Christus om zijn, maar het geloven (actus) zou zich eerst richten op de wet en nog niet op Christus. Wij willen in antwoord daarop graag doorgeven wat ds G.H. Kersten heeft geleerd omtrent een onbewuste wedergeboorte. Hij schrijft daarover in zijn dogmatiek: “Ze is tegen de Heilige Schrift, die ons leert, dat God door de roeping wederbaart. Het geloof, niet alleen het geloven (actus, BB), maar ook het geloof (habitus, BB), is uit het gehoor en het gehoor is door het Woord Gods.”[17] En wat ds. G.H. Kersten onder de roeping verstond, heeft hij duidelijk gesteld in diezelfde dogmatiek, waar hij uitdrukkelijk schrijft: “Ook is de zaligmakende roeping niet door de wet der zeden, al dient zij in de krachtige ontdekking des Heiligen Geestes tot overtuiging der zonde,” (cursief van ds Kersten). En even verder: “Niet door de wet, doch door het Evangelie roept God Zijn uitverkorenen in den tijd Zijns welbehagens tot de zaligheid”.[18] En daarna luidt het weer: “God roept door Zijn Evangelie den gevallen zondaar, die echter in den val noch duivel, noch dier geworden is. Hoe diep ook gezonken, hij is mens gebleven, met verstand, zij het verduisterd door de zonde, en met een wil, hoewel gans verkeerd. Duivelen worden niet geroepen; voor hen is geen zaligheid. Ook kan tot het redeloze dier de roepstem van het Evangelie niet komen. Maar God roept mensen tot de zaligheid. Hij brengt de uitverkorenen tot Zijn Woord of Zijn Woord tot hen, opdat zij horende dat Woord, in den tijd des welbehagens, door den Heiligen Geest ontvangen tot hun behoudenis. Soms behaagt het den Heere bijzondere middelen te gebruiken om Zijn uitverkorenen tot dat Woord te brengen, als: armoede ziekte, nieuwsgierigheid, sterfgevallen, bijzondere oordelen, oorlog, hongersnood, enz. Al deze middelen zijn echter slechts toeleidende wegen, door den Heere beschikt, om den nog doden zondaar door Zijn Woord te roepen ter zaligheid, hem wederbarend door het zaad des Evangelies. De wedergeboorte werkt God dus instrumenteel door het Woord”.[19]
Als ds De Wit de catechismus heilsordelijk wil verstaan en stelt dat de zondaar reeds in zondag 2 is wedergeboren of levendgemaakt door de wet of dat hij door die levendmaking of wedergeboorte eerst zijn ellende leert kennen uit de wet, is dat dus een afwijking van bestendige leer van onze vaderen, Comrie en ds G.H. Kersten. Of wij nu de ellendekennis uit wet waarachtig, recht en grondig of diep vernederend noemen, zij is niet zaligmakend en niet onderscheidend, want dikwijls ook gemeen aan de verworpenen. Deze kennis leert de zondaar niets meer dan dat God radicaal afwijst enig ander middel dan het dierbaar bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden. Het laat de zondaar zozeer in zijn doodstaat, dat er daarna nog een “gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, wonderbare, verborgen en onuitsprekelijke werking” door de Heilige Geest nodig is, die “in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden,” DL hoofdstuk 3 en 4, par. 12. En daarom spreekt de apostel in de brief aan de Gal. 3:2: “Dit alleen wil ik van u leren: hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?” En in het 21e vers: “Want indien er een wet gegeven was, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.” Het gaat hier inderdaad om de wortel van de zaak.
Waar komt die afwijking vandaan, zo kan men zich dan nog afvragen. Het antwoord luidt: van dr Steenblok c.s. Nota bene in de acta van losmaking van de gemeente van Gouda lezen wij: “… dat … alleen na de wedergeboorte, door de zaligmakende ontdekking der genade, uit de prediking der wet, plaatsgemaakt wordt in het hart voor Christus en de beloften en daarom ook de Heidelberger Catechismus aanvangt met de vraag: ‘Waaruit kent gij uw ellende?’ en daarop het antwoord doet volgen: ‘Uit de wet Gods’,” cursief van dr Steenblok.[20]
Als voorbeelden van onzorgvuldig citeren neemt ds De Wit door dr Van der Zwaag weergegeven citaten van Th. Avinck en mr Justus Vermeer. Van Avinck heeft dr Van der Zwaag onder andere het volgende geciteerd: “De goddelijke beloften zijn uiterlijke verklaringen of bekendmakingen van Gods wil en geneigdheid tot ellendige en behoeftige zondaren, om hun het goede, dat hun in het Evangelie ter geloofsomhelzing wordt voorgesteld, te geven.” Dr Van der Zwaag noemt dit citaat onder hoofdstuk 2.3 Het adres van de beloften, paragraaf 1 Het Evangelie in het gewaad der beloften. Ds De Wit ageert daartegen met de opmerking dat dit citaat komt uit Avincks tweede verhandeling, over Joh. 6:65 (En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader). Het zou – kort gezegd – uit zijn verband zijn gerukt. Immers, Avinck zou in die preek ook hebben benadrukt het soevereine eenzijdige Godswerk, de dodelijke onmacht van de zondaar, zijn boze vijandigheid, zijn onvermogen om te geloven, de inwendige roeping en de instorting van de hebbelijkheid van het geloof. “Dit vinden wij niet terug bij Van der Zwaag,” luidt het dan. “In plaats daarvan heeft hij uit deze preek aangehaald:” (volgt het gewraakte citaat).
Ds De Wit vergist zich echter. Voormeld citaat komt niet uit Avincks tweede verhandeling, maar uit de zevende, over Rom. 4:20 (En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer).[21] Dat het gewraakte citaat geenszins uit zijn verband is gerukt, moge blijken uit de inhoud van de zevende verhandeling. Deze is opgebouwd uit drie punten:
1. Het eerste punt behandelt de goddelijke beloften aan ons gedaan. Onder dit punt treft men het gewraakte citaat aan: “De goddelijke beloften zijn uiterlijke verklaringen of bekendmakingen van Gods wil en geneigdheid tot ellendige en behoeftige zondaren, om hun het goede, dat hun in het Evangelie ter geloofsomhelzing wordt voorgesteld, te geven.” Avinck vervolgt met te stellen dat Gods beloften nauwkeurig zijn te “onderscheiden van Gods inwendige besluiten of voornemens” en deze onderscheiding noemt hij “van het uiterste belang in de verkondiging van het Evangelie.”[22] “De beloften worden … ter geloofsomhelzing voorgesteld. Daardoor verkrijgt elk, die onder de bediening van het Evangelie leeft, recht en vrijheid, om er een gelovig gebruik van te maken.” Er zijn algemene en bijzondere beloften. De bijzondere beloften geschieden aan bepaalde personen, zoals de gelovigen.[23] De algemene zijn “al die volstrekte beloften, die zonder enige voorwaarde in het Evangelie worden voorgesteld en daarom in het algemeen tot elk, die onder het Evangelie leeft, geschieden.” Daartoe behoren de beloften van het genadeverbond.[24] Het Evangelie maakt ons de belofte van het genadeverbond bekend, stelt deze ons voor en biedt deze aan. Het geloof is geen (uit eigen kracht te vervullen) voorwaarde maar “hoofdbelofte” van het genadeverbond.[25] Wel worden “veel verbondsbeloften voorwaardelijk … voorgesteld” maar “het is om de orde en het verband tussen de ene en andere genade aan te wijzen. … Veel beloften worden aan het geloof vastgehecht.” In de bediening van het verbond kunnen o.a. “de plichten van geloof en bekering” (de voorwaarden) “nooit te sterk, noch teveel … aangedrongen worden.” Maar “nergens is er een voorwaardelijke voorstelling van de belofte, of daar is ook een volstrekte belofte, waarin die eigen voorwaarde beloofd wordt.”[26] Om de beloften in ongeloof te kunnen verwerpen, “moeten zij aan ons gedaan zijn, en zo is het ook. De volstrekte beloften houden aan allen, die leven onder de bediening van het Evangelie. Door het Evangelie wordt Christus met al Zijn verworven heilsgoederen, het verbond met al zijn beloften aan zondaren voorgesteld, geschonken en aangeboden. De taal van het Evangelie tot elk die onder zijn bediening leeft, is: ‘U komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal,’ Hand. 2:39. De belofte geschiedt aan zondaren, zo luidt het getrouwe woord, dat aller aanneming waard is in 1 Tim. 1:15.”[27]
2. Dit punt behandelt de twijfels van het ongeloof tegen de beloften. Avinck bepaalt zich vervolgens tot de algemene beloften en behandelt dan welke twijfels het ongeloof tegen die beloften inbrengt. Aan de orde komen de bedenkingen van het vleselijke verstand tegen de waarheid en zekerheid van de beloften, tegen de dierbaarheid en in het bijzonder tegen het feit dat ze aan ons gedaan zijn en door ons moeten worden toegeëigend en aangenomen. Het luidt dan: a. ik ben onwaardig; b. ik ben een te groot zondaar; c. ik ben niet vernederd en verootmoedigd. Onder d. komt de bedenking aan de orde wat men aan zo’n algemene belofte heeft. God vervult die immers “niet hoofd voor hoofd aan allen aan wie zij is gedaan.” Avinck antwoordt daarop, dat beloften aan zondaren elke zondaar insluiten. “Dat algemeen voorstel geeft elk mens die daaronder leeft recht om tot Christus te mogen komen. Elk, die onder de bediening van het Evangelie leeft, wordt de beloofde zaak niet deelachtig, evenwel zal niemand van hen, die de belofte gelovig omhelst en zichzelf toeëigent, daarvan verstoken blijven: die gelooft zal zeker zalig worden.”[28] Vervolgens wordt ingebracht e. dat God alleen aan de uitverkorenen de beloofde zaak beoogt deelachtig te maken. Jezus heeft de genade en gerechtigheid alleen voor Zijn uitverkorenen verworven. Daarop antwoordt Avick: “Wat … ook het oogmerk van God, de Belover, ten opzichte van sommige mensen zijn moge is onze zaak niet en wij mogen daarin niet indringen, want de verborgen dingen zijn voor de Heere. Maar dit is zeker, dat het oogmerk van de belofte is, dat wij die omhelzen, aannemen en zalig worden zouden. … Het leerstuk van de verkiezing moest elk te meer aanzetten om de belofte spoedig door geloof te omhelzen, om van zijn verkiezing verzekerd te zijn.”[29] Verder klinkt de bedenking f. dat de belofte mij niet in haar eigen licht aan mijn hart gebracht is en ik niet de minste kracht van het geloof ondervind om die te kunnen toeëigenen. Het antwoord van Avinck luidt: Het voorwerp des geloofs is “in God, Die in Zijn Woord spreekt, maar niet in de werking van de Heilige Geest in het hart. Dus moet men op de aanbieding volgens Gods bevel aangaan en men zal ondervinden dat er kracht zal uitgaan.” Nog houden de bedenkingen aan: g. de belofte zomaar omhelzen zou de grootste vermetelheid zijn. Antwoord: “Door deze bedenking houdt het ongeloof menige ziel dagen en jaren in twijfelingen.” Het is “de uiterste vermetelheid … door ongeloof met de Almachtige te twisten.”[30] De laatste bedenking, die door Avinck weerlegd wordt, is: h. ik heb het al zo vaak beproefd en op mijn wijze gedaan, maar ik ben er niet door gered. Vervolgens zegt Avinck nog iets over de bronnen van het ongeloof en deze bedenkingen. Hij noemt dan: a. de practicale onkunde van God: die Zijn naam kennen, zullen op Hem betrouwen, Ps. 9:11; b. de aangeboren hoogmoed en trotsheid van ons hart; c. ons wettisch gestel; d. de heimelijke achterdocht, die wij in ons hart voeden tegen God en Christus, voortspruitend uit onze aangeboren vijandschap tegen God.
3. Onder het derde punt behandelt Avinck dat ongelovig twijfelen Godonterend is en voor ons allerschadelijkst. Avinck toont dit uitvoerig aan. Opnieuw komen de beloften ter sprake. Zo merkt hij op: “Waar komt het toch vandaan, dat sommige bedrukte, door onweder voortgedreven zielen, zo ongetroost henen gaan? Is het niet daarvan, dat zij zich de beloften niet toeëigenen door het geloof?”[31]
Avinck eindigt met een woord van toepassing voor o.a. de ongelovigen. Hij zegt: “Onbekeerd, zorgeloos mens … Het zijn zeker uitnemende voorrechten, dat u zo grote en dierbare beloften geschonken worden, maar wat zullen u die beloften baten, zo gij ze niet gelovig aanneemt en omhelst? … Och, dat gij de beloften tot pleitgronden maakte en het groot belang dat gij in het aannemen van de beloften hebt, zien mocht, opdat gij aan de beloofde zaken deel mocht krijgen.”[32]
Een ieder oordele nu, of het citaat onder het voormelde hoofdstuk en de paragraaf uit het boek van Van der Zwaag iets anders weergeeft dan door Avinck in zijn verband zelf bedoeld. Wij voor ons, menen dat de vragen: “Is dit nog eerlijk? Verder krijgt de gehele preek geen aandacht! Is dit zorgvuldig? Zijn dit accenten zoals Avinck die bedoelt?” zeer ongepast zijn.
6. VERMEER
Het volgende voorbeeld van onzorgvuldig citeren, illustreert ds De Wit aan een door dr Van der Zwaag weergegeven citaat van mr Justus Vermeer.[33] Het citaat komt uit diens preek over de 7e zondag van de Heidelberse Catechismus en luidt: “Dit [te weten: de aannemende daad des geloofs] is de wezenlijkste daad des geloofs, namelijk: God biedt Zijn Zoon en Christus biedt Zichzelf in al Zijn gepaste volheden en heerlijkheden aan een zeer ellendige, vuile, zondige en verloren ziel in zichzelf aan, en dat enkel uit vrije genade om niet.”[34] Volgens ds De Wit geldt dit citaat (alleen) Gods kinderen. “Wat [Van der Zwaag] doet, en niet alleen hier, is datgene wat oude schrijvers met het oog op Gods kinderen schrijven, verbreden tot alle hoorders. Hier is niet alleen een citaat uit zijn verband gehaald, maar wordt de kostelijke preek van Vermeer gebruikt voor de ideeën van Van der Zwaag.”
Hoewel ds De Wit meerdere vermeende incidenten stelt (“niet alleen hier”) ten aanzien van meerdere schrijvers (“oude schrijvers” onbepaald), noemt hij verder geen concrete voorbeelden, zodat wij ons ook beperken tot het citaat van Vermeer. Is dat met het oog op Gods kinderen geschreven, of geldt het voor alle hoorders? De preek zelf geeft even verderop reeds het antwoord. “… elk mens, hoofd voor hoofd, heeft te staan naar het wezen der zaken, anders komt hij niet in de hemel.”[35] Als het aannemen nu de wezenlijkste daad van het geloof is en ieder mens heeft te staan naar het wezen der zaken, geldt voormeld citaat voor alle hoorders. Maar om het bewijs daarvan niet op een enkel citaat te doen steunen, volgen hierna nog enkele aanhalingen die het geschilpunt volkomen in het licht stellen:
- Bij de behandeling van vraag 53 in zondag 20, van God de Heilige Geest, merkt Vermeer op: “Het geloof in de Heilige Geest … wil zeggen dat men die Geest in en door Christus, op Zijn aanbieding, aanneemt. Jezus roept het elke zondaar toe (Joh. 7:38, 39): ‘Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien. En dit zeide Hij van de Geest, Dewelke ontvangen zouden die in Hem geloven’”;[36]
- In de toepassing op vraag 58 uit zondag 22, over de tweede weldaad na dit leven, zegt Vermeer: “Vrienden, ik moet u raden, grijpt toch naar het eeuwige leven eer het te laat is. Grijpt niet naar doen en naar plichten, om daar ver in te komen en dan uzelf daarop vrede en leven te beloven. Maar grijpt naar het eeuwige leven, naar de hoornen van het Altaar. Grijpt naar Christus. Jezus zegt (Spr. 8:35): "Die Mij vindt, vindt het leven." O, dat u daaraan eens vast greep, dan zou u eeuwig leven. Mensen, het is beter honderd maal toe te tasten en mis te tasten, dan al dat dralen en zich te laten ophouden. En daarom, tast toch toe, mensen, gij die u daartoe soms opgewekt gevoelt. O, geeft u toch dagelijks, zo ellendig als gij zijt, aan Jezus over. Kunt u Hem niet grijpen? Steekt dan uw hand uit, och, dat Hij u greep, opdat gij grijpen mocht en waartoe gij dan gegrepen zoudt zijn”;[37]
- In de toepassing van de vragen 86 en 87 van zondag 32, van de dankbaarheid of de noodzakelijkheid der goede werken, valt te lezen: “Ook ligt er een woord in tot ontkoming zelfs voor de meest goddelozen. Want zulken zijn menigmaal des te goddelozer omdat zij wanhopen aan de genade. Maar niemand kan te slecht zijn om bekeerd te worden. O, wie is er hier onder u, die in uw goddeloos en ondankbaar, ja in een grof zondig leven tot hiertoe zijt doorgegaan, en die lust zou hebben om bekeerd te worden, indien gij maar geloven kon dat het niet te ver met u gekomen was? Vrienden, ziet hier de aanbieding van een peilloze afgrond van genade. Deze wordt u aangeboden. God zweert (Ezech. 16:32 en 33:11) dat Hij geen lust heeft aan uw dood. Ja, Jezus biedt Zichzelf aan u aan, om uw zonden te vergeven, om u te veranderen en u tot Zijn dienst te heiligen en voor de hemel bekwaam te maken. O, Hij wil en heeft er lust in Zijn genade daar te verheerlijken waar de zonden groot en vele zijn. Zijn uw zonden groot, Zijn genade is eeuwig en oneindig. O, ik vrees dat uw niet komen tot Christus u de dood zal aandoen. Eindelijk en ten laatste, o goddeloos mens, geloof toch dat er aan de zijde des Heeren hoop voor u is om bekeerd te worden. Uw hoop moet u ontvallen, maar u mag niet wanhopen aan de genade. O, hoe komt u er nog door? Ja, geloof dat maar, als gij tot Jezus komt en Hij Zijn vleugelen over u uitbreidt, dat gij dan een wonderlijk mens zult worden. Wordt u veel vergeven? Het bewijs daarvan zal zijn dat gij veel zult liefhebben. De grootste zondaren worden wel eens de dierbaarste christenen. Mocht dit nog ter uitlokking van de één of andere wanhopige zondaar of zondares dienen”;[38]
- En ten slotte, in de behandeling van vraag 124 van zondag 49, de derde bede, luidt het: “In de tweede plaats wordt elk onbekeerd mens, die onder het licht des Evangelies leeft, geroepen tot de gemeenschap van Gods Zoon. Hij wordt geroepen om de eis van God in Zijn heilige wet in te zien en daardoor aan de voeten van Christus dood te vallen, stervende aan deze wet, en dus in Christus te geloven. En dit geschiedt zelfs met de bedreiging, wanneer hij niet in de Zoon gelooft, dat hij dan daardoor alrede veroordeeld is en verdoemd zal worden. Ja, dat de toorn van God op hem zal blijven en hij een dubbele vervloeking, een Maranatha zal ondergaan (Joh. 3:36, 1 Kor. 16:22). Deze beroeping zal eindigen met het eindigen van de tijd der genade.”[39]
Tegen de achtergrond van het voormelde, laten wij wat zou zijn verzwegen uit Boston en uitzonderlijk selectief geciteerd uit Brakel rusten. De beschuldigingen zijn hier ook niet geconcretiseerd. Als ds De Wit iets wil aantonen, moet hij ten minste stellen dat datgene, wat dr Van der Zwaag uit deze schrijvers citeert niet past bij het behandelde onderwerp omdat zij, hun citaat ten spijt, het tegendeel van het bij dat onderwerp en in die context aangevoerde, bedoelen. Dus niet: dat zij nog meer hebben gezegd – want daarover zijn we het wel eens – maar dat zij anders hebben bedoeld. Als alles wat ds. De Wit van Boston en Brakel meer aanhaalt als juist wordt erkend, is daarmee nog niets aangetoond. Als bijv. Boston schrijft dat geloof van de wet vooraf gaat, schrijft hij dan over het waar zaligmakend geloof of over een voorbereidend geloof? Als dat laatste het geval is, dan is het bij het door Van der Zwaag behandelde onderwerp niet ter zake. En dat is het geval. Boston schrijft uitdrukkelijk: “Het geloof in de Wet is inderdaad geen zaligmakend geloof, want de Wet is het woord en de bediening van de verdoemenis en niet van de gerechtigheid, want het spreekt niet van een Zaligmaker, een verzoening of een toegerekende gerechtigheid (2 Kor. 3:9). … het geloof in de Wet [is] het werk van de Heilige Geest, evenzeer als het zaligmakende geloof in het Evangelie, hoewel het op een andere wijze gewerkt wordt. Hij werkt het eerste als een Geest van dienstbaarheid, Die door de Wet overtuigt van zonde en ellende (Rom. 8:15 vgl. met Joh. 16:8). Hij werkt het laatste als een levendmakende Geest, die de ziel door het Evangelie verlicht met de kennis van Christus (2 Kor. 3:17-18).”[40] Evenzo is het met al wat ds De Wit meer van Boston en Brakel aanhaalt. Want daarmee is nog niet aangetoond a. dat het aangehaalde ook bij het door dr Van der Zwaag behandelde onderwerp past en vermeld had behoren te worden noch b. dat daarmee het door dr Van der Zwaag bij zijn onderwerp wel aangevoerde is ontkracht. Vandaar: we laten het rusten. Wij bieden overigens graag aan concrete punten ten aanzien van het citeren van onze Engelse oudvaders te beantwoorden, maar het door ds De Wit aangehaalde is niet ter zake. Hoewel ds De Wit een duidelijke probleemstelling mist, is zoveel immers wel duidelijk, dat het boek van dr Van der Zwaag geen vergaarbak vol losse aanhalingen is, maar een behandeling van de toeëigening des heils in historisch en theologisch perspectief aan de hand van zorgvuldig gekozen citaten. Dus met alle respect, niet alles kan in dit dikke citatenboek worden opgenomen. En wat de Erskines betreft, als ds De Wit wil stellen dat selectief of onzorgvuldig is geciteerd, verwachten wij dat hij met concrete voorbeelden aantoont dat de door dr Van der Zwaag aangevoerde citaten iets anders weergeven dan door deze gebroeders in hun verband zelf bedoeld.
8. Na vervolgens te hebben gesteld dat dr Van der Zwaag de spaarzamelijk geciteerde Schriftplaatsen naar eigen hand zet, beweert ds De Wit, dat in Dordt op grond van een goede exegese is gesteld: het woord ‘wereld’ in Joh. 3:16 is de wereld der uitverkorenen. Met verwijzing naar Pareus (99e zitting) en ‘onze vaderen’. Ds De Wit laat onvermeld wat Pareus heeft gezegd over de genoegzaamheid van de dood van Christus. Terecht? Als de verkondiging van het Evangelie juist op deze algenoegzaamheid rust en daarin is gefundeerd zeker niet! En voorts is dat niet terecht, omdat Pareus een ruime exegese van het woord ‘wereld’ in andere teksten wel degelijk toestaat. Maar laat Pareus zelf spreken.
Volgens hem hebben de remonstranten in een bepaalde zin waarachtig gesproken, toen zij stelden dat Jezus Christus de Zaligmaker voor allen en een ieder gestorven is. “Want de dood van Christus, ten aanzien van zijn waardigheid en macht, is een remedie, genoegzaam om de zonden van allen en een ieder mens weg te nemen, en daar ontbreekt niets tot de dadelijke verzoening van allen en een ieder mens, die ze met het geloof aanneemt. In deze zin mag men zeggen, dat Christus voor allen en een ieder mens gestorven is; en in zodanige zin worden de spreuken van de Schift (waar Christus gezegd is voor allen gestorven te zijn, 1 Tim. 2:6; de dood voor allen gesmaakt te hebben, Hebr. 2:9; de verzoening te zijn voor de zonden der ganse wereld, 1 Joh. 2:2) in het algemeen niet onbekwaam verstaan, hoewel ze ook nauwer kunnen genomen worden.” En even daarna zegt hij het nogmaals: “Dat Christus, zoveel aangaat de genoegzaamheid van de prijs en van Zijn verdienste, voor allen en een ieder gestorven is, en heeft willen (!) sterven.”[41] De inhoud van het Evangelie omschrijft Pareus als volgt: “ … dat Christus voor de zonden der gehele wereld genoegzaam betaald heeft en alle in Hem gelovenden met God verzoend heeft.” En voor alle ongelovigen geldt, “ … dat zij ook deze verdienste en deze verzoening deelachtig zullen worden, indien zij uit ongelovigen gelovigen worden en in Christus geloven.”[42]
Evenzo verklaart ook dr Petrus Molinaeus, 143e zitting, met betrekking tot het tweede artikel (der remonstranten). Ten aanzien van 2 Petr. 3:9 (niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen) merkt dr Molinaeus op, “dat God niet wil, dat iemand verga, namelijk, omdat Hij de oorzaak niet is van iemands verderf; want Hij vermaant ze allen tot boetvaardigheid.”[43] De theologen van Engeland zijn van mening dat “Christus voor allen gestorven [is], opdat allen en eenieder, het geloof daar tussen komende, door de kracht van dit rantsoengeld vergeving der zonden en het eeuwige leven mogen verkrijgen.”[44] Ook de Hessische theologen beklemtonen de algenoegzaamheid van Christus’ verdienste: “nooit van de leraars der Gereformeerde Kerk ontkend”, “al waren er duizend werelden”.[45] De Nassau-Wetteravische Kerken verklaren als hun gevoelen, dat “de genoegzaamheid en grootheid van het rantsoengeld van Christus, zoveel aangaat de verworpenen, een dubbel einde [heeft], het ene uit zichzelf, het andere toevalliger wijze. Het einde uit zichzelf is, dat God betuige, dat Hij geen behagen heeft in ’t verderf der mensen; als die Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat allen, die in Hem geloven zouden, niet vergaan, maar het eeuwige leven hebben. Het einde toevalliger wijze is, dat de verworpenen door de grootheid en genoegzaamheid van het rantsoengeld alle onschuld benomen wordt.”[46] Nota bene: het accusatoire aspect van de algenoegzaamheid is volgens hen toevallig, niet eigenlijk! Dr Matthias Martinius van Bremen haalt van Ursinus aan: “Christus is gestorven voor allen, naar verdienste en genoegzaamheid van het rantsoengeld, voor de gelovigen alleen, naar toeëigening en werking.”[47] En van dr Henricus Iselburg van Bremen lezen wij dat Christus zo gezegd wordt “voor allen genoegzaam gestorven te zijn, dat allen, die in Hem geloven en Zijn hulp begeren verzoening, vergeving der zonden en het erfdeel des eeuwigen levens mogen en behoren te verkrijgen.”[48]
Onze Nederlandse professoren Gomarus, Polyander, Thysius en Walleus, dachten er in hun bespreking van het tweede artikel niet anders over: “I. Wij belijden dat de verdienste en de kracht van de dood en de voldoening van Christus zo waardig is en van zo grote prijs, zowel vanwege de volkomenheid ervan, als vanwege de oneindige waardigheid van Zijn persoon, dat hetzelve a. niet alleen genoegzaam zij om aller mensen zonden, zelfs de allergrootste, b uit te wissen, maar ook om al de nakomelingen van Adam, al ware het, dat er veel meer waren, zalig te maken, indien ze datzelve met het ware geloof omhelsden. c.” Als bewijsplaats bij c. wordt genoemd Joh. 3:16. “II. Daar is ook niet aan te twijfelen, of dit is de mening en het voorgestelde oogmerk geweest van God de Vader, Zijn Zoon overgevende; en van Christus, Zichzelf opofferende; dat Hij zodanig en zo groot een rantsoen zou betalen. … III. En zulks is ook van de rechtgevoelenden nooit ontkend geweest, dat men aan het christenvolk en aan al degenen, die het Evangelie verkondigd wordt, ditzelve rantsoen van Christus, als zodanig zonder onderscheid behore te verkondigen, en in de naam van Christus aan te bieden, en datzelve ernstig en volgens de raad des Vaders, aan God ondertussen Zijn verborgen oordelen overlatend, die deze genade uitdeelt en toeëigent, beide zo ver en zoveel Hij wil, en aan wie Hij wil. …”[49] De gedeputeerden van de Kerken van Friesland en de gedeputeerde broeders van de synode van Groningen en de Ommelanden, hebben over het tweede artikel beiden een gelijkluidend oordeel. De broeders van het landschap van Drenthe staan toe dat ten aanzien van de genoegzaamheid wordt gezegd “dat het rantsoen van Christus kracht heeft gehad tot de verzoening in een ieder”.[50] En Sibrandus Lubbertus had bij zijn bespreking van het eerste artikel van de remonstranten al opgemerkt dat hij niet leerde “dat God eenvoudig of zonder enig aanzien niet wil dat alle mensen bekeerd en behouden worden, … maar … dat God ernstig wil de bekering en zaligheid van alle mensen, ten aanzien van Zijn goedkeuring en Zijn verblijden daarin.”[51]
Nu kan echter opgemerkt worden dat het voorgaande niet wegneemt dat Pareus in zijn verhandeling het woord ‘wereld’ in Joh. 3:16 dan toch maar beperkt tot de uitverkorenen. Dat is juist en voor wat betreft de dadelijke verwerving en verzoening in de teksten Kol. 1:10 en 11, 2 Kor. 5:19, Joh. 12:47 en 17:23 is dat ook correct. In die plaatsen wordt volgens Pareus gezegd “dat Christus metterdaad in de stand der genade hersteld heeft de wereld, dat is alle gelovigen in de wereld … .”[52] De dadelijke herstelling in de genade door Christus dood is ook beperkt tot de uitverkorenen. Dit was het geschilpunt met de remonstranten. Maar daarmee heeft Pareus nog niet gezegd dat niet in zeker opzicht gezegd mag worden dat Christus voor de gehele wereld, ja voor allen en een ieder mens gestorven is. De remonstranten hadden in het tweede artikel beweerd, dat Christus door Zijn kruisdood allen en een ieder mens de verzoening en vergeving der zonden verworven had. Pareus begrijpt dit zo, dat de remonstranten daarmee stelden, dat Christus, zonder aanzien van de genoegzaamheid en werking van Zijn dood, voor allen mag gezegd worden gestorven te zijn. Dit verwerpt Pareus en daartegenover stelt hij dat in voormelde teksten ‘de wereld’ niet verstaan kan worden, dan van de wereld der uitverkorenen en aldaar sprake is van een daadwerkelijke herstelling in de stand der genade.
Ten aanzien van Joh. 3:16 en 1 Joh. 2:2 merkt Pareus op, dat beide plaatsen direct geen betrekking hebben op de dood van Christus voor allen en een ieder. In tegendeel, “het tweede deel [van Joh. 3:16 (opdat een iegelijk …)] maakt …, dat de voorstelling bepaald moet zijn,” dus in directe zin beperkt tot de uitverkorenen. Hij vervolgt dan, “dat Christus eigenlijk voor alle gelovigen en voor die alleen, voor geen ongelovigen en dus niet absoluut voor allen en een ieder mens gestorven is.” Maar als het gaat over de wijdheid en grootheid der verdienste van de dood van Christus zegt hij: deze is voor alle mensen tot verzoening gans genoegzaam “en daar ontbreekt niets tot de dadelijke verzoening van allen en een ieder mens, die ze met geloof aanneemt. In deze zin mag men zeggen, dat Christus voor allen en een ieder mens gestorven is; en in zodanige zin worden de spreuken van de Schift (waar Christus gezegd is voor allen gestorven te zijn, 1 Tim. 2:6; de dood voor allen gesmaakt te hebben, Hebr. 2:9; de verzoening te zijn voor de zonden der ganse wereld, 1 Joh. 2:2) in het algemeen niet onbekwaam verstaan, hoewel ze ook nauwer kunnen genomen worden.”[53]
Maar – afgezien van de verhandeling van Pareus – is nu aangetoond dat in Dordt op grond van een goede exegese is gesteld: het woordje ‘wereld’ in Joh. 3:16 is de wereld der uitverkorenen, zoals ds De Wit beweert? De canones zelf – en allen hebben door ondertekening hun adhesie hiermee betuigd – hebben al in de tweede paragraaf van hoofdstuk 1 gekozen voor de samenvoeging van 1 Joh. 4:9 en Joh. 3:16 en daarmee voor een ruime exegese van het woord ‘wereld’. Niemand zal immers willen beweren, dat God Zijn Zoon heeft gezonden in de uitverkoren wereld. Integendeel. God heeft Zijn Zoon gezonden in een door de zonde vervloekte kosmos. Als deze zending van Gods Zoon ‘in de wereld’ volgens 1 Joh. 4:9 de openbaring van Gods liefde is, mogen wij het woord ‘wereld’ in Joh. 3:16 (alzo lief heeft God de wereld gehad) ook ruimer nemen dan ‘de uitverkoren wereld’. En dat volgt ook uit de derde paragraaf van hoofdstuk 1. Het luidt daar niet: “En opdat de uitverkorenen tot het geloof worden gebracht, … door wiens dienst de uitverkorenen geroepen worden tot bekering en geloof in Christus, …” maar: “… de mensen …, … de mensen … .” Ten overvloede zij nog gewezen op het feit, dat in de taal van Johannes het inlezen van ‘de uitverkoren wereld’ op veel plaatsen een contradictio in terminis oplevert. Als hij bijvoorbeeld spreekt over ‘de Zijnen’ dan staat dikwijls te lezen dat dezen uit de wereld, niet van de wereld zijn, zie o.a. Joh. 15 en 17. De zondige wereld, wel te verstaan.
9. Het is vervelend dat ds De Wit bij de bespreking van dit onderdeel ook nog eens onvolledig citeert. Dr Van der Zwaag zegt namelijk niet: “God wil dat iedereen het Evangelie hoort, gered wordt en tot de kennis van zaligheid komt.” Ook de parafrase van ds De Wit is onjuist: God wil alle mensen zalig maken. Dr Van der Zwaag heeft wel geschreven: “God wil dat iedereen die het Evangelie hoort, gered wordt en tot de kennis van de zaligheid komt.” En daar eindigt de alinea niet, maar vervolgt: “Daarom zegt de Heere dat Hij allen (pantas) verkondigt dat zij zich bekeren (Hand. 17:30),” p. 48. In wat verschilt dit citaat wezenlijk van datgene wat dr Molinaeus ten aanzien van 2 Petr. 3:9 (niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen) opmerkte, te weten “dat God niet wil, dat iemand verga, namelijk, omdat Hij de oorzaak niet is van iemands verderf; want Hij vermaant ze allen tot boetvaardigheid.” Of met Lubbertus heeft gezegd, te weten dat hij niet leerde dat God eenvoudig of zonder enig aanzien niet wil dat alle mensen bekeerd en behouden worden, maar dat God ernstig wil de bekering en zaligheid van alle mensen, ten aanzien van Zijn goedkeuring en Zijn verblijden daarin. Zij deden hun opmerkingen in de strijd tegen de remonstranten. Jegens dr Van der Zwaag klinkt het thans: Van der Zwaag volgt de eenvoudige regels van de exegese niet: het woord in zijn verband en in het geheel van de Schrift plaatsen! Ongelukken! Onschriftuurlijke conclusies! Onbijbels! Ongereformeerd spoor!
Bezwaar V: citeren is nog niet hetzelfde als adhesie betuigen
10. Voorts stelt ds De Wit dat door het geheel van de citaten een draad van Baxter en Woelderink loopt. Voor Baxter is die stelling eenvoudig onjuist. Alle citaten van hem bijeen genomen, zouden waarschijnlijk niet meer dan één pagina beslaan. En dan, alle citaten zijn voluit rechtzinnig. Laat ds De Wit eens zeggen wat eraan mankeert.
En wat Woelderink betreft, van hem heeft dr Van der Zwaag aanzienlijk meer geciteerd. Maar citeren is nog niet hetzelfde als kritiekloos adhesie betuigen met het geciteerde, laat staan met de schrijver van het citaat en diens overige werk. Wij zouden ds De Wit willen vragen: mag men citaten van theologen die anders denken niet meer weergeven? Maar dan heeft ook ds W. Visscher zich schuldig gemaakt, toen hij in de Saambinder van 1 januari jl. met instemming citeerde uit het boek “De geschiedenis der kerk” van nota bene dr H. Berkhof. Van een lans breken (het voor iemand opnemen) is dan ook geen sprake; dr Van der Zwaag oefent zelfs kritiek op Woederinks visie op de Dordtse leerregels. Maar dat Woelderink rake uitspraken heeft gedaan, behoeft geen betoog. Wij verwijzen slechts naar het door hem gemaakte punt ten aanzien van het ‘vierde belijdenisgeschrift’, waardoor samenwerking met andere kerkformaties eigenlijk onmogelijk is geworden. Hoe moet dat, waar de Acta van afscheiding en wederkeer ons verplicht om gemeenschap te oefenen met de Hervormde Kerk zodra mogelijk, als die straks gezuiverd wordt voortgezet door de getrouw bevonden broeders in nood!? Staat ’31 daaraan dan in de weg? Gaan we liever samen met hen, die consequent en systematisch het Evangelie onder een allesbeheersend verkiezingsidee kapot gedrukt hebben (dr C. Steenblok), dat nog altijd doen en ons hebben gekwalificeerd als antichristen (F. Mallan en L.M.P. Scholten (red.), Uit ons uitgegaan)!? En hoe gaan wij eigenlijk om met die stervende vrouw, waarvan Woelderink spreekt, die door hem gewezen op de beloften van het Evangelie, alleen maar zei: “Als er niets gebeurt, dan is het verloren”? En met zijn opmerking: “Alle zondekennis en alle buigen onder het oordeel Gods is ijdel, als zij niet uitmondt in en verbonden is met het geloof in onze Heere Jezus Christus”? En met de schorsing van ds R. Kok die – om in diens eigen woorden te spreken – voor Gods aangezicht blijft liggen en die ds I. Kievit zeer zeker niet kon billijken; men leze ook het laatste boek van ds C. Harinck hierover. Ds Kievit heeft ook geschreven: “We verwerpen hartgrondig de gerationaliseerde verkiezingsleer, zoals deze in de Gereformeerde Gemeenten en elders wordt geleerd en gepropageerd. De bediening des Woords wordt erdoor verkracht en Sion schreit eronder. Het wordt verdedigen en verwerpen van stellingen, een dorre en dode beweging,” p. 746. Doch genoeg hierover. Zoveel is wel duidelijk, dat het synodale besluit van 1931 over het verbond geen onderdeel vormt van “de leer van onze kerk” die wij belijden. Want die kent men inderdaad “uit de openbare belijdenissen der Kerken zelf, en uit deze verklaring der rechtzinnige leer, die met eendrachtige overeenstemming van allen en een ieder lid der gehele Synode bevestigd is” namelijk Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels.
Bezwaar VI: een rechtzinnige uitleg van ons doopsformulier
11. In het slotartikel stelt ds De Wit dat dr Van der Zwaag dr Woelderink volgt, zoals ook blijkt bij de uitleg van ons doopsformulier. Daarbij past de vraag: geldt het “En hoewel onze kinderen deze dingen niet verstaan …” voor alle kinderen der gemeente (zoals daarvoor is gezegd: ons en onze kinderen) of niet? Zo ja, dan worden zij, precies zoals zij aan de verdoemenis in Adam deelachtig zijn, ook weer in Christus tot genade aangenomen, namelijk: zonder hun weten. Dat is dan zoveel als dat met hen Gods verbond wordt opgericht, waarvan zij erfgenamen zijn, zo blijkt uit de verwijsteksten, Gen. 17:7 en Hand. 2:39. Dat dit niet uitsluit, maar juist vereist het gebed voor de doop “wij bidden U, bij Uw grondeloze barmhartigheid, dat Gij deze kinderen genadig wilt aanzien en door Uw Heilige Geest Uw Zoon Jezus Christus inlijven” betekent, dat het verbond van God en het “in Christus geheiligd zijn” nog niet zalig maakt. Dit inlijven is overigens hetzelfde als het inlijven van zondag 7 van de Heidelberger Catechismus (eveneens uit de Palts) en gelijk aan het wassen en toenemen in de Heere Jezus, in Wie zij reeds geheiligd zijn, het bekennen van Gods Vaderlijke goedheid en barmhartigheid enz. Men zegge nu niet dat het ‘zonder hun weten der verdoemenis deelachtig’ op alle kinderen slaat en het ‘alzo wederom in genade aangenomen’ alleen op de uitverkoren kinderen. Want die uitvlucht brengt noodzakelijk met zich mee dat alle uitverkoren als onwetenden, dus in hun kindsheid, worden wedergeboren. Bovendien moet men dan ook niet alle kinderen der gemeente dopen, tenzij men wil dopen op een veronderstelling, wat niets minder zou zijn dan op de leer der veronderstelde wedergeboorte van dr A. Kuyper. Dat dr Woelderink er zo over denkt, betekent niet dat dr Van der Zwaag hem volgt, maar dat ook al zou eerstgenoemde een dwaalleraar zijn, hij op dit punt juist zag. Overigens is dit alles door ds C. Harinck in zijn laatste boek in voetnoten erkend als rechtzinnig, maar ook als zijnde de inhoud van ons doopsformulier als hij schrijft: “Het is misschien niet overbodig hier op te merken, dat verschillende oudvaders en ook ons doopsformulier op die wijze over het genadeverbond spreken.”[54] En later schrijft hij: “Bij enkele oudvaders treffen we de gedachte van drie onderscheiden verbonden ook aan. Indien de nadruk ligt op het feit dat God de Heilige Geest het geloof en de bekering werkt en deze genaden aan de uitverkorenen in Christus zijn beloofd, blijft men met de leer van drie verbonden binnen de reformatorische traditie.”[55]
Wat ten slotte betreft de nieuwe gehoorzaamheid, die van de gedoopte kinderen wordt geëist (er zijn in ieder verbond immers twee delen, te weten een belofte en een eis): die eis is op te vatten als de conditie of voorwaarde van het geloof, namelijk dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganser harte, van ganser ziele, van gansen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur doden, en in een nieuw godzalig leven wandelen. Men zegge nu niet dat daarmee de vastheid van betuigen en verzegelen in de Doop afhankelijk zou zijn van ons geloven. Want er zijn ook nog zoveel als gereformeerde condities of voorwaarden. Men leze de Acta van de Dordtse synode er maar eens op na. Hier zij slechts verwezen naar Pareus’ verhandeling, naar dr Petrus Molinaeus, 143e zitting, de Hessische theologen over het eerste artikel (der remonstranten), de Nassau-Wetteravische Kerken over het tweede artikel en de theologen van Genčve over het tweede artikel (“Het geloof is inderdaad een voorwaarde van het Nieuwe Verbond, ten aanzien van de onverbrekelijke orde, die God ingesteld heeft; maar het is ook een belofte, een gave van het Nieuwe Verbond, en een uitwerksel van onze inlijving in Christus.”)[56] Men leze ook Gomarus’ voorrede op het Nieuwe Testament. Het spreken van de conditie of voorwaarde van het geloof (in gereformeerde zin) was toen nog zeer gebruikelijk. Waarvan akte!
12. Het is dan ook onbegrijpelijk dat ds De Wit aan het eind van zijn recensie durft te stellen: “Deze wijze van publiceren is laakbaar. … In dit soort boeken ligt een grote verzoeking. … afval … .” Het is te vrezen dat dergelijke veroordelingen een inleiding vormen op de censuur. Wat een recht van de reformatie was, is zodoende zonde geworden. Zijn predikanten onschendbaar geworden? Spreken zij ex katedra? Volgens het bevestigingsformulier zeker niet: Neemt dan het woord aan, hetwelk hij u volgens de Heilige Schrift zal verkondigen … .
[1] Citaat van dr C. Steenblok in De bestaansgrond der gemeenten, p. 101
[2] Acta Nationale Synode van Dordrecht 1618-1619, Uitgeverij Den Hertog 1987, p. 400, 401
[3] A.w. p. 520
[4] A.w. p. 523
[5] A.w. p. 429, 430
[6] A.w. p. 470-474
[7] A.w. p. 495 en 497
[8] A.w. p. 498
[9] A.w. p. 504, 505
[10] A.w. p. 608
[11] A.w. p. 771
[12] A.w. p 626, 627
[13] A.w. p. 821
[14] A.w. p. 828, 829
[15] A.w. p. 841
[16] Dr A. Comrie, Verzameling van leerredenen, ed. Rijssen 1977, p. 221, 222
[17] Ds G.H. Kersten, De gereformeerde dogmatiek voor de gemeenten toegelicht, deel II, p. 97
[18] A.w. deel II, p. 69
[19] A.w. deel II, p. 81, 82
[20] Dr C. Steenblok, De bestaansgrond der gemeenten, p. 158
[21] Theodorus Avinck, Praktikale verhandelingen [approb. 30 juli 1784], Uitgeverij de Bruin – Geldermalsen –
1979, p. 174v
[22] A.w. p. 176
[23] A.w. p. 180
[24] A.w. p. 177
[25] A.w. p. 178
[26] A.w. p. 179
[27] A.w. p. 180, 181
[28] A.w. p. 185
[29] A.w. p. 186
[30] A.w. p. 187
[31] A.w. p. 193
[32] A.w. p. 195
[33] mr Justus Vermeer, Heidelbergse Catechismus, [1749], Vianen 1970, 2 delen.
[34] A.w. deel 1, p. 136
[35] A.w. deel 1, p. 138
[36] A.w. deel 1, p. 433
[37] A.w. deel 1, p. 502
[38] A.w. deel 2, p. 21
[39] A.w. deel 2, p. 822
[40] Thomas Boston, Het genadeverbond, Uitgeverij De Groot Goudriaan – Kampen 2000, p. 290
[41] Acta Nationale Synode van Dordrecht 1618-1619, ed. Den Hertog 1987, p. 227, 228
[42] A.w. p. 231
[43] A.w. p. 302
[44] A.w. p. 421
[45] A.w. p. 432
[46] A.w. p. 442
[47] A.w. p. 449
[48] A.w. p. 452
[49] A.w. p. 694, 695
[50] A.w. p. 763
[51] A.w. p. 609
[52] A.w. p. 229
[53] A.w. p. 227, 228
[54] Ds C. Harinck, De prediking van het Evangelie, p. 116
[55] A.w. p. 256
[56] A.w. p. 445